De allermooiste Amsterdamse woorden in boek bij elkaar

Wat is een hangjas, een koefnoentje of een knobbelsmeris? Het gisteren gepresenteerde 'Mokums woordenboek' geeft antwoord.

Nozems op buikschuivers in Amsterdam-West, in de jaren zestig. Beeld Spaarnestad Foto Archief

'Toen hij met ze dronken toges wilde uithalen, vloog z'n oorlogsgebitje meters ver tussen de vol bezette tafeltjes en hij maar roepe: 'Me snajem, waar is godverdomme me baksnajem.''

Kleurrijke taal van - ooit - souteneur en bedreven praatjesmaker op de Wallen, Haring Arie. Toges (achterwerk) kennen de meeste mensen vermoedelijk wel. Maar baksnajem?

Voor taalvorsers Hans Heestermans en Ditte Simons heeft het echter geen geheimen. Met bijna chirurgische precisie ontleden ze in hun 'Mokums woordenboek' de Amsterdamse taal. Bak staat in het jiddisch voor kaak, sjenajem voor tanden. Inderdaad, het hele gebit van de ongelukkige die in de kroeg met Arie aan het doppe (vechten) was maakte een luchtreisje.

Er is iets geks aan de hand met dat Amsterdamse dialect, weten de auteurs. 'In Maastricht spreken zowel de dokter en de notaris als het 'gewone volk' het Maastrichtse dialect, maar in een grote stad als Amsterdam bleef of blijft het beperkt tot een lagere sociale groep.'

Neerbuigende blik
'Een minderwaardig taaltje', meende dialectoloog A.A. Weijnen zelfs in de 'Katholieke Encyclopaedie' van 1949. Paroolcolumnist Evert Werkman gooide er in zijn boek Leer mij ze kennen... de Amsterdammers (1966) nog een schepje bovenop: 'Het is gewoon zo: Amsterdams is lelijk.'

Wat een miesgassers (nare mannetjes), zal de geboren en getogen Mokumer hebben gedacht. De tijd maakte korte metten met die neerbuigende blik. Volkszangers als Tante Leen, Johnny Jordaan en André Hazes maakten het Amsterdams populairder dan ooit. Heestermans en Simons: 'Het Amsterdams werd symbool voor het geluk dat men zelfs in armoede kon vinden.'

Het stond ook voor solidariteit. Actievoerders, vakbondsleiders en buurtwerkers bekwaamden zich na 1970 in het Mokums zodat de achterban hen 'toffe peren' zou vinden. Door de jaren heen hebben knappe koppen al heel wat studies gewijd aan dat met Jiddisch, Bargoens (dieventaal) en Franse woorden - uit de periode van gevluchte hugenoten - doorspekte stadstaaltje. Veel van die woorden behoren inmiddels zelfs tot het Algemeen Beschaafd Nederlands: tof, jofel, smoes, gabber.

De auteurs, jaren werkzaam als redacteuren van het 'Woordenboek der Nederlandsche Taal' - Heestermans was zelfs lange tijd hoofdredacteur van de 'Grote Van Dale' - hebben een persoonlijke greep gedaan uit het brede scala aan woorden.

Het is een fijn naslagwerk voor de liefhebber, vol bijna vergeten woorden als fluitjepoep (dood) tot begrippen uit de rosse buurt als dikvreter (souteneur), hip (prostituee) en piepjanknor (de geslachtsdaad). Niet zelden gebaseerd op het werk van schrijvers als Querido en eerder verschenen werken als het 'Bargoens woordenboek' en 'Koosjer Nederlands'.

Ook modernere begrippen ontbreken niet. Zo is een bakfietstrut iemand 'met van dat háár en zo'n jas en van die laarzen (...) Met een blonde labrador in die bak, die waarschijnlijk Nelson heette. Of Wammes. Of Dexter', aldus columnist Sylvia Witteman.

Ook de verhalen uit de wereld van de penoze bieden voldoende materiaal. Haring Arie: 'Ik zag dat z'n vink (portemonnee) half uit z'n achterzak stak. Heel voorzichtig jatte ik hem eruit.' Attenoje, dat zal je maar gebeuren.

Hans Heestermans en Ditte Simons: 'Mokums Woordenboek'. Prometheus, €15.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden