Column

De dood bestaat alleen als je dat verlaten lijf kunt zien

James WorthyBeeld Agata Nowicka

Een grootvader en een kleinzoon lopen door het ­Amsterdamse Bos. De zon schijnt en toch dragen ze kaplaarzen. De jongen verdwijnt in de struiken.

"Zag je wat, Fabian?" vraagt de grootvader.

"Ik weet het niet, opa," zegt Fabian hijgerig, met ogen zo groot als tractorwielen. De jongen heeft zo'n avonturenhonger dat je zijn fantasie kunt horen knorren.

Samen zoeken ze naar een dier of insect dat ze nog nooit hebben gezien en als ze zo'n onontdekt schepsel vinden, mogen ze het een naam geven.

"Mis je oma?" vraagt Fabian, die met een takje onder een steen poert.
Twee kevers verschijnen, van een soort die hij al eens eerder heeft gezien. Hij moppert wat en gooit het takje zo ver mogelijk weg.

"Ik miste haar eigenlijk alleen maar toen ik geconfronteerd werd met haar dode lichaam. De dood bestaat alleen als je dat verlaten lijf kunt zien. Sinds haar ­lichaam weg is, mis ik haar niet, want alleen dat ­lichaam herinnerde mij aan haar afwezigheid. Mis jij oma?"

"Ik mis de kleine dingen. Die tientallen gele cirkels in haar tv-gids. Oma was een van de laatste mensen in ­Nederland die enthousiast kon worden van het televisieaanbod. Maar ik begrijp je wel, opa. Als het leven een lichaam heeft verlaten, is het verschrikkelijk moeilijk, maar als de dood langzaamaan steeds onzichtbaarder wordt, lijkt het net of die persoon weer terug kan komen. Alsof de dood zijn anker inhaalt en weer weg kan varen."

De opa volgt twee libellen die tikkertje lijken te spelen. Ze vliegen als twee kleurrijke cursors over het laptopscherm van God. De jongen zit gehurkt naast een vijver. Hij ziet een soort watertor die hij helaas al kent.

Een meisje fietst langs. Haar rokje wappert als de vlag van een fictief land waarvoor hij wel zou willen sterven. Het meisje stapt van haar fiets af en vraagt aan hem waarom hij naast de vijver zit.

"Mijn opa en ik zoeken naar dieren die we nog niet kennen."

"Mij ken je toch nog niet?" zegt ze. Het meisje trekt het vissershoedje van zijn hoofd en zet het op haar eigen hoofd. Met zijn hoedje op haar hoofd heeft ze iets weg van Tanja Nijmeijer.

"Ja, maar we zoeken naar een schepsel dat nog geen naam heeft. Een kever of zo."

"Jullie mogen mij wel een naam geven. Ik ben toch niet zo heel blij met de naam die mijn ouders mij hebben gegeven."

"Hoe heet je dan?" vraagt Fabian.

"Brenda."

"Dat is gewoon een meer dan degelijke vrouwennaam hoor. Vooral die eerste twee letters vind ik mooi. Br. Alsof je het koud hebt. Dat is Brenda. Klappertandend verleidelijk."

"Maar waar is je opa dan?"

"Die zoekt in de struiken naar een insect dat de naam van zijn vrouw kan dragen."

"Dat is fucking lief," zegt ze.

Opa komt aangelopen. De jongen fluistert iets in het oor van het meisje.
"Wie ben jij?" vraagt de grootvader aan het onbekende meisje.

"Ik ben de reden dat jullie niet meer verder hoeven te zoeken. Ik ben de Astridkever," zegt ze, terwijl ze haar armen naar haar hoofd brengt en voelsprieten van haar handen maakt.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns terug. Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden