Plus

Bouwsupervisor Oostenburg: ‘Het moet ogen alsof de wijk zo is gegroeid’

De Belgische stadsbouwmeester Kristiaan Borret werkt sinds een jaar als supervisor op Oostenburg, het bedrijventerrein waar een stoer stuk stad verrijst. Hij pleit voor gezamenlijke ruimtes, tegenover de krappe bebouwing.

Terrein Oostenburg moet uitgroeien tot nieuwe culturele woonwijk.Beeld Artist’s impression Vorm

Een stadsbouwmeester moet een externe blik koesteren, vindt Kristiaan Borret, stadsbouwmeester in Brussel. Het aanstellen van een Belg als supervisor voor Oostenburg werkt volgens hem alleen daarom al goed. Hij steunt het Amsterdamse besluit om na vijftig jaar weer een stadsbouwmeester aan te stellen.

Wat moet een stadsbouwmeester doen?
“Die geeft een extra push. Amsterdam heeft een uitstekend ambtenarenapparaat en een goed kwaliteitsbeleid. Daar is niemand voor nodig. Een bouwmeester is onafhankelijk, hij maakt geen deel uit van de gemeentelijke diensten, maar werkt verbindend. Zo kan hij politici, ­bewoners en ontwerpers bij elkaar brengen.”

Hoe krijgt u dat voor elkaar?
“Toen ik rond 2005 in Antwerpen begon, ­bestond nostalgie naar de oude bouwmeester die als God wist wat goede architectuur was en die ook zelf tot stand bracht. Die tijd is voorbij. De stad is complexer geworden.

Wat vandaag goed werkt, is dat een persoon van buiten de lat hoog legt en vragen stelt, zodat ­belangrijke kwesties niet in de plooien van het dagelijks werk verdwijnt.

Wij organiseren in België, ­anders dan in Nederland, architectuurwedstrijden, waarbij de architect zijn kosten vergoed krijgt. Door die wedstrijd laat je toe dat buitenstaanders alles ter discussie te stellen, waardoor mensen gedwongen worden opnieuw na te denken. Zo ontstaat kwaliteitsverbetering.”

Wat valt u op als u Belgische en Nederlandse steden vergelijkt?
“Belgische steden veranderen traag. Het grondeigendom is zeer versnipperd. In België bezitten overheden nog geen 10 procent van de grond. Dat leidt tot ‘slow urbanism’.

Door die geleidelijkheid krijg je meer gelaagdheid, meer kwaliteit en rijkere steden. In Amsterdam is 70 procent van de grond in handen van de stad. Dat heeft geleid tot stadsvernieuwingsprojecten, waarbij hele buurten worden aangepakt.

Beeld Artist’s impression Vorm

De Oostelijke eilanden zijn daar een voorbeeld van. In België zijn op een ander vlak grote vergissingen gemaakt. In de jaren zeventig hebben wij snelwegen door de binnensteden laten ­lopen, waardoor er nu her en der viaducten liggen.”

Welke ervaringen neemt u verder mee?
“Er ligt al een goed stedenbouwkundig plan. Oostenburg wordt een stoere, contrastrijke ­pandenstad. Architecten komen met concrete voorstellen daarvoor. Die zijn goed, maar er moet ook een debat ontstaan om het soms ­anders te interpreteren.

Ik probeer ervoor te zorgen dat het niet lijkt alsof het bouwplan voor Oostenburg in één keer is uitgerold. De buurt moet eruitzien alsof die langzaam zo is ­gegroeid tot een gebied met fricties, met delen die niet helemaal kloppen. Een wijk met een hoek af.”

Wat hebt u kunnen veranderen?
“Ik heb accenten gelegd. Zo zie je dat in ­Nederland de entreehal van appartementencomplexen zo zuinig en klein ­mogelijk wordt gehouden. Woongebouwen worden volgestouwd en er zijn smalle gangetjes naar de lift.

De fietsenberging eindigt in een troosteloos donker hok. Ik heb voorgesteld de twee samen te voegen in een genereuze inkomhal, die meer buitenklimaat is. De fietsen staan in een ontmoetingsruimte met meer daglicht.”

“Verder is bij Oostenburg gekozen voor variëteit, elk pand mag er anders uitzien. Maar als je overal dezelfde afwisseling hebt, eindig je ook in grijsheid. We hebben het bouwplan nu bij­gestuurd naar straten met een eigen karakter.”

“Er komen straten waar meer glazen gevels zijn dan elders, straten waar drie panden samengevoegd worden – de straat van de grote blokken – en in een andere straat komen juist veel terrassen. Zo zorgen we voor verscheidenheid in referentiepunten. Dan kun je zeggen: ik woon in die straat met al die terrasjes.”

Zijn er zaken waarover u zich zorgen maakt?
“In Amsterdam wordt wel erg klein gebouwd. Je ziet kleine flatjes voor singles, die omwille van de prijsdruk nog kleiner worden. Verdichten doen we hier drievoudig, door hoog, dicht op elkaar en klein te bouwen. We zitten op de ­limiet.

Ik verwacht dan wel dat daar ­gemeenschappelijke ruimtes, zoals een ­wasruimte, een kluskelder of een feestzaaltje, tegenover staan. Maar afgezien van het ­gezamenlijk dakterras ­gebeurt dit in ­Amsterdam maar heel spaarzaam.”

Kristiaan Borret is stadsbouwmeester in Brussel, en tijdelijk aan­gesteld als supervisor bij de ontwikkeling van Oostenburg.Beeld -

Bruisende stadswijk

Oostenburg moet een bruisende stadswijk worden, waar je over drie jaar kunt werken, uitgaan en wonen. Het hart van de buurt wordt de VOC-kade, waaraan café Roest en de oude Werkspoorhal liggen, monumenten die herinneren aan het industriële verleden van het eiland. Er komen bijna 1700 woningen te staan, waarin ongeveer drieduizend mensen zullen wonen.

De wijk zal deels rauw en stoer blijven. De betonnen platen van de oude ­fabrieken, zoals Werkspoor, brengen de ­romantische sfeer van weleer terug. Het beton wordt afgewisseld met veel groen.

Bewoners zullen ­elkaar overal kunnen ontmoeten - op straat, tussen terrasjes, in gezamenlijke hallen en in de vele moestuinen op de daken. De gasloze wijk met kleine ­creatieve bedrijven, kantoren, ­restaurants en cafés, telt zes torens, waaronder een van 46 meter hoog.

Lees ook: Oostenburg verandert in een nieuw stuk stoere stad

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden