PlusAchtergrond

De 1,5 meterstad: hoe leuk is Amsterdam nog?

Hoe aantrekkelijk is Amsterdam nog als we afstand moeten houden, het ‘nieuwe normaal’ van Mark Rutte? Blijven we binnen in onze kleine appartementen, uitkijkend op lege terrassen, of gaan we massaal op zoek naar een ruim huis met tuin buiten de stad?

Een kalme Ferdinand Bolstraat. Veel Amsterdammers vinden het fijn dat het rustiger is op straat.Beeld Jakob Van Vliet

Het lijkt een eeuwigheid geleden: bruisende pleinen, volle cafés, restaurants, theaters en bioscopen. De voetbalcompetitie op zijn hoogtepunt, het festivalseizoen voor de deur en het prettige vooruitzicht van een zomer vol leven op straat, aan de stadsstranden en in de parken. 

In werkelijkheid is het nog geen zes weken geleden dat premier Mark Rutte voor het eerst de natie opriep geen handen meer te schudden – om er vervolgens lachend een te geven aan RIVM-baas Jaap van Dissel.

En nu? Veel meer dan een eenzaam ommetje in de buurt zit er dezer dagen niet in. Hoe aantrekkelijk is de stad nog na het uitbreken van de coronacrisis? “In een wereld waarin het contact vooral instrumenteel is, staat het buiten kijf dat de stedelijke ervaring minder betekenisvol wordt,” zegt Justus Uitermark, hoogleraar stadsgeografie aan de Universiteit van Amsterdam, met een goed gevoel voor understatement. “Het stedelijk leven verliest dan zijn ongedwongenheid.”

“Alles wat een stad ís, wordt hier geweld aangedaan,” zegt ook Zef Hemel, hoogleraar grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam, strategisch adviseur bij de gemeente Amsterdam en sinds jaar en dag pleit­bezorger van bevolkingsgroei in een dichtbebouwde stad. Hoe verhoudt zich die compacte stad tot de 1,5 metersamenleving? Tot het nieuwe normaal van Rutte?

Uit cijfers van het gemeentelijk bureau Onderzoek, Informatie en Statistiek blijkt dat de dichtheid van de bevolking in Amsterdam nog jaarlijks stijgt. Vorig jaar deelden we met 5239 inwoners een oppervlakte van één vierkante kilometer, meer dan tien keer zoveel als het aantal mensen dat gemiddeld in Nederland op een vierkante kilometer woont en anderhalf keer zoveel als in een stad als Rotterdam.

Hoe gaan we dat doen als we in steeds grotere kringen om elkaar heen moeten draaien? En misschien nog wel belangrijker: wat hebben we nog te zoeken in de stad als we toch alleen maar binnen mogen blijven?

Naar Purmerend en Almere

Het zal niet de eerste keer zijn dat de bevolking massaal de stad verlaat, op zoek naar een tuintje voor en een tuintje achter. Tussen 1960 en 1990 daalde het aantal inwoners van Amsterdam van bijna 870.000 tot minder dan 700.000. Suburbanisatie in de richting van plaatsen als Purmerend, Haarlemmermeer en Almere, mogelijk dankzij het bezit van een eigen autootje om mee te forensen.

Inmiddels wonen er weer meer mensen in de stad dan in 1960. De aantrekkingskracht van Amsterdam lijkt groter dan ooit. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek zal de bevolking in de komende twintig jaar doorgroeien tot ruim boven het miljoen. Maar ja, dat is wel een prognose uit een tijd dat nog niemand had gehoord van corona.

Verdichting was in Amsterdam de afgelopen jaren het toverwoord: met meer mensen op minder meters wonen. Een grootstedelijke omgeving met navenante levensstijl: bruisend en vol ontmoetingen in de openbare ruimte. “Steden gedijen bij persoonlijk contact,” zegt Uitermark. Is dat vol te houden? Of staan we aan de vooravond van een nieuwe suburbanisatie, deze keer begeleid door de ontdekking dat de digitale techniek ongekende mogelijkheden biedt tot het werken op afstand?

Uitermark: “Veel Amsterdammers vinden het heel prettig dat het minder druk op straat is. Een stad die minder gericht is op toeristen en festivalgangers en meer op zijn bewoners wordt misschien nog aantrekkelijker om in te verblijven. In die zin is deze tijd juist wel betekenisvol: het dwingt ons tot zelfreflectie.” Misschien, hij hoopt het vurig, wordt de stad wel weer bereikbaarder voor grotere groepen mensen als investeerders hun kapitaal uit de huizenmarkt halen.

Sociaal contact

Op de KNSM-laan zit architect Peter Defesche in zijn vrijwel lege bureau. “Ik vergader tegenwoordig op afstand met een collega die lekker in zijn tweede huisje in Frankrijk zit. Het gaat best. Voor even. Ik ben opgegroeid op het platteland en wist niet hoe snel ik er weg moest komen. Er was gewoon niemand.”

Defesche was onder meer verantwoordelijk voor het stedenbouwkundig ontwerp van het Westerdokseiland, destijds het dichtstbebouwde stukje grond van Nederland. Hij is ook de uitvinder van het ‘Plan Pannenkoek’. Tenminste: van het woord, want een groter gruwel is er in zijn ogen nauwelijks mogelijk: urban sprawl naar Amerikaans voorbeeld, stedelijke wildgroei over enorme oppervlaktes met eenvormige rijen huizen, ontdaan van elke vorm van stede­lijke atmosfeer.

Hij lacht. “Mensen willen liever een huis met een tuin ín de stad.” We hebben elkaar nodig, wil hij maar zeggen. “Sociaal contact is een basis­behoefte die uiteindelijk sterker zal zijn dan de angst voor de ander.”

Het nieuwe normaal? “Dat moet Rutte natuurlijk wel zeggen om ons nog een tijdje bij de les te houden,” zegt Defesche, “maar over een jaar is er toch een vaccin? Dat iedereen van deze crisis een flinke tik krijgt is duidelijk, maar daarna herstellen we ons. Angst slijt. De aantrekkelijkheid van de stad als sociaal-economische en culturele magneet krijg je met een virus niet weg.”

Geen gamechanger

Wat heeft de wereld buiten de stad ook helemaal te bieden? “Een paar vierkante meters extra en een beetje groen,” zegt Zef Hemel, “maar veiliger ben je er niet.” In de stad heb je, aldus Hemel, tenminste nog banen als straks de economische crisis zich in volle omvang zal aftekenen – of in elk geval een grotere kans om weer aan de slag te komen, ­virus of niet. Een kwestie van uitzitten dus? Defesche haalt zijn schouders eens op. “Een gamechanger zal het coronavirus voor de stad niet zijn.”

“Weinig mensen zullen de stad verlaten,” zegt ook Uitermark. “Dat wil niet zeggen dat er geen effecten op de lange termijn zijn. Smetvrees zal zich een niet weg te denken plek veroveren. Waar het spannend was om met veel mensen bij elkaar te zijn, roept dat straks nare associaties op. We gaan vragen stellen die we liever niet willen stellen: wie ben jij en wat doe je hier? Typisch stedelijke verschijnselen als flaneren langs terrasjes en hangen op pleintjes verdwijnen. De mensen worden achterdochtiger. Dat maakt het leven in de stad er niet leuker op, maar erbuiten zal het niet beter zijn.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden