Plus

David de Levita overleefde razzia: 'Ik besta uit verdringing'

Precies 75 jaar geleden ontkwam kinderpsychiater David de Levita (91) bij toeval aan de Duitse razzia die zijn hele familie het leven kostte. Hij was voor het geluk geboren, dacht hij. Later kwam het schuldgevoel.

David de Levita ging ook zelf in psychoanalyse maar zijn pijn kwam niet aan de oppervlakteBeeld Tammy van Nerum

Als je oud wordt, nemen de krachten af. Ook de kracht om te vergeten. Hoe langer de oorlog geleden is, hoe dichterbij die komt voor de 91-jarige David de Levita.

26 mei 1943 voelt voor de Levita niet als 75 jaar geleden. Kraakheldere herinneringen aan zijn moeder en twee broertjes dringen zich op. Daarna zet het geheugen een vastlopend mechanisme van verdriet en schuld in werking. Waarom stierven zij en leef ik?

De Levita gelooft niet in God die het lot bepaalt. Zelf kan hij het lot niet verklaren. Kennelijk heeft hij geluk gehad. Maar waarom?

Een betere remedie dan vergeten en doorgaan is er niet, weet de kinderpsychiater. Hapert dat lapmiddel, dan staart hij langdurig naar één punt en worden de ogen vochtig, blijkt tijdens vijf lange gesprekken bij hem thuis in de Ruysdaelstraat. Dan zwijgt De Levita een minuut en gaat hij over op een luchtiger onderwerp. Het weer, een grap, een nieuwe kop koffie. Iets anders zit er niet op, telkens weer. Het is verdringing, weet hij. Hij is een meesterverdringer geworden, erkent hij.

David de Levita was 15 jaar toen hij alleen verder moest. Dat is hem redelijk tot goed afgegaan. Zelf schrijft hij dat toe aan een goede opvoeding, waarin hij een elementair vertrouwen opdeed in zichzelf en anderen. Hij was welkom bij geboorte. Hij kon zijn ouders gelukkig maken; de eerste belangrijke prestatie van een kind.

Dat zijn ouders zo gelukkig met hem waren, had een reden. Een broertje was met een ernstige verstandelijke beperking ter wereld gekomen en overleed al jong. Vader en moeder waren verrukt dat het nieuwe kind gezond en getalenteerd was. Als jongetje liet De Levita zich die bewondering en waardering welgevallen.

De razzia voedde bij De Levita de gedachte dat hij voor het geluk was geboren. Op die woensdagnacht ontsprong hij de dans. Hij nam afscheid van een vriendje dat met z'n familie ging onderduiken. Het bezoek was uitgelopen. Vanwege de avondklok bleef hij bij z'n vriendje op de Weesperzijde logeren.

De Levita woonde zelf met moeder en twee broertjes in de Sarphatistraat, enkele honderden meters verderop. De razzia had een grens tussen leven en dood getrokken. De Levita logeerde aan de kant van de levenden. Eén broer was ook aan de razzia ontkomen, maar hij werd later alsnog gepakt.

Verdriet wegduwen
De Levita ontvluchtte Amsterdam per zeilboot. Via de Kostverlorenvaart en het IJsselmeer ging hij naar Friesland. Het is een wonder dat hij niet is gepakt, want zeilen kon hij niet. Schippers namen hem op sleeptouw. Hij dook onder bij een boerenfamilie in het Gelderse Hattem. Het dorp was klein en geborgen. Hij kon er gewoon over straat.

De vlucht en het nieuwe leven doorstond hij goed. De Levita voelde zich welkom bij zijn pleegouders. Hij had een leuke pleegzus. Hattem kende geen Hongerwinter. Veel hoop dat hij zijn moeder en broertjes zou terugzien heeft hij nooit gehad. Het verdriet duwde hij weg.

Na de oorlog keerde De Levita terug naar Amsterdam. Niet als geslagene, maar als een getalenteerde Joodse jongen die er het beste van ging maken. Hij werd aan alle kanten geholpen.

Hij studeerde geneeskunde met een beurs voor Joodse studenten. Hij vond nieuwe vrienden bij het Amsterdams Studentencorps. Hij trouwde een Joodse vrouw, Jet, wier familie hem als verloren zoon omarmde. Jet werd net als hij kinderpsychiater. De Levita schopte het tot professor en zette samen met Jet een praktijk op. Het stel kreeg drie dochters.

Kunstenaars
Liefst 55 jaar is De Levita psychiater geweest. Hij behandelde kinderen, maar ook volwassenen. Tot z'n 88ste heeft hij praktijk gehouden. Hij zag veel kinderen van Joden die de oorlog en de kampen hadden overleefd.

Portret uit 1926 van De Levita als baby met zijn moeder CatoBeeld Tammy van Nerum

De Levita en zijn vrouw hebben veel voor hen kunnen betekenen, denkt hij. Kinderpsychiatrie was een dankbaar vak, want veel bleek onontgonnen terrein. Bijna niemand had de moeite genomen om het probleem van het kind überhaupt te bespreken. Deed je dat wel, en vroeg je het kind naar de eigen mening, dan leidde dat vaak al tot verbetering.

De psychiatrie schonk De Levita ook zijn tweede vrouw. In 2013 werd hij weduwnaar. Hij leerde ook Maartje Pinkus kennen. Ooit was hij haar behandelaar, daarna raakten ze bevriend en nu vormt hij een stel met de jonge zestiger.

Pinkus en De Levita zijn kunstenaars. Zij schildert, hij maakt al 50 jaar beelden van afval. Dan gaat hij naar de schroothoop en maakt met een lasapparaat van overbodige elementen één geheel. Door zijn broze gestel last hij de laatste tijd minder dan hij wenst. De krachten nemen af. Het lichaam laat na. Door suikerziekte mist hij een teen.

Terwijl hij spreekt over de beelden die hij uit afval heeft gemaakt, schiet hem een Bijbelcitaat binnen: 'De steen die de bouwlieden hadden verworpen, is tot een hoofd des hoeks geworden.' Het is een overblijfsel van zijn onderduikperiode. Het gezin dat hem onderdak bood, deed dat vanuit een christelijke overtuiging.

Verdedigingslinie
De Levita heeft niets met God. Hij verklaart zichzelf zoals hij ook zijn patiënten verklaarde: met de psychoanalyse. Als universitair docent legde hij die theorie uit aan studenten, en hij sprak er veel over met Joodse vak- en tijdgenoten als Louis Tas en Hans Keilson, die vrienden werden. Vanwege de lange en dure behandelingen is de psychoanalyse inmiddels uit de gratie.

De kern van de psychoanalytische behandeling draait om het bewust maken van het onbewuste, doceert De Levita. Dat betekent: goed luisteren naar wat iemand zegt, en proberen te ontdekken wat onbenoemd blijft. Waar loopt iemand omheen? Wat wil iemand verdringen? Dat moet je vervolgens bespreken en bewustmaken. Zo blijft het onbewuste niet voortdurend zorgen voor psychische noden.

Als onderdeel van zijn opleiding is De Levita zelf in psychoanalyse geweest. Zijn eigen pijn is nooit aan de oppervlakte gekomen. Die wilde hij niet delen met zijn niet-Joodse behandelaar. Zo'n man zou hem toch nooit begrijpen.

Als De Levita de pijn toen had benoemd en doorleefd, had hij er nu minder last van gehad, denkt hij. Hij heeft het zeer verdrongen, maar de tijd prikt gaten in zijn verdedigingslinie.

Moeder
De pijn zit bij zijn moeder, die op jonge leeftijd weduwe werd. Ze stond er alleen voor, met drie kinderen. Toen De Levita zelf kinderen kreeg, besefte hij dat hij veel aan haar heeft te danken.

Zijn moeder Cato, of To, maakte als diamantslijpster lange dagen om hem te voeden. Ze vertroetelde hem. Ze zorgde ervoor dat hij een elementair vertrouwen kreeg in zichzelf en ande- ren. Ze zorgde ervoor dat hij goed kon aarden bij zijn pleegouders. Zij legde de basis voor zijn latere relaties.

Zijn moeder maakte van hem een mazzelaar. Zonder haar was hij nergens gekomen, realiseerde hij zich toen To al lang het leven had gelaten in Sobibor. Die dankbaarheid heeft hij nooit kunnen uitspreken. Nooit kon hij iets terugdoen. Dat steekt dagelijks.

Over zijn eigen verdiensten doet De Levita wat geringschattend. Veel is hem komen aanwaaien, zegt hij. Soms heeft hij hard moeten werken, vaak lukte het toch wel. Denken dat je ermee wegkomt, hopen dat je de dans ontspringt, is een deel van zijn identiteit geworden.

Van de dood trekt hij zich dan ook niet zoveel aan, al vreest hij een pijnlijk einde. Stikken lijkt hem verschrikkelijk. Uit voorzorg heeft hij een berg slaappillen verzameld. Hij rekent erop dat hij ook bij zijn overlijden wordt gematst. Dat hij op een dag gewoon omvalt.

De razzia van 26 mei 1943

Vandaag 75 jaar geleden werden ongeveer 3000 Amsterdamse Joden opgepakt bij een razzia in Centrum en in Oost. Het was een Duitse vergeldingsactie voor de slechte opkomst bij de oproep voor de Arbeitseinsatz. Op de avond van de 25ste mei 1943 moesten zich 7000 Joden melden, maar slechts 500 van hen gaven gehoor aan de oproep. De meeste mensen die een dag later werden opgepakt, vonden de dood in het vernietigingskamp Sobibor.

De nazi's begonnen in juli 1942 met de deportatie van Nederlandse Joden. Na de razzia van 26 mei 1943 vonden in Amsterdam nog twee grote razzia's plaats. Op 29 september 1943 werd de stad Judenrein genoemd door de Duitse bezetter.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn ongeveer 107.000 Nederlandse Joden afgevoerd. Slechts enkele duizenden keerden terug.

Bron: Het Joods Monument, de Anne Frank Stichting

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden