Plus

De comeback van pakkenkoning Oger

Begin dit jaar kreeg modeontwerper Oger Lusink (71) een herseninfarct. Hij kan nu weer genieten van zijn geliefde modestad Napels, maar verloor zijn spraakvermogen. Gelukkig weet zijn zoon ook precies wat nodig is om de krijtstreep weer op de kaart te zetten.

Martijn Lusink, de jongste telg van de familie, is de huidige baas van Oger Beeld Valentina Vos

Oger Lusink zit op een terras aan de voet van de Vesuvius en straalt. Uitzicht op de Middellandse Zee, in de verte het eiland Capri, veel mooier wordt het niet. De pakkenkoning van de P.C. Hooftstraat ging nooit gebukt onder de zwaarte van het bestaan, maar vanavond straalt hij bijna letterlijk.

Het grootste deel van de dag lag hij naast het zwembad van het hotel en de najaarszon heeft zijn gezicht van een weldadige gloed voorzien.

Lusink is terug in Napels, het mekka van de mannenmode, samen met zijn vriendin Ellen (56) en zijn jongste zoon Mar­tijn (39). Hij maakte de bedevaarts-tocht al ontelbaar vaak, maar zelden was hij zo blij om er te zijn.

Gisteren liet Lusink zich in het nieuw steken bij Cesare Attolini, een van de heiligdommen van wat in Italië 'sartoria' heet: de edele kleermakerskunst. De wet in maatpakkenland schrijft voor dat een mans garderobe aangepast moet worden als hij drie kilo afvalt of aankomt. Lusink verloor het afgelopen jaar, ongewild, achttien kilo.

Nadat hij zich had laten opmeten was Lusink nog uren blijven kijken naar het gepriegel van de naaisters, naar de duizenden stoffen met elk zijn eigen tactiele sub­tiliteit, naar de devotie, de bijna sacrale beleving van zoiets ogenschijnlijk simpels als een borstzakje. Hij genoot.

Het atelier van Attolini, gelegen in een onooglijke buitenwijk, lijkt meer op een laboratorium dan op een kledingfabriek. Men draagt er halflange witte doktersjassen, sommige werknemers hebben een mondkapje voor. De blikken staan strak, er wordt nauwelijks gepraat.

Een jasje van Attolini, met de kenmerkende Napolitaanse pofmouwtjes, is het resultaat van een kleine eeuw aan ervaring en minimaal 26 uur handwerk. De prijs is daar ook naar: voor een op maat gemaakt ('made to measure') pak betaal je in de winkel al snel tussen de vier- en zevenduizend euro.

Maar dan loop je er wel net zo soepel en zelfverzekerd bij als Jep Gambardella in La grande bellezza. Of Mark Rutte, met dat rare gebochelde bovenlijf - ook hij draagt maatwerk van Attolini. In die pakken is paardenhaar verwerkt, dat zich vormt naar het postuur van de drager.

Geen gewoon paardenhaar natuurlijk, maar zorgvuldig geselecteerd van de staart van hengsten. Merries plassen naar achteren, over hun eigen staart heen, en zijn dus ongeschikt. In jasjes van twee modale maandsalarissen is geen plek voor ondergepiest haar.

Wijzen en knikken
Napels zien en dan sterven, luidt het gezegde, maar voor Lusink geldt eerder het omgekeerde. Op 31 januari van dit jaar werd hij getroffen door een herseninfarct. Drie uur lang kreeg zijn brein geen zuurstof, hij was op een haar na dood.

De prognose van de artsen was niet best: een kasplantje met een luier om, veel zou het niet meer worden. Maar ze rekenden buiten de vechtlust van Lusink, die afdwong dat hij naar het revalidatiecentrum aan de Overtoom mocht. Week na week, beetje bij beetje, stapje voor stapje, krabbelde hij op. En nu is hij weer in de stad waar hij zo graag is.

Natuurlijk, het blijft behelpen. Soms heeft Lusink bij het lopen een ondersteunende arm nodig, de oog-handcoördinatie is nog niet optimaal, hij is snel moe. En het vervelendste: Lusink is zijn spraakvermogen kwijt.

In het atelier van Attolini in Napels is urenlang handwerk voor één pak de norm Beeld Valentina Vos

Ook met briefjes lukt het niet om te communiceren: de verbinding naar het taal­gebied in de linkerhersenhelft is stuk. Ja en nee gaat nog wel, maar verder is het vooral wijzen, knikken en voor zijn gezelschap gissen wat hij bedoelt.

Heel af en toe, als hij een liedje van vroeger hoort, begint hij spontaan mee te zingen. Zijn vriendin kijkt hem dan aan alsof ze een mirakel gadeslaat.

Lusink oogt broos, maar de levensvreugde spat vanavond bijna van zijn gezicht af. Zijn ogen fonkelen, rond zijn mond speelt een jongensachtige lach. "Ja, ja!" zegt hij tegen de ober, als die vraagt of hij zijn glas wijn nog eens mag vullen. "Ja!" zegt hij, als de spaghetti vongole geserveerd wordt.

En een zacht "Hrrmmm," als zijn vriendin met haar servet een achtergebleven stukje antipasto liefdevol van zijn kin veegt. Martijn legt z'n hand op zijn vaders onderarm, die kijkt hem aan en lacht.

Een nieuwe generatie
Martijn was twaalf toen hij begon te werken in de zaak van zijn vader. Dan zag hij hem tenminste nog eens, want doordeweeks was ie altijd aan het werk. In de weekeinden ook trouwens, net als alle avonden.

Lusink was altijd aan het werk. Het zoontje van de baas richtte de etalage in, ging rond met de koffie. Prachtig vond hij het. "Ik was niet uit de winkel weg te slaan. Ik had gevoel voor mode, voor kleur, maar ook voor handel. Als scholier kocht ik al oude fietsen, knapte ze op en verkocht ze door," vertelt Martijn.

Beeld Valentina Vos

Op zijn vijftiende mocht hij voor het eerst klanten helpen. "Ik wist precies wat ze in de jaren daarvoor gekocht hadden, dat had ik allemaal onthouden. Vonden die mannen natuurlijk mooi, gekleed worden door zo'n jong ventje."

Eind jaren negentig reisden vader en zoon Lusink samen door Italië. Het land waar de broekspijpen net iets korter zijn, de jasjes net iets strakker en de schoenen zonder sokken worden gedragen.

Het land van sprezzatura, dat ongrijpbare begrip dat door het Genootschap Onze Taal in een poging om maar tot een definitie te komen wordt omschreven als 'de kunst iets ogenschijnlijk moeiteloos te doen, bestudeerde nonchalance'.

Per auto doorkruisten Lusink en zijn toen 19-jarige zoon het land, op zoek naar de fraaiste pakken, overhemden en dassen. Van stad naar stad, van kleermaker naar kleer­maker, jasjes passen, stoffen voelen.

Als ze iets hadden gevonden wat mooi genoeg was voor de winkel in Amsterdam kon het onderhandelen over de prijs beginnen. Dat was nog niet makkelijk, want zij spraken geen Italiaans, en ten zuiden van Rome sprak nog nauwelijks iemand Engels. Maar met handen en voeten kwam ze er altijd wel uit.

Net als vrijwel alle Italiaanse pakken­makers is Oger een echt familiebedrijf. In 1989 werd het opgericht door broers Martin, Rob en Oger Lusink. Martin en Rob over­leden vroeg, waarna Oger alle aandelen in handen kreeg. Nu is zijn jongste zoon ­Martijn de baas, diens broer Sander is brand director, zijn nicht Yvette CFO, neef Patrick hoofd corporate fashion en diens zoon Joey inkoopmanager.

Een nieuwe generatie diende zich afgelopen voorjaar aan: Martijn werd voor het eerst vader. "Natuurlijk zou het mooi zijn als mijn dochter later ook in de zaak gaat, maar dan moet het wel haar eigen keuze zijn. En als er iemand van buitenaf is die Oger beter kan leiden, moet die het doen. Zolang het bedrijf maar binnen de familie blijft."

De missie waarmee zijn vader ooit begon: de Nederlandse man iets Latijnser maken. Een beetje eleganter, een beetje meer snit, een beetje minder hobbezak. Dat is gelukt, stelt Martijn tevreden vast.

"Het grote succes begon met Pim Fortuyn; hij maakte van Oger een gevestigde naam. Op een gegeven moment droeg half Nederland krijtstreeppakken en van die dikke dassen. Nu kleden mannen zich weer informeler, je ziet steeds minder dassen. De meeste pakken hebben hooguit een klein ruitje of een subtiel streepje."

De krijtstreep
Safari-jasjes, met vier 'patch pockets', dat wordt de volgende trend. Ze zijn nu heel populair in Japan, en binnenkort ook in Europa, voorspelt Martijn. En pakken van blendmaterialen: deels linnen en deels wol. Maar stiekem speelt hij met het idee om de krijtstreep weer terug te brengen.

"Dat is toch ons trademark. Zoals Versace weer echt Miami Vice-achtig Versace aan het worden is, willen wij dat Oger weer Oger wordt. Ik denk dat Nederland klaar is voor de comeback van de krijtstreep."

De eerste Oger-winkel in de P.C. Hooftstraat is uitgegroeid tot een bescheiden warenhuis Beeld Valentina Vos

De keuze voor Italiaans maatwerk was niet alleen een esthetische. Toen Lusink in de jaren tachtig vertrok bij The Society Shop mocht hij vanwege een concurrentie­beding geen zakendoen met de voornamelijk Duitse en Engelse leveranciers van die winkel. En dus week Oger uit naar Italië.

Zo kwamen de Lusinkjes terecht bij Finamore, een Napolitaans familiebedrijf dat sinds 1925 handgemaakte overhemden fabriceert. In essentie is er weinig veranderd, blijkt als Martijn langsgaat bij een van de eerste leveranciers van zijn vader, in een troosteloze buitenwijk van Napels. Hem wacht een warme ontvangst: twee zoenen, een espressootje, nog een klap op de schouder, "How is your father?"

Dan gaat hij het atelier binnen, waar in twee rijen zo'n veertig vrouwen achter naaimachines zitten. Ook hier: doodse stilte, opperste concentratie. Verderop doen de mannen het meten en het knippen. Een rolverdeling waar niet aan wordt getornd.

"Voor het naaiwerk moet je geduldig zijn. Mannen hebben geen geduld," zegt Paolo Finamore, kleinzoon van oprichtster Caroline Finamore, die zoals de meeste Italiaanse mannen inderdaad een weinig geduldige indruk maakt.

In het atelier vindt het grove naaiwerk plaats, maar voor het fijne werk - de knoopsgaten, de parelmoeren knoopjes - worden de shirts naar de stad verscheept, waar zo'n tweehonderd oude vrouwtjes dagelijks naald en draad ter hand nemen. Veel vrouwen werken in hun keuken - soms ruikt het shirt bij aankomst in het atelier naar pastasaus.

Aan zo'n overhemd met authentiek Napolitaanse pomodori-odeur hangt een fors prijskaartje, beginnend bij driehonderd euro en oplopend tot boven de duizend. Maar dan wordt het ook wel op maat gemaakt en kun je het aanpassen aan je voorkeuren: initialen op de manchet, wat extra bewegingsruimte bij de schouder of iets wijder bij de pols, waar het horloge wordt gedragen.

In Napels is dat vaak rechts: mannen die tijdens het auto­rijden hun arm uit het raam hebben hangen lopen er het risico van hun klok te worden beroofd.

"Het is goed om af en toe langs te gaan," zegt Martijn in de auto, alweer onderweg naar een volgende leverancier. "We kennen deze familie meer dan twintig jaar, zo'n relatie moet je onderhouden. Tegelijkertijd wil je zicht houden op de kwaliteit. Dat je je klanten geen Napolitaanse shirts verkoopt die stiekem in India worden gemaakt."

Emotioneel jaar
Het volgende bezoek is aan Isaia, in de jaren twintig opgericht door Enrico Isaia, die het bedrijf in 1957 samen met zijn broers Rosario en Corrado naar een buitenwijk van Napels verhuisde.

Ook hier kussen op de wang, espresso en sfogliatelle, de zoete lekkernij van de streek. Italianen op hun Italiaans: druk, veel handgebaren, snelle, korte zinnen. En opnieuw: "How is father doing?"

Isaia is een van de hippere Napolitaanse kleermakers en ontwikkelt zich de laatste jaren steeds meer tot een echt merk, met bijbehorende merchandise. Maar in het atelier ontbreekt nog steeds vrijwel elke vorm van automatisering.

Ronald de Boer behoort ook tot de klantenkring van Oger Beeld Valentina Vos

"Wij werken met de hand, dat is onze cultuur. Wij scheppen trots in ons ambacht," zegt een kleermaker. Dagelijks worden hier 150 pakken gemaakt van stoffen afkomstig van wevers uit het noorden van Italië. Want daar, in de Alpen, heeft het gesmolten gletsjerwater precies de juiste hardheid.

De kleermaker begint over de flinterdunne vicuñawol, afkomstig van een kleine lama die op plateaus tussen de drie- en vijfduizend meter hoogte in het Andesgebergte leeft. De prijs van een jasje van de allerzachtste wol op aarde kan oplopen tot vijftienduizend euro.

"Ja, natuurlijk gaat dat ver," zegt Martijn later. "Maar voor ons gaat dit niet over geld, maar over vakliefde." Zijn vader heeft altijd gezegd: winst is niet het doel, het gaat om de continuïteit. Oger moet over een eeuw nog steeds bestaan, net als al die Italiaanse familiebedrijven.

Na de lastige crisisjaren gaat het Oger weer voor de wind: er zijn vijf winkels in Nederland en België. Het kleine winkeltje in de P.C. waarmee het ooit begon is uitgegroeid tot een bescheiden warenhuis, met aparte af­delingen voor maatwerk, damesmode en vrijetijdskleding, ofwel 'upper casual'.

Elke zaterdag werken er zo'n dertig medewerkers, allemaal loeistrak in het pak. De broeken liggen kaarsrecht opgestapeld, de schoenen glimmen net iets meer dan in andere winkels. Klanten worden in de watten gelegd: er is valetparking, er worden bubbels geschonken, soms zijn er oesters: winkelen bij Oger moet een totaalbeleving zijn.

Het is er formeel en informeel tegelijk. Maar vooral ademt de zaak een sfeer van zelfvertrouwen. Hier komen winnaars. En anders maakt hun pak ze dat wel: in een jasje van Attolini gaat zelfs de grootste stumper net iets rechterop lopen.

Beeld Valentina Vos

De oude Lusink werkte heel zijn leven acht dagen per week, zegt zijn zoon. Alles moest wijken voor de zaak: zijn huwelijken (hij was vier keer getrouwd), zijn gezin, zijn gezondheid. "Dat ga ik anders doen," zegt Martijn.

Hij mist zijn vader als vraagbaak. Ook nadat hij de leiding van zijn zaak had overgedragen bleef hij zich ­ertegenaan bemoeien. "Soms was dat ­irritant, maar vaak ook heel fijn. Hij heeft zo veel ervaring, zo veel visie op ondernemen. Nu praat ik hem nauwelijks meer bij. Ik ben bang dat hij het niet aankan, dat het zijn herstel belemmert."

Het was een emotioneel jaar voor Martijn. Bijna zijn vader kwijt, zijn dochter die geboren werd. En, ondanks zijn voornemen het rustiger aan te doen, onverminderd hard werken.

"Dat hoort nu eenmaal bij het hebben van een bedrijf. Soms kom ik op vrijdagavond terug uit Italië, maar wil ik op zaterdagochtend toch naar de zaak, om de peptalk voor het personeel te houden. Dat is nodig: we zijn nu zo groot, ik ben gewoon als de dood dat het Oger-dna verloren gaat."

Strak in het pak
Martijn heeft in de winkel de teugels wat aangehaald, vertelt hij zijn vader in het visrestaurant aan een haventje aan de zee. "Ik merkte dat verkopers soms in hun spijkerbroek in de winkel stonden, of ze droegen een pak zonder das. Dat kan niet bij Oger. Nu ziet iedereen er weer top uit." Zijn vader kijkt hem trots aan. "Ja. Ja."

Lusink heeft groot ingeslagen bij Attolini. Een donkerblauw en een azuurblauw pak, een olijfgroen jasje en nog een blauw visgraatcolbert. En vier broeken, hij was er nu toch. Natuurlijk: hij had zich ook in zijn eigen winkel kunnen laten opmeten, maar zo in Napels is toch een stuk specialer.

En de spaghetti vongole is er oneindig veel lekkerder dan in de P.C. Hooftstraat.

De familie Lusink, Martijn en Oger Beeld Valentina Vos
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden