De dag daarna kneep je niet meer in mijn hand

Roos SchlikkerBeeld Oof Verschuren

Er is een land waar het altijd schemert. Je ging erheen, jouw nagels roodgelakt. Je droeg een nachthemd en je gouden armbandjes. Je had je koffiepot al klaargezet. Nog even iets halen van boven. Viel je toen de zon nog niet op was? Toen je weg reisde uit een leven van bewustzijn en stilletjes in de mist verdween?

Uren later vond mijn vader je onder aan de steile trap. De plas met bloed was al geronnen. In de ambulance trok je je verder terug uit het licht van de morgen, trauma-artsen openden in de OK jouw schedel. Jouw roodbruine haar bedekte nog maar de helft van je bolletje toen ik je zag.

Je lag in een halfdonkere kamer op de IC. Voortdurend kwam ik er tekens van leven zoeken. De eerste dag na de klap kneep je een paar keer in mijn hand. Ik juichte en begon tegen je te praten. "Ik hou van jou. Ik hou zo veel van jou."

"Dat wist ze echt wel," huilde mijn vader goeiig. "Je hebt het heel vaak gezegd." Dat is zo. Maar alle keren leken plotseling ontoereikend. Alles leek ontoereikend. De dag daarna kneep je niet meer. Het betekende niets. Maar ik bleef het zeggen. "Ik hou zo veel van jou."

Want ze zeiden wel dat je waarschijnlijk niets hoorde, maar stel dat er in jouw nieuwe land, daar tussen waken en dromen, een hoger bewustzijn was. Een paar dagen daarna bewoog jouw linkerarm. ­Vermoedelijk ook een reflex. Ik vouwde mijn pols om de rand van jouw bed tussen alle slangetjes en buisjes door, in de hoop dat je mij in jouw ongecontroleerde zwaaien zou raken. Alsof je me aaide.

Als de werkelijkheid ons te fel in de ogen schijnt, hebben we niets anders dan verbeelding. Soms leunde ik piepend tegen de muur omdat mijn eigen adem stopte. Astma, zei de dokter. Maar ik denk dat mijn lijf jou stiekem zuurstof wilde geven, zoals jij dat ooit deed toen je me maakte.

De weken verstreken en de reflexen verdwenen. Dagelijks klopten we op jouw deur, maar er was niemand thuis. Heel soms dacht ik aan jouw eigen huisje, aan de plek vanwaar je bent vertrokken, je nageltjes roodgelakt.

Ik probeerde me voor te stellen dat je zweefde, in het land waar het altijd schemert. Maar van zweven krijg je geen schedelbasisfractuur, hersenbloeding, gebroken pols, sleutelbeen, bekken en aangedane longen. Dat komt van vallen.

En hoe meer dagen in het halfduister verstreken, hoe meer het verlangen verdween jou wakker te kussen. Want je was bij leven al zo'n gebutste ziel, moest je echt verder nu alles in je kop en lijf kapot was?

Als iemand overlijdt zeggen ze soms dat hij uit de tijd gevallen is. Het doet zo'n pijn, maar het is slechts tijd. Je mag verder op reis, mama. De schemering uit. Op zoek naar jouw eigen licht. Vandaag begraven we mijn moeder. Ze is uit ons leven gevallen.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden