Bruce Lee bracht Kung Fu naar het westen

Vijfendertig jaar geleden overleed Bruce Lee, de acteur die de oosterse vechtsporten in de schijnwerpers wist te krijgen. Zijn familie wil in zijn woonplaats Seattle een museum bouwen om zijn nagedachtenis levend te houden, in Hong Kong wordt een Bruce Lee-expositie gehouden en er zijn plannen om zijn geboortehuis in San Francisco open te stellen voor het publiek. Bruce Lee is een legende geworden; hij was, vrijwel in zijn eentje, verantwoordelijk voor een wereldwijde vechtsportrage en een interesse voor Aziatische
cinema die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Niemand in het Westen, en zeker niemand in Nederland, was begin jaren zeventig klaar voor Bruce Lee. Geluiden dat er iets bijzonders stond aan te komen uit de studio's van de Shaw Brothers in Hong Kong waren misschien doorgedrongen tot de Chinese gemeenschap in Nederland. Die huurde immers regelmatig bioscopen af om er nachtelijke voorstellingen te houden van extreem gewelddadige knok- en zwaardvechterfilms uit Hong Kong. Het westerse bioscooppubliek kende geen Aziatische helden, met uitzondering wellicht van een cinefiele minderheid die bekend was met de samoeraifilms van de Japanse regisseur Kurosawa.
Chinezen en Japanners speelden, als ze al een rol kregen in Hollywoodfilms, mensen met grote voortanden en brillen met jampotglazen. Aziaten werkten in wasserettes. Of ze dienden als kok (Hop Sing in Bonanza) hun blanke meesters. En als er al eens Aziaten boven het rijstveld uitpiepten, zoals personages als geheim agent Mr. Moto of detective Charlie Chan, dan werden ze vaak gespeeld door blanke acteurs met geschminkte 'spleetogen' en accenten waarin elke 'R' als een 'L' werd uitgesproken.

En toen kwam 1972. In nauwelijks een jaar tijd verschenen er, kort achter elkaar, drie Hong Kong-films in de westerse theaters: The Big Boss, Fist of Fury en Way of the Dragon. Geen van deze films was gemaakt voor westerse ogen, maar ze werden toch uitgebracht omdat ze Azië hadden veroverd en ook in de Verenigde Staten aansloegen. Een lijstje met alle dingen die niet deugden in deze films, zou op zijn minst de volgende punten bevatten: idiote nasynchronisatie, bordkartonnen karakters, schmierende acteurs en knullige decors.

Dit werd echter allemaal gecompenseerd door hoofdrolspeler Bruce Lee. Een knappe Chinees met een afgetraind lijf en een formidabele Kung Fu-techniek die zich, schreeuwend en miauwend als een krolse kat, door een wereld vol corruptie en verraad sloeg. Uniek was de wijze waarop het geweld werd uitgeserveerd. Geen schietpartijen zoals in westerns, en geen onbehouwen zwaardgevechten zoals in ridderfilms. Bruce Lee-gevechten waren gracieuze balletten. Dodelijke balletten weliswaar, maar adembenemend door hun sierlijkheid en imponerend door hun meedogenloosheid. Voor westerse ogen was dit een nieuwe delicatesse.

Jonge generaties die de films nu zien, vragen zich misschien af waar de drukte en opwinding van toen om draaiden. Zij kennen de epische Chinese martial arts-films als Fearless en Crouching Tiger, Hidden Dragon, de Kill Bill-films van Tarantino en het 'heroic bloodshed-genre' uit de school van cineast John Woo. Maar het was Bruce Lee die de weg baande. Hij was zeker niet de eerste Chinese vechtsportacteur, maar hij werd wel de bekendste door zijn techniek, zijn snelheid en zijn uitstraling. Er ontstond, ook in Nederland, iets wat alleen maar kon worden omschreven als Kung Fu-gekte. Ik zag de Lee-films destijds als knaap van zeventien en nooit meer heb ik in mijn leven zulke enerverende bioscoopvoorstellingen meegemaakt. Al voor aanvang was de zaal onrustig.

Tijdens de voorstelling werd geschreeuwd, gejoeld en geapplaudisseerd alsof het om een live-gebeuren ging. De grenzen tussen werkelijkheid en fictie vervaagden (mensen in de zaal riepen dingen als: ''Kijk uit, achter je!" naar het scherm). Er hing elektriciteit in de lucht, alsof de energie van Bruce Lee van het doek oversloeg naar het publiek.

Op een ander niveau gebeurde iets wonderlijks. Voor het eerst in de filmgeschiedenis omarmde een westers publiek, zonder enige reserve, een Chinees als held. Het was surrealistisch dat Lee's vierde film Enter the Dragon (zijn eerste Hollywoodfilm) in 1973 uitkwam, kort na zijn dood.. Lee was overleden aan een merkwaardige reactie op hoofdpijntabletten. De zalen zaten avond na avond afgeladen vol; het leek een soort eredienst. Niemand kon geloven dat de katachtige man, die op het scherm als een pluisje door de lucht zweefde, dood was. Maar hij was dood. En eigenlijk ook weer niet. In de jaren zeventig stroomden de vechtsportscholen vol. Iedereen wilde Bruce zijn en iedereen zwaaide, met gevaar voor eigen leven, met nunchaku's (wurgstokjes). Carl Douglas scoorde een wereldhit met (Everybody was) Kung Fu-fighting (Those cats were fast as lightning) en langzaam maar zeker werd Bruce Lees Kung Fu de wegbereider voor een bredere interesse in

Aziatische zeden en gebruiken. Of zoals Lee ooit zelf schreef: ''Weet je hoe ik over mezelf denk? Als een mens. Ik wil niet worden gezien als een 'Confucius zegt'-Chinees. Want onder de lucht en de hemelen bestaat maar één familie." (GPD/ JOHAN VAN DE BEEK)

Foto GPD
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden