Plus

Bloeme Evers-Emden (1926-2016) kwam Joodser uit de oorlog

Bloeme Evers-Emden, psycholoog, feminist, was een van de laatste overlevers van Auschwitz en Westerbork, die er uit eigen ervaringen over konden vertellen. Ze zou in oktober als getuige haar verhaal doen in het nieuwe Holocaust Museum.

Evers-Emden in haar woning in Slotervaart (2009) Beeld Marc Driessen
Evers-Emden in haar woning in Slotervaart (2009)Beeld Marc Driessen

Ze was elke dag bezig met herinneringen, maar ook met het verdedigen van de positie van Joden in de samenleving.

Aan het begin van haar leven was ze nooit zo bezig met haar Joodse identiteit. Ze werd geboren in een Amsterdams diamantbewerkersgezin. Haar moeder was naaister. Aan het begin van de crisis werd haar vader werkloos en kreeg ze een zusje dat na tien maanden overleed. In 1932 werd weer een zusje geboren, Fia. Er heerste 'stille armoede' in het gezin. Vader was lid van de communistische partij.

Religie speelde nauwelijks een rol in het gezin, maar de gevaren van de ontwikkelingen in Duitsland werden vroeg gezien. Toen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, riep haar vader: "Wij gaan eraan, maar zij ook." Bloeme Emden zag hoe de Joden in overheidsdiensten werden ontslagen en de Duitsers het net nauwer sloten. Ze schrok van een rede van Hitler die door de luidsprekers in de stad schalde.

Zenstralstelle
In juli 1942 moest Bloeme zich melden voor de Arbeitseinsatz. Haar vader ging uit wanhoop zelf maar naar de 'Zenstralstelle' in de Euterpestraat en kreeg haar vrij. Later werden de familieleden toch een voor een afgevoerd. Bloeme dook onder en verbleef op vijftien adressen. Na een inval bij een onderduikorganisatie werd Bloeme opgepakt en via de gevangenis naar Westerbork gebracht. Ze ontmoette er de familie Frank - Anne en Margot kenden ze nog van school. Op 3 september 1944 werden ze gedeporteerd naar Auschwitz. Bloeme wist overplaatsing naar een werkkamp in Silezië te regelen, waar de omstandigheden minder zwaar waren.

Na de oorlog ging ze bij een 'kampzusje' in Den Haag wonen, waar ze haar latere echtgenoot Hans Evers leerde kennen. Ze werd verpleegkundige en kreeg zes kinderen. De vele kinderen waren volgens haar een vorm van herstel van het Joodse volk. Ze gaf zich op voor de Hachsjara, de voorbereiding op emigratie naar Israel, maar Hans voelde daar niets voor.
Evers zei dat ze 'Joodser uit de oorlog kwam, dan ze erin ging'. De kinderen zijn orthodox, zoon Rafael werd rabbijn. Zij bleef zich ontwikkelen. In 1964 begon ze aan een studie psychologie. Later werd ze wetenschappelijk medewerker aan de UvA en ze schreef boeken, waaronder 'Als een pluisje in de wind' over haar leven.

Tot het laatst toe bleef Evers strijdbaar en werd ze ziedend toen bleek dat Joden zich moesten verbergen omdat ze op weg naar de schuilsynagoge in De Baarsjes werden lastiggevallen. Gisteren overleed ze in Israel, zodat haar 'hachsjara' toch een beetje 'alia' werd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden