PlusInterview

Collaborateurs in de Tweede Wereldoorlog: ogenschijnlijk normale mensen

Paul van de Water moet zijn proefschrift over Nederlandse collaborateurs in de Tweede Wereldoorlog nog afronden, maar over elf van hen maakte hij vast het boek In dienst van de nazi’s. ‘Dit was te interessant om te laten liggen.’

Amsterdam, 8 mei 1945: een met pek ingesmeerde ‘moffenmeid’ wordt uitgejouwd door een groep omstanders. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Na zijn pensionering als docent aan de Hogeschool van Amsterdam besloot Paul van de Water te promoveren op ‘gewone’ Nederlanders, die zich tijdens de bezetting ontwikkelden tot extremistische daders in dienst van de Duitsers. Een thema waar tot op heden vrij weinig onderzoek naar is gedaan. In hoog tempo en met nauwgezette kennis vertelt hij over ogenschijnlijk normale mensen, die zich schuldig maakten aan verraad en terreur.

Hij onderzocht de daden van zo’n vijftig gewelddadige collaborateurs. Mensen die voor de oorlog geen crimineel verleden hadden en tijdens de oorlog geen toonaangevende posities bij nationaalsocialistische organisaties hadden. De kastelein die zijn klanten bij de Duitsers aangaf. Of die Amsterdamse politieagent die in Groningen werd gedetacheerd en daar zonder problemen meer dan tien mensen fusilleerde. Of een Amsterdamse Joodse vrouw die in ruil voor geld Joodse vrienden en bekenden aangaf, die vervolgens vermoord werden in Auschwitz of Sobibor.

U promoveert op dit onderwerp, maar nog voor uw proefschrift klaar is, ligt er al een populairwetenschappelijk boek.

“De mensen die in dit boek voorkomen, hebben mijn proefschrift ‘niet gered’ maar waren te interessant om te negeren. Ik vond dat hun verhaal moest worden verteld, want hoe kan het zijn dat mensen zonder een verleden van geweld opeens radicaliseerden en tot de vreselijkste dingen in staat bleken te zijn?”

Zoals?

“Verraad, roof, intimidatie, mishandeling, foltering, doodslag en moord. Het waren mensen die niet bekend stonden als gewelddadig of crimineel en toch werden zij in de context van de bezetting crimineel. Het ging niet alleen om laagopgeleide, kansarme figuren, maar ook om een notaris, een arts, een manager van Unilever, een student of een burgemeester.”

“Ik wil weten hoe en waarom zij zich hebben ‘ontwikkeld’ tot gewelddadige criminelen. Waren het sadisten die dankzij de bezetting hun neigingen konden botvieren? Of opportunisten die zich lieten leiden door eigen gewin? Was er ook sprake van ideologische bevlogenheid, van mensen die geweld zagen als een noodzakelijk instrument om de nationaalsocialistische samenleving tot stand te brengen? Over die vragen gaat mijn boek.”

In Nederland zijn we trots op onze verzetshelden, maar over deze mensen wordt amper gesproken.

“Je kunt de bezetting niet goed begrijpen als je het verhaal van de daders buiten beschouwing laat. Zowel daders als slachtoffers praten niet graag over hun ervaringen, puur uit zelfbescherming. De conspiracy of silence wordt dat wel genoemd. In mijn boek lees je het verhaal over een kampbewaakster uit Auschwitz die er nooit met haar kinderen en haar omgeving over heeft gesproken. Wellicht is het zo dat juist de mensen die geen dader of slachtoffer waren – de zogenoemde omstanders – wel volop over de oorlog spraken.”

Het verhaal dat op mij het meest indruk maakte, was dat van de Joodse Branca Simons.

“Een vrouw met een deplorabel leven. Ze groeide op in armoe, kon niet leren en verdiende de kost met het plakken van regenjassen. Ze trouwde met inbreker Willem Houthuis, die geen Jood was en daardoor werd ze (voorlopig) niet gedeporteerd. Houthuis roofde Joodse huizen leeg en stal daarmee indirect van de Duitsers. Hij werd opgepakt en afgevoerd naar Kamp Vught, waardoor Simons haar bescherming kwijtraakte. Ze verfde haar haar rood en dook onder met behulp van Salomon Vos, een bevriende pooier.”

Uiteindelijk werd ze gepakt door de zeer gewelddadige politieman Pieter Schaap.

“En die stelde haar voor de keuze: of je gaat naar Polen of je gaat voor mij werken. Ze koos voor het laatste en heeft met groot enthousiasme heel veel Joden verraden. De eerste die ze aangaf was Salomon Vos, de man die haar had geholpen onder te duiken.”

Schaap was nog slechter dan Simons.

“Die man heeft meegeholpen aan de arrestatie van duizenden Joden en net voor de bevrijding heeft hij eigenhandig nog tien verzetsstrijders doodgeschoten. In tegenstelling tot bij Simons werd bij hem de doodstraf voltrokken.”

Hoe liep het met Simons af?

“In eerste instantie kreeg ze de doodstraf. In de gevangenis bekeerde ze zich tot het katholieke geloof wat werd gezien als een kentering. De doodstraf werd omgezet in levenslang en dat werd vervolgens verlaagd naar 21 jaar. Nadat ze twee derde van haar straf had uitgezeten, kwam ze in 1959 vrij. Ze vestigde zich in Slotermeer, waar ze is gaan werken in een stomerij.”

U heeft zich twee jaar beziggehouden met de verschrikkelijkste personen. Wat voor gevoel heeft u zelf bij hen?

“Een mengeling van afschuw, weerzin, verwondering, medelijden en zeer zeker geen sympathie. Heel soms wel respect. Dat geldt bijvoorbeeld voor Ria Jorink. Zij heeft totaal foute keuzes gemaakt en liet zich leiden door een verkeerd afgesteld moreel kompas. Tegelijkertijd dwingt zij ontzag af door haar doorzettingsvermogen en haar wil tot overleven. Overigens houd ik dit soort gevoelens bij mijn onderzoek en bij het schrijven buiten de deur.”

Paul van de Water: In dienst van de nazi’s. Omniboek, € 25.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden