Plus

De laatste uren van fotograaf Jeroen Oerlemans

Knack-verslaggeefster Joanie de Rijke was samen met de in Sirte doodgeschoten fotograaf Jeroen Oerlemans in Libië. Dit is haar verslag van zijn laatste dag.

Jeroen Oerlemans Beeld Hollandse Hoogte
Jeroen OerlemansBeeld Hollandse Hoogte

We vertrokken vroeg, afgelopen zondagmorgen. Er zouden die dag hevige gevechten in Sirte plaatsvinden tussen Libische rebellen en Islamitische Staat. Dus wilden we er op tijd bij zijn. Het was de vierde dag dat we van Misurata naar Sirte heen en terug reden.

Een trip van tweeënhalf uur door kale zandvlaktes, slingerend langs de Libische kust. De Libische autoriteiten hadden een nieuwe regel ingesteld: er mochten geen buitenlandse journalisten meer overnachten in Sirte. Je kon de stad in vanaf 08.00 uur 's morgens tot 18.00 uur 's avonds. Daarna moest je wegwezen.

We reden mee met Marwan Adaissi, een medewerker van het Rode Kruis in Libië over wie ik eerder een reportage schreef. Marwan had zijn jongere broer Mohsen mee. Mohsen wilde erbij zijn vandaag. Al mocht hij niet meevechten van zijn oudere broer.

Toch had de jongen een kalasjnikov mee. Want je weet maar nooit, zei hij. Jeroen keek naar hem en toen naar mij. We dachten beiden hetzelfde: zo'n jonge gast van zeventien met zijn babyface en een kalasjnikov. Het was Libië ten voeten uit. Het land waar alles kan. En tegelijkertijd zo weinig.

In Sirte reden we door de verlaten straten met kapotgeschoten huizen, richting de frontlijn in de wijk die ze area 1 noemen. Sirte is voor een groot deel bevrijd van Islamitische Staat. Maar in het stadsdeel in het noordoosten houden de jihadisten hardnekkig stand.

Aan de frontlijn was het één chaos. Op een plein achter een hoog gebouw, vol gaten van raketten en mortieren, stond een grote groep rebellen. Uit een luidspreker schalde het constant 'Allahu Akbar', om de mannen te steunen en aan te moedigen. Het was een bonte mengeling van kleurrijke figuren, allemaal zwaarbewapend.

Islamitische Staat bevond zich aan de voorkant van het gebouw, in een aantal flats een paar honderd meter verderop. Een paar sluipschutters hadden postgevat in de flats en schoten op alles wat bewoog. Niemand kon langs het gebouw zonder een kogel te riskeren.

De rebellen deden alles wat ze konden om de sluipschutters uit te schakelen. Ze gebruikten tankgranaten en raketten, en een gevechtsvliegtuig vloog over en dropte een bom op de flatgebouwen. Maar de snipers leken onoverwinnelijk die dag. Ze bleven terugschieten, wat er ook gebeurde.

Jeroen en ik volgden de rebellen op het plein. Een van hen, een enorme kerel die de bijnaam de Olifant had, nam ons mee het gebouw in waar sluipschutters van de rebellen op hun beurt IS wilden uitschakelen. Wat later vroeg de Olifant of we mee wilden naar de groep salafisten die tegen IS strijden. De salafisten vormen een eigen groepering en vechten keihard tegen Islamitische Staat.

Ik mocht niet mee, want vrouwen waren niet welkom. Dus bleef ik op het plein, terwijl Jeroen met een groep rebellen de straat over rende, al bukkend voor de snipers. Er was juist iemand gewond geraakt in de straat. Geraakt in zijn been door IS. Iedereen was extra alert.

Tien minuten later werd ik geroepen door Mohsen, de jonge broer van Marwan. Hij sprak geen Engels, maar het was duidelijk dat hij volledig in paniek was. Ik rende mee en begreep al snel dat Jeroen neergeschoten was. We sprongen in een auto van een rebel en scheurden als gekken naar het noodhospitaaltje waar de ambulances samenkomen.

Daar vernam ik dat Jeroen gestorven was. Hij was als eerste van een groep terug de straat over gerend, en hij werd als enige geraakt. Hij droeg een scherfwerend vest en helm. Maar de kogel kwam binnen in zijn zij, precies op de plek waar het vest je het minst beschermt, onder je arm. De kogel doorboorde zijn borst. Hij was op slag dood.

Jeroen was er zich scherp van bewust dat dit kon gebeuren. Hij was een zeer ervaren fotograaf die geen onnodige risico's nam. Maar hij wilde wel altijd vooraan staan. Hij deed gewoon zijn werk. En hij deed dat uitstekend.

Hij zou naar huis gaan de volgende dag. Hij had een dag eerder nog een pak cadeautjes gekocht voor zijn kinderen. Een voetbalshirtje voor zijn zoon van negen. Een houten slang en een speelgoedhorloge voor zijn twee dochtertjes.

Die cadeautjes liggen nu naast me terwijl ik dit schrijf, in mijn hotelkamer in Misurata. Ik ga ze zo snel mogelijk naar zijn gezin brengen. Rust zacht Jeroen. Ik hoop dat je de uitgestrekte Libische woestijn zal kunnen zien, zoals je zo graag ooit eens wilde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden