PlusDe Buurvrouw

De buurvrouw van Johan Goossens

Een twaalfdelig verhaal van cabaretier en Paroolcolumnist Johan Goossens over zijn buurvrouw.

Johan GoossensBeeld Wolff

Toen ik in de Jeruzalemwijk kwam wonen in een van die grappige, witte rijtjeshuisjes aan de rand van park Frankendael, had ik meteen ­ruzie.

Eigenlijk woonde ik er nog niet eens, ik was er alleen op een vrijdagochtend met een vriend en een gehuurde decoupeerzaag heen getogen om klik­laminaat te leggen.

"Godverdomme wat moet dat, kanker­lijer?" zijn de eerste woorden die mijn nieuwe buurvrouw tegen me sprak. Ze stond in een roze fleecebroek op haar balkon tussen kratjes, plastic emmers, lege flessen en een compleet Albert Heijn­karretje waarvan ik me afvroeg hoe ze die ooit naar boven had gekregen.

"O sorry," zei ik. Ik realiseerde me meteen dat ik fout zat - ik had natuurlijk even moeten laten weten dat ik laminaat ging zagen.

"Wat een teringherrie, zo 's ochtends vroeg!"

Ik keek op mijn horloge. Het was elf uur 's ochtends, maar ik wou geen olie op het vuur gooien.

"En nog wel op een zondag!" riep ze kwaad. "Het is godverdomme Hemelvaartsdag!"

"Sorry," zei ik nogmaals.

"Ja, wat koop ik daarvoor? Het is mijn enige vrije dag van de week!"

Aan dit argument valt achteraf wel wat af te dingen, omdat mijn buurvrouw helemaal geen baan had. Ze verdeelde haar tijd tussen het uitlaten van de honden, dagtripjes naar de Efteling en procederen tegen allerhande instanties. Niet dat ik wil suggereren dat mensen in de bijstand elke dag Hemelvaartsdag hebben, maar 'enige vrije dag' is dan wel een stugge claim.

"Kijk maar uit, anders stuur ik mijn advocaat op je af!" Ze stoof haar huisje in en sloeg de balkondeur dicht, waarop een indrukwekkende stapel witte mayonaisedeksels omviel.

Ik zuchtte en voelde een knoop in mijn maag. Ik had me er juist zo op verheugd om na een decennium rondzwerven door de stad, van louche hospita's naar illegale pandjesbazen, eindelijk een betaalbaar, legaal en rustig plekje voor mezelf te krijgen.

"En nu?" zei mijn zaagvriend.

De rest van de dag decoupeerden wij zo zachtjes mogelijk. Je hebt zo'n ding immers toch gehuurd en je wil hem 'eruit krijgen', maar de stemming was bedrukt. Tobberig dacht ik aan hoe ik dit ooit nog goed kon ­maken.

"Misschien moet ik een bosje bloemen ­kopen?" mijmerde ik.

"Beter koop je een slof sigaretten," zei mijn vriend, wijzend op de peuken in mijn tuintje onder haar balkon.

"Misschien kon ze het gewoon heel goed vinden met de vorige bewoners," sprak ik ­naïef.

"Nou," zei mijn vriend, "dat denk ik juist niet..."

Aflevering 2: Als een blad aan een boom

Na het decoupeerzaagincident heb ik mijn uiterste best gedaan om de vrede met mijn buurvrouw te herstellen. Ik kroop diep door het stof en voerde een hele opera aan excuses op over de veroorzaakte geluidsoverlast.

Als ik namelijk ergens niet tegen kan, is het ruzie en bovendien spookten de woorden van de man van de woningbouw door mijn hoofd.

"Dit zijn duplexwoningen," had hij gezegd over de Jeruzalemwijk. "Ze zijn gewoon in tweeën gehakt vanwege de woningnood in de jaren vijftig. Maar ja, de wandjes, de plafonds - eigenlijk is het hier helemaal niet geschikt voor meerdere huurders. Je hoort echt álles van elkaar. Je deelt dezelfde wateraansluiting, hetzelfde riool. Je moet het verdomd goed kunnen vinden met je buren, wil je het hier een tijdje uit houden. Ach, eigenlijk zouden ze alles tegen de vlakte moeten gooien..."

Hoofdschuddend gaf hij me de sleutels, wees me nog een keer op het rekeningnummer waar ik de bijna 700 euro huur per maand naar over moest maken en wenste me een fijne tijd in de dertig vierkante meter die ik voortaan de mijne mocht noemen.

De gelukkige bewoonster aan de andere kant van mijn dunne plafonnetje was de buurvrouw die zo woedend op me was sinds ik hier vrolijk klik­laminaat was komen zagen. Zij bewoonde de dertig vierkante meter boven mij met haar vriend, haar drie katten en (in die tijd nog maar) één hond.

Het was inderdaad gehorig, in de zin dat ik haar voortdurend hoorde lopen, telefoneren of tandenpoetsen, en mijn opluchting was dan ook groot toen ze uiteindelijk mijn excuses aanvaardde. "Nou, dat vind ik fijn, buurman, dat je je excuses aanbiedt!"

Ze bleek Sila te heten en ze aanvaardde mijn excuses niet alleen - ze sloeg om als een blad aan een boom. Zelden heb ik een ziedende, met haar advocaat dreigende vrouw zo snel zien veranderen in een vrolijke, sociale, misschien wat overgeïnteresseerde buurvrouw: "Goedemiddag, buurman!" "Buurman, ga je nu alweer naar de Albert Heijn? Je bent vanochtend ook al geweest!"

Het werd me al snel iets te innig, eerlijk gezegd, maar de woonsituatie bood weinig andere keus. Of ik de tuin inliep of de voordeur uitging, overal stond Sila klaar voor een gesprekje. En hoe realistisch is het om iemands vragen af te kappen, om chic en afstandelijk te reageren, als je elkaar op dagelijkse basis hoort schijten?

Nou goed, zei ik bij mezelf, alles beter dan teruggaan naar schelden en vloeken. Ach, misschien was ik zelfs een beetje trots dat ik met mijn mea culpa en charme de situatie zo had weten om te draaien. Want dat mijn buurvrouw blij met me was, bleek uit alles. Ze nam me zelfs in vertrouwen over mijn voorganger: "Die laatste onderbuurman, wat een klootzak was dat!"

"Ja?!" vroeg ik gretig. "Nou! Ik heb hem een keer een week lang van gas en licht afgesloten, zo'n eikel was het!"

"..."

"Maar bij jou zou ik dat nooit doen hoor buurman! Met jou kan ik het goed vinden, jij bent tenminste geen klootzak..."

"O, gelukkig," zei ik nog...

Aflevering 3: Een leeg blikje voor de deur

Mijn huisje in de Jeruzalemwijk was zo gehorig dat ik ­elke ochtend wakker werd als mijn buurvrouw de katten begroette. "Goedemorgen Dochtertje!" hoorde ik dan door het plafond. "Goedemorgen Zoontje!" Want haar katten heetten Zoontje en Dochtertje. Ze had ook een hond, die heette Oom.

Ik twijfelde weleens aan haar geestelijke ­gezondheid, want ze kwam vaak met gekke ­verhalen.

"Buurman!" zei ze op een dag "Er stond een ­colablikje voor je deur!" Ze zei het met zo'n heftigheid, alsof het een bom betrof. Eigenlijk zei ze alles op deze manier - met een volume en felheid alsof ze in haar eentje aan de andere kant van een ravijn stond en mij iets duidelijk wilde maken waar ons beider leven van afhing. Ik heb regel­matig mijn boodschappen laten vallen omdat ik schrok van haar 'Goedemorgen!'.

"Ik heb het blikje meteen weggehaald hoor! Meteen toen ik het zag!"
"Oh, euh... dank je," zei ik maar.
"Ja, want anders krijg je inbrekers!"
"Inbrekers?"

"Weet je dat niet?! Kijk, ze zetten een leeg colablikje voor je deur en als je het niet weghaalt, dan weten ze dat je niet thuis bent en dan slaan ze hun slag! Ze doen het ook met Fanta!"

Ze bracht alles met zo'n stelligheid dat ik soms aan mezelf twijfelde.

Misschien had ze gelijk en was er sprake van een hiaat in mijn algemene ontwikkeling? Zoals ik er ook pas rond mijn dertigste achterkwam dat je het woord coup uitspreekt zonder 'p'. Maar voor ik kon reageren, kwam ze eroverheen:

"Hoe laat ben je eigenlijk thuisgekomen gisteren? Want er is weer een auto bekrast, ik dacht misschien heb je iets gezien?!"

"Helaas niet," zei ik laconiek, want dit verhaal kende ik inmiddels.
"Het is wéér een rode, net als vorige week! Ik zeg het je: er loopt gewoon iemand rond die een hekel heeft aan rode auto's!"

Dit verhaal behoorde tot haar vaste repertoire en vertelde ze bijna dagelijks, zoals ook de episodes over inbrekers die in de bosjes zaten en ieder moment toe konden slaan: "Ze wachten hun kans schoon, hoor buurman!"

"Ach, dat valt wel mee..." probeerde ik haar te kalmeren. Ik legde uit dat ze op de eerste verdieping nauwelijks risico liep.

"Ze zijn zo binnen, hoor! Ze hoeven maar over de heg te springen, een ladder tegen de muur te zetten, het balkon op te klimmen, het slot te forceren of het raampje in te tikken en ze zijn zo binnen!"

Dat de enorme troep van flessen en vuilniszakken op haar balkon de inbrekers wel zou afschrikken, durfde ik niet te zeggen.

Misschien had ik het serieuzer moeten nemen, het minder moeten relativeren. Zeker haar verhalen over de postbode: "Hij houdt post achter, ik weet het zeker! De gluiperd!" Ook die verhalen probeerde ik te ontkrachten, maar ik merkte dat dat steeds moeilijker ging.

Ze bleef er maar op ­terugkomen met een felheid die heviger en ­heviger werd. Maar dat dit zou uitmonden in een fysieke vechtpartij, kon ik toen nog niet bevroeden.

Aflevering 4: Geen idee hoe ze dat deed

Dat mijn buurvrouw een hoarder was, had ik al wel gezien. Niet alleen stonden in onze gezamenlijke voortuin inmiddels negen fietsen, zelfs de stokken die haar hond meenam uit het park spaarde ze in een stapel naast haar voordeur, die overigens amper nog open kon.

Haar halletje stond vol met spullen en als zij met haar vriend en de hond naar binnen wilde, moest dat één voor één en heel voorzichtig. Verder kwam er nooit iemand over de vloer en ook voor mij hield ze haar deur angstvallig gesloten.

Gek genoeg drong ze er wel op aan om elkaar onze reservesleutels te geven: "Als goede buur, voor je weet maar nooit ..."

Ik had haar braaf de mijne gegeven, maar zij kwam vervolgens niet over de brug. "Die krijg je nog van me!" zei ze een paar keer. Ik dacht er verder niet meer aan tot het voorval met de man van KPN.

"Buurman, wanneer ben jij thuis?" vroeg ze. "Ze komen van de KPN, want ik krijg het snelste internet!" Ik beet op mijn tong, want mijn buurvrouw zat in de bijstand en had al de grootste auto in de straat en binnenkort dus ook nog het snelste internet.

Geen idee hoe ze dat deed, maar het waren mijn zaken niet, al moest ik er wel mijn rommelhok voor leeghalen: "De aansluiting zit bij jou!" zei ze stellig.

Toen de man van KPN op een woensdagmiddag arriveerde, wierp hij één blik in mijn leeggeruimde hok en zei meteen: "Onzin, ik moet boven zijn."

Vervolgens bleef hij een uur boven. Ik vroeg me af wat hij daar zou aantreffen. Het balkonnetje met de hoog opgetaste stapels mayonaise-­emmers en lege sinaasappelkistjes sprak tot de verbeelding. Ook de geluiden door mijn plafonnetje - het dag en nacht gesleep met spullen, het gestommel en omvallen van stapels en stapels hadden mijn fantasie geprikkeld.

Na een uur stond de KPN-man weer voor mijn deur, helemaal rood en verhit. "Ik ben in veel huizen geweest," zei hij "Maar zo'n teringzooi heb ik nog nooit gezien. Die aansluiting gaan we nooit vinden ..."

Hij bedankte me voor mijn hulp en liep naar zijn busje, toen hij zich ineens bedacht: "Shit, ik ben mijn tasje vergeten!"

Ik herinnerde me inderdaad dat hij een klein, zwart tasje bij zich had gehad. We keken nog even in mijn halletje en rommelhok en belden toen bij de buurvrouw aan. Twee keer. Drie keer. Vier keer.

Uiteindelijk ging het keukenraampje open.

"Buurvrouw, hij is zijn tasje kwijt!" riep ik naar boven "Ligt dat misschien nog bij jou?"

En zonder een seconde na te denken riep ze: "Nee! Waarom zou ik dat jatten dan?!" En ze weigerde verder de deur nog open te doen, hoezeer de man van KPN ook aandrong.

Dit was de eerste keer dat ik me realiseerde dat ze behalve hoarder misschien ook kleptomaan was. Dat die negen fietsen in de voortuin waarschijnlijk gejat waren. En vooral dacht ik: shit, ­deze vrouw heeft mijn huissleutel...

Aflevering 5: Bebloede vuist in een theedoek

Ik kwam net terug van het winkelcentrum met een zak biologische bolletjes en de nieuwe Murakami, toen ik een groep mensen voor mijn huis zag staan. Een stuk of twintig man stonden in plukjes verspreid besmuikt te kletsen en wijzen alsof er net iets ergs was gebeurd. In het middelpunt zat mijn buurvrouw Sila rokend op ons tuinhek in haar dikke, grijze beenwarmers.

Nu ik dichterbij kwam herkende ik een aantal buurtgenoten: de dikke man met zijn scoot­mobiel en piepkleine hondje, de gekke Congolees met zijn Canta, zelfs het groepje alcoholisten dat normaal gesproken in het park zat, had zijn vaste plek even verruild voor het bankje schuin tegenover mijn huis.

Er had kennelijk een sirene geklonken door de Jeruzalemwijk, want niets mobiliseerde mijn buurtgenoten zo snel als een flinke sirene. "De politie is net weg," zei de lieve buurvrouw van 14-huis. Zoals altijd in dit soort situaties had ze zich ontfermd over de hond van mijn buurvrouw, die ze uitgebreid kalmeerde: "Wat is het meisje bang, hè?! Ja, wat is het meisje bang!"

Midden op straat stond Evert met zijn bebloede vuist in een theedoek. Evert was de vriend van mijn buurvrouw. Hij woonde zogenaamd niet bij haar, want dat was uitkeringstechnisch handiger, maar hij was er altijd.

Een Amsterdamse lefgozer van middelbare leeftijd met een rood hoofd. Hij droeg doorgaans een trainingsbroek, maar zien sporten heb ik hem nooit. Wel roken, de hele dag door, met trillende handen, wat het draaien van sigaretjes moeilijk maakte. Hij was iemand waar je geen ruzie mee moest maken.

"De klootzak!" riep hij.

Ik had eigenlijk helemaal geen zin in gedoe en wilde alleen maar mijn huisje in, maar onze gezamenlijke voortuin was één bij drie, dus makkelijk ging het niet. Je loopt geen bebloede mensen langs zonder te vragen wat er is gebeurd; alleen is een toon soms moeilijk te vinden met biologische bolletjes in je hand. Uiteindelijk zei ik maar iets als: "Gaat het een beetje hier?"

Ik hoorde het mezelf zeggen. Maar ja, het was alweer de tweede politie-interventie van de week, dus enige luchtigheid was ook wel op zijn plaats.
"Hij hield post achter!" riep Sila. Ik begreep dat het over de postbode ging, waar ze al weken een groeiende boosheid tegen had gekoesterd. Dat ze nu over hem in de verleden tijd praatte, verontrustte me een beetje.

"En ik heb het eerst netjes gevraagd, hè Evert? Heb ik het netjes gevraagd?!"

"Jij hebt het HEUL netjes gevraagd!" riep Evert. "Maar kijk Johan, die man is gewoon niet geschikt voor zijn functie. Mensen denken dat iedereen maar postbode kan worden, maar deze man heeft het gewoon niet in zich..."

Ik zocht naar mijn huissleutel en zag nu dat er een plasje bloed lag op de tegels in de voortuin. Ik dacht aan de postbode die het niet in zich had.
"Wanneer moet je voorkomen, Evert?" vroeg de man met de scootmobiel routineus.

"Volgende week vrijdag, zei die. Ach dat zal wel loslopen..." Hij nam een diepe hijs van zijn sigaret. "Kijk, Johan, je moet mijn meissie niet beledigen, zo simpel is het gewoon. Want dan gaat alles inene op zwart..."

"Jaja," zei ik, met mijn biologische bolletjes op zoek naar een geschikte afsluiter. "Nou," zei ik uiteindelijk, "goedemiddag samen!" en ik sloot de voordeur behoedzaam achter me.

Aflevering 6: Zat dat randje bruin er al?

Het begon met een kleine, bruine kring in een hoek van mijn verder witte plafonnetje. Een randje bruin rond een buis waarvan ik dacht: zat dat daar al? Ik had alles gelatext toen ik hier kwam wonen en kon me deze bruine kring niet herinneren.

En op een dag begon de kring ook nog druppels te vertonen - dikke sijpelende druppels langs de muur in mijn halletje. Ik vertelde het tegen mijn bovenbuurvrouw Sila, die net de hond wilde uitlaten.

"Ja, dat komt van het dak!" zei ze meteen.

"Kom anders even kijken," zei ik, want ze had de bewuste plek nog helemaal niet gezien.

"Nee, dat hoef ik niet te zien!" beet ze fel als altijd. "Want ik weet het nu al, het komt van het dak! Dat is een lekkage van het dak! Dat komt door ons huis heen en dan komt het bij jou!"

"Maar heb jij een lekkage boven dan?"

"Nee, maar dat kruipt door de muren! Dat kruipt door mijn muren achter de tegeltjes langs en dan komt het bij jou eruit! Het komt van het dak, zeg ik je."

"Weet je dat zeker?" vroeg ik, want het leek mij helemaal niet zeker. Het leek me eerder vergezocht: "Het heeft al weken niet geregend..."

"Wat bedoel je daarmee? Beweer je dat ik sta te liegen?"

"Nee, nee, nee," zei ik snel. "Maar kom anders even kijken..."

En voor ik het wist stond ze met haar bulterriër in mijn woning. Dat was ook weer niet helemaal de bedoeling.

"Kijk, jullie badkamer zit daar toch?" vroeg ik, wijzend op de plek.

"Nee, daar zit helemaal geen badkamer!"

"Maar als jullie douchen, loopt er water door deze buis..."

"Nee, dat is het dak! Dat is de afvoer van het dak!" Ze begon een hetzelfde verhaal over druppels die achter de tegels langs door muren kruipen.

"Nou goed," zei ik uiteindelijk inschikkelijk, "ik zal het aan de woningbouwvereniging vragen..."

"Nee, niet de woningbouw bellen!" Haar bulterriër begon nu ook te grommen. "Laat die nazi's erbuiten! Ik zeg je toch, het komt niet van mij af!"

"Oké, oké," zei ik. "Prima, prima..." Mijn enige hoop was nu nog om haar en de hond uit mijn huisje te krijgen. Toen me dat uiteindelijk lukte, slaakte ik een diepe zucht. Ik wist even niet hoe het allemaal verder moest en begon voorlopig maar mijn gangkast weg van de druppels te schuiven.

Een paar minuten later ging de bel. Evert, de vriend van Sila, stond briesend voor mijn deur: "Jij moet haar niet beschuldigen van lekkages, ja!"

"Ik beschuldig haar helemaal nergens van..."

"Jawel, jij zegt dat ze expres die lekkage veroorzaakt!"

"Nee, helemaal niet..."

"Jij moet heel erg op gaan passen, nu..." zei hij en stapte naar voren. Ik keek naar zijn hand die nog altijd omzwachteld was sinds zijn vechtpartij met de postbode. Hij beefde flink.

Aflevering 7: Hopen dat het gedrup stopt

"Ik weet niet hoe uw relatie is met uw bovenbuurvrouw," zei de man van de woningbouwvereniging voorzichtig door de telefoon.

"Want wij kunnen heel moeilijk contact met haar krijgen..." Ondanks de situatie moest ik gniffelen om dit eufemisme. Met 'moeilijk contact' bedoelde hij waarschijnlijk dat ze hysterisch was gaan gillen en ze voor nazi's had uitgescholden.

Ik keek naar de inmiddels bruine muur in mijn woonkamer waarover dikke druppels glinsterend naar beneden rolden. Mijn buurvrouw had in eerste instantie elke medewerking tot het verhelpen van de lekkage geweigerd, maar was uiteindelijk toch overstag gegaan toen de woningbouw haar een nieuwe badkamer had beloofd.

Hierop opende ze haar voordeur en konden de werklui eindelijk hun gang gaan. Een paar dagen hoorde ik geklop en geboor boven mijn hoofd en ik hoopte dat de lekkage snel zou ophouden.

Maar dit was buiten de gekte van mijn buurvrouw gerekend. Hoe langer ze in haar bad­kamertje bezig waren, hoe meer ze de werklui dwars ging zitten. Ze begon ze te treiteren en uit te schelden, jatte hun gereedschap en loog daarover, en als de mannen even gingen eten in de bus, weigerde ze daarna de deur weer open te doen. De laatste ochtend had ze de fonkelnieuwe tegelmuur bestift met duistere, onnavolgbare teksten.

"Onze mannen hebben ook een grens, meneer," zei de man van de woningbouwvereniging nu. "Het zijn ook ménsen!" Hierna vroeg hij of ik niet een keer met mijn buurvrouw kon praten.

En zo toog ik naar boven, met lood in de schoenen.

Mijn buurvrouw stond in haar prachtig nieuwe badkamer, woedend. "Kijk dan! Schots en scheef! Alle tegeltjes zitten scheef!" Ze had iets manisch in haar ogen, nog wantrouwender dan anders. "En wat moet ik dan als ik tandenpoets? Als ik in de spiegel kijk, word ik helemaal misselijk."

"Misselijk?" vroeg ik.

"Van al die scheve tegels!"

Ik keek naar de kaarsrechte tegelmuur. Niks mis mee. Het enige wat viel aan te merken, was dat er inderdaad rode stift in de voegen zat van toen zij er zelf op tekeer was gegaan. "Ik moest toch iets met mijn woede," verklaarde ze. Ze had de ­teksten later beschaamd weggeveegd.

Ze zag er moe uit. Het zweet stond op haar bovenlip en ze ademde zwaar. Maar ik was ook moe. De lekkage duurde nu al zeker een maand. De ­hele dag door druppelde het door mijn plafond naar beneden.

Ik pakte een latje en hield het tegen de muur. "Kijk," zei ik "Dit is toch recht?!" Het latje paste perfect tegen de tegeltjes en kierde nergens.
"Nee, maar het zit achter de tegels." zei ze. ­"Achter de tegels zit het scheef."

Scheef achter de tegeltjes. Een onzichtbare scheefheid.

"Nee," zei ik even later tegen de man van de ­woningbouwvereniging, "Ik kan ook geen contact meer met haar krijgen..."

Aflevering 8: Mevrouw Herder is lunchen

Inmiddels belde ik elke dag met de woningbouwvereniging en hoorde ik elke dag hetzelfde treurig stemmende bandje: "Welkom bij woonstichting de Key. Vermoedt u een gaslek of gaat uw koolmonoxidemeter af? Toets dan een 1. Heeft u een huurachterstand, of dreigt u uit uw huis te worden gezet? Toets dan een 2. Heeft u een níeuw reparatieverzoek, toets dan een 3. Heeft u vragen over een al heel lang lopend reparatieverzoek? toets dan een 4..."

Drie maanden lang toetste ik elke dag een vier.

"Al onze medewerkers zijn momenteel in gesprek. U wordt zo spoedig mogelijk geholpen!"

Hierna kwam de muziek. Ik heb tijdens mijn lekkage de hele Top 2000 wel drie keer aangehoord. Ondertussen liep ik met de telefoon aan mijn oor door mijn huis, het komende gesprek te oefenen. Zinnetjes mompelend in mezelf ter voorbereiding:

"Dit is toch niet meer te doen, mevrouw?!" zei ik tegen de kat.

"Het régent hierbinnen!" tegen de verwarming.

"Elke dag vijf emmers, mevrouw, vijf!!"

Op deze manier probeerde ik mezelf op te werken tot een staat van zijn waarin er niet met mij kon worden gesold. Als ik eindelijk een telefoniste aan de lijn kreeg, sprak ik met een duidelijk hoorbaar verwijt waar ik stiekem best trots op was: "Mag ik mevrouw Herder even spreken?"

Mevrouw Herder was het districtshoofd en ik mocht altijd naar haar vragen, waarna ik steevast een van de volgende antwoorden kreeg:

"Mevrouw Herder heeft een bespreking."

"Mevrouw Herder is lunchen."

"Het spijt me, mevrouw Herder is net de stad in..."

Hierna zonk de moed me volledig in de schoenen.

Als het avond was, belde ik het spoednummer, waar ze vaak begripvoller reageerden. Eén bepaalde vrouwenstem heb ik sindsdien in mijn hart gesloten, toen ze na mijn uitleg hoorbaar aangedaan uitriep: "Wat vreselijk voor u, meneer! Daar moet acuut iets aan gebeuren!" Hierop sprongen de tranen in mijn ogen. "Ik zal meteen een werkman sturen, die is er binnen een uur. Wat is uw adres?"

Met een brok in mijn keel noemde ik mijn straat en huisnummer. Hierna hoorde ik een aarzeling: "Meneer, heeft u een momentje?"

"Ja..." zei ik moe, want ik wist wat er ging komen. Na het zoveelste liedje hoorde ik:

"Meneer Goossens?"

"Ja..."

"Er staat een notitie bij uw adres. Er hangt een dossier aan. Het is nogal een dik dossier, maar het komt erop neer dat het nu bij de rechter ligt.."

"Dat weet ik," zei ik, "maar dat duurt nog zeker zes weken en het regent hier mevrouw! Er komen vijf emmers water per dag naar beneden! Dit is toch niet meer te doen?!"

"Meneer, helaas, we kunnen niets voor u doen. Ik begrijp dat u de onderbuurman bent van mevrouw X?"

"Ja.."

"Nou ja, het punt is ook een beetje dat hier niemand is die nog met haar wil bellen. Wij hebben ook onze grenzen, meneer. Dat doet alleen de advocaat, begrijpt u dat? U moet echt even wachten op de rechtszaak. Had u verder nog vragen, meneer Goossens?"

"..."

Aflevering 9: Niet de ambulance bellen

Wachtend op een datum voor de rechtszaak tegen mijn buurvrouw liep ik op een avond door mijn buurt en zag haar op een bankje zitten. Het was koud, het was november en ze had haar ogen dicht, haar armen slap langs haar lijf.

Ik vond het vreemd. Ik had wel gehoord van een andere buurvrouw dat ze de laatste tijd uitvalsverschijnselen had, absences, en ik kon haar hier moeilijk laten zitten in de kou - rechtszaak of niet.

Toen ik dichterbij kwam, zag ik haar lippen bewegen. "Evert," mompelde ze. "Evert..."

"Moet ik Evert bellen?" vroeg ik met tegenzin. Ze knikte heel lichtjes. Ik pakte mijn telefoon: "Ik heb zijn nummer niet, Sila. Zal ik de ambulance bellen?"

Nu begon ze heftig te schudden. "Broekzak," prevelde ze. En zo kwam ik ook nog naast haar te zitten en haalde uit haar broekzak haar mobiel. Het was raar om dichtbij iemand te zijn met wie je al weken ruzie hebt. Maar ik hield de mobiel voor haar neus terwijl ze haar code intoetste. Na een aantal keer lukte het.

Ik zocht haar vriend op in de lijst en belde hem. "Evert, met Johan, de buurman..."

Ik voelde de stille woede aan de andere kant van de lijn. Ik was de buurman van de lekkage. De buurman die hen had verlinkt bij de woningbouw.

"Ja, moet je luisteren, Sila zit hier op een bankje en ze kan amper nog praten. Zal ik de ambulance bellen?"

"Nee, nee! Ik kom eraan!"

Een paar seconden later kwam hij er al aangelopen vanuit de parallelweg. Evert was momenteel uit Sila's huis gezet. Hij woonde nu bij de dikke man met het hondje en de scootmobiel samen met Sliver, de hond van Sila, want die wilde ze ook niet meer in huis hebben.

"Kijk eens, Sila, ik heb Sliver meegenomen," zei hij blij.

"Moeten we niet een ambulance bellen?" vroeg ik.

"Nee, zeker niet! De vorige keer hebben ze haar allemaal tests laten doen!" Hij sprak het uit alsof dat het ergste is wat je kan doen met iemand met uitvalsverschijnselen - tests laten ondergaan.

"Ze hebben haar toen de hele nacht gehouden! Mochten we de volgende dag pas gaan!" zei hij verontwaardigd. "Konden we de tram terugnemen. Nou, mij niet gezien!" Ook dat sprak hij uit als een dieptepunt in zijn leven: de tram nemen, veel erger werd het niet.

Hij aaide de hond en kwam op het bankje zitten: "We moesten ook nog een keer terug voor een scan, maar die klootzakken wilden dat we allemaal formulieren invulden! Nou, dat hebben we geweigerd natuurlijk. We hebben gezegd dat ze op konden tiefen!"

Dan, poeslief tegen de hond: "Wie is daar? Wie is daar? Dat is het bazinnetje! Ja, dat is het bazinnetje!" Sila reageerde niet en haar hoofd zakte steeds verder weg. Als een schuin lijk zat ze nu op het bankje.

"Nou, jullie redden het verder wel, hè?" vroeg ik. En toen ik geen antwoord kreeg, liep ik terug naar huis, naar mijn lekkage.

Aflevering 10: Even het gas uitzetten

'Hier kon je op wachten," zei de buurman van 16-boven. "Ja, dit zat eraan te komen," zei de buurvrouw van 14-huis.

We stonden op de stoep en keken hoe de politiebussen een voor een afdropen. Bij het bankje tegenover mijn huis was zand gestrooid om het bloed op te nemen. Op de hoek van de straat stonden nog wat mannetjes te roken - het vaste groepje rollators en scootmobielen dat steevast aan kwam sjokken als er een sirene door de Jeruzalemwijk klonk.

"Het was vooral die grote, die begon ook altijd tegen mijn te grommen," zei de buurman van 16-boven.

"Ja, die had ook van die enge, zwarte ogen, brrrr..." zei de buurvrouw van 14-huis. Hierna zei ze: "Even wachten, ik heb soep opstaan," en liep weg.

Ik dacht aan de ijselijke gil die ik had gehoord, en de rillingen liepen weer over mijn rug. Het was in de ochtend en ik stond nog in boxershort mijn krantje van de mat te rapen toen ik het hoorde: "Aaaaaaaah!!"

Als pijn een geluid had, was dit het. Ik keek door het geribbelde glas van de voordeur. Op het bankje aan de overkant zag ik de roze vlek van de jas van mijn buurvrouw en twee grote zwarte vlekken bij haar voeten. Een gegrom zwol aan waarvan ik niet wist dat dat zo hard kon klinken.

"AaaaaaaaahAAAAAAAAAAHHHH!!"

Mijn eerste reflex was toch: helpen! Ik schoot een broek aan knoopte mijn gulp dicht, pakte de stofzuigerstang, wilde de deur open doen en twijfelde. Ik dacht aan de twee grote zwarte, dobermannachtige honden die mijn buurvrouw er onlangs bij had genomen.

Telkens als ze me zagen, begonnen ze te grommen en zo hard aan de riem te trekken dat buurman Evert ze nauwelijks in bedwang kon houden. "Dat komt door je pet," zei hij dan. Of: "Dat komt door je jas." Maar hij zei het op een toon alsof hij wilde zeggen: "Dat komt door je gezicht."

"Heeeellluuuuuuup!!! Aaaaaaaaah!!"

De roze vlek lag nu languit op de grond met twee grote dobermanns eroverheen. De grijze vlek van de bullterriër stond er inmiddels ook bovenop. Wat ging ik eigenlijk doen? Tussen drie vechtende honden springen? Gelukkig zag ik de vlek van de bruinleren jas van Evert ertussen springen: "Au, GODVERDOMME!!!"

Met trillende benen en de stofzuigerstang in mijn hand bleef ik staan in mijn halletje tot de politie kwam. En de ambulance. En nog één. Hierna ging ik naar buiten en keek samen met de rest van de straat hoe mijn buren door de ziekenbroeders werden meegenomen en de honden door de
politie.

Nu keerde de rust langzaam weer terug in de wijk. "Ik heb het gas even uitgezet," zei de buurvrouw van 14-huis. Ondanks haar zestig lentes, lachte ze haar meisjesachtige gniffeltje.

"Ik durfde niet in te grijpen," biechtte ik op.

"Nee, ben jij gek!" zei de buurman van 16-boven. "Je zou daar gek zijn! Het is niet jouw pakkie-an! Als zij zo nodig drie honden wil op 35 vierkante meter..."

"En twee katten..." zei ik.

"En een vriend..." zei de buurvrouw van twaalf-huis. Ondanks alles barstten we alle drie in lachen uit.

Aflevering 11: Dan bel ik mijn advocaat

Mijn vrienden vonden dat ik beter voor mezelf op moest komen. De lekkage duurde nu al meer dan drie ­maanden en omgerekend in emmers had ik er nu al zo'n vijfhonderd geleegd.

Inmiddels was ook mijn plafond vol water gezogen en naar beneden gestort en in kalkbrokken in mijn wc beland. Ik ging dan ook regelmatig buiten de deur schijten als het even kon.

Mijn vrienden zagen het met lede ogen aan, ­zeker als ik in het café weer eens als eerste moest vertrekken. Op mijn horloge kijkend zei ik dan: "Sorry, jongens, de emmer zit vol, ik moet nu echt naar huis ..."
Zij vonden dat ik me veel te veel vereenzelvigde met de lekkage.
"Het is hún probleem!" zeiden ze.

"Je moet het juist laten escaleren!" riep een vriend, die ooit nog een jaartje rechten had gestudeerd. "Gewoon niet meer legen, die emmers! Dan creëer je een situatie waar de woningbouw iets mee moet!"

Ik dacht hierover na, maar zag mezelf nog niet mijn eigen huisje moedwillig laten overstromen. Mijn boeken, mijn schrijfsels - en mijn kat, waar moest die dan heen?

Maar aangemoedigd door hun woorden belde ik de volgende dag nog maar eens mevrouw Herder van de woningbouwvereniging en eiste op ferme toon een gesprek. Tot mijn verrassing zei ze meteen: "Dat is goed." Ik mocht de volgende dag komen en ze hing op.

Ik besefte dat ik dit al veel eerder had kunnen doen. Ik vervloekte mezelf en mijn kruiperige natuur. Mijn weekmakende respect voor instanties dat me nog in de houding doet springen voor een filiaalmanager van de Kruidvat.

Ik zag ook enorm op tegen het gesprek met mevrouw Herder. Ook omdat mijn track record in dit soort situaties behoorlijk beroerd is. Ik weet dat ik gewoon op normale toon 'mijn eigen behoeftes aan moet geven', zoals mijn haptonoom dat zegt, maar ondertussen begin ik altijd óf heel overdreven een boze man te acteren, zoals ik die ooit zag in een film van Louis de Funès, óf ik ga huilen. Hier zit heel weinig tussen. Meestal begin ik met de boze man, en ga dan na een minuut of twee alsnog huilen.

Dit deed ik dan ook allemaal, in dat kantoortje van mevrouw Herder bij woonstichting De Key. Maar ze herhaalde dat ze niets voor me kon doen en dat het kort geding over zes weken was gepland en echt niet vervroegd kon worden.

Ik dacht aan mijn buurvrouw en aan hoe zij de dingen oploste in het leven en kreeg ineens een ingeving: "Dan bel ik mijn advocaat!" hoorde ik mezelf zeggen "Ik ga in een hotel zitten en ik stel Woonstichting De Key aansprakelijk voor elke dag dat ik niet in mijn eigen huis kan wonen!"
Hierna liep ik weg. Met opgeheven hoofd, al voelde ik van binnen alweer het schuldgevoel opkomen dat ik altijd heb als ik voor mezelf kies. 'Die arme mevrouw Herder doet ook maar haar best ...' etc.

Maar goed dat ik dat gevoel toen heb onderdrukt, want amper tien minuten later op de fiets ging mijn telefoon. "Goed nieuws!" zei mevrouw Herder, "De rechtszaak is vervroegd naar aanstaande dinsdag! Ja, toevallig hè? Het nieuws kwam net binnen ..."

Aflevering 12: Het zijn toch je kinderen

De eerste nacht in een nieuw huis is altijd spannend. Je ligt in bed en je luistert. Elk tikje van een verwarmingsbuis kan een voorbode zijn van een regen aan tikjes, een orkest aan herrie. Elke flard muziek kan een huisfeest worden tot zeven uur 's ochtends.

Maar mijn eerste nacht in mijn nieuwe huis is heerlijk rustig. Geen schreeuwende buurvrouw boven me, geen omvallen van stapels rotzooi, geen blaffende honden. Zelfs geen buurman die blijft timmeren tot ver na middernacht.

Gelukkig maar, want ik heb nu een koophuis, dus ik zit eraan vast. Ik heb me maar meteen even voorgesteld aan mijn buren. "Oh, hallo," zeiden ze met een nonchalance die me geruststelde. Alsof het een ver-van-hun-bedshow was - buren. Dat was in de Jeruzalemwijk wel anders, daar hoorde je elkaar de godganse dag.

"Ga je vanwege mij verhuizen?" vroeg mijn buurvrouw uiteindelijk. Ik zuchtte. Wat moest ik zeggen? "Nou ja, je was er zelf bij ... Die lekkages ... De scheldpartijen, de honden ..."

"Morgen komen ze terug!" zei ze blij. Ik onderdrukte een innerlijke gniffel om haar vrolijkheid, want ze droeg nog een mitella en ook Evert had een trekkend been sinds de bloederige aanval. Het had iets tragikomisch ze omzwachteld door de wijk te zien zwalken en ze tegen iedereen te horen klagen dat hun honden in beslag waren genomen. "Het zijn toch je kinderen ...," zei Evert, wrijvend over zijn been. De politie was klaar met het observeren van de dobermanns en: "Er blijkt niets mis met ze te zijn!" zei Sila opgelucht.

"Fijn," zei ik.

"Ik ga je wel missen hoor," zei mijn andere buurvrouw. Deze superlieve weduwe zorgde altijd voor poes als ik weg was. Dan nam ze een boekje mee en ging ze uren op mijn bank zitten met Rosa tegen zich aan. Ik vroeg of ze mijn gasfornuis wilde hebben.

"Ja fijn! Want de mijne is al vijftig jaar oud ..."

Een jongen van De Key kwam de eindinspectie doen. Zo'n jongen van 23 die fout zou zijn geweest in de oorlog, zo heerlijk vond hij het om macht uit te oefenen. Hij negeerde alle bruine muren, het kapotte plafond van de lekkage en wees naar het kattenluik: Ik zie dat je een kattenluik hebt aangebracht? Dat zien wij als schade, dat is 122 euro."

Hij vroeg of ik vertrok vanwege de buren. "Dat ook," zei ik. Ik meldde dat het ook niet hielp dat het riool om de paar weken overstroomde en dat de woningbouw daar weigerde iets structureels aan te doen. Dat het moeilijk is om goed te blijven met je buren als haar wc-papier geregeld door je keuken drijft.

Met gemengde gevoelens gaf ik mijn sleutels terug. Ik voelde me ook schuldig, omdat ik niet had willen getuigen tegen mijn buren, zoals velen voor mij. Maar zolang me geen andere woonruimte aangeboden werd, kon ik dat moeilijk als serieuze optie beschouwen. Ik durfde nu al amper mijn huis in en uit. Bovendien, zo'n verwarde vrouw, die moet toch ook ergens wonen?

Het liefst zou ik een pen pakken en heel groot op de muren schrijven: 'Neem dit huis niet!' Maar over een paar weken staat hij weer op Woningnet. Dan komen er andere mensen.

God bewaar ze.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden