Plus

Blind echtpaar in de stad: Stok en been vooruit, op hoop van zegen

Ze raken de weg kwijt door een dreunende drilboor, maar het zal ze niet gebeuren dat ze bruine sokken bij zwarte schoenen dragen. In Slotervaart tast het blinde echtpaar Polderman zich een weg door het leven.

Hoe ontmoeten twee blinden elkaar? Op een busreis naar het geboortehuis van monsieur Braille natuurlijk Beeld Niels Blekemolen

Ronald Polderman (66) telt zijn passen. Bij dertig moet hij het einde van het flatgebouw hebben bereikt, zal hij een kwartslag draaien en twintig passen maken tot aan het grasperkje. Kort ervoor staat die metalen kast.

Voor onregelmatigheden, zoals een kinderfietsje en passanten, heeft hij zijn blindenstok. Hij veegt ermee in halve cirkels over de tegels. Hij houdt een flink tempo aan. Wil niet als een angstige man over straat gaan. Gewoon meedoen.

Die metalen kast en het grasperkje zijn ijkpunten. Zonder die loopt hij al snel verloren rond. Het overkomt hem weleens. Als er een flinke wind staat waar hij tegenin moet duwen, hij van zijn pad afwijkt en zijn stok ineens tegen paal­tjes tikt die niet bij de kaart in zijn hoofd passen. Dan moet hij in gedachten teruglopen en doorgronden waar hij verkeerd ging.

Als hij ver is afgedwaald, slaat zijn hoofd op tilt. Moet hij wachten tot iemand hem komt helpen.

Die vraagt hij dan de weg naar de poort. "De poort?"

Er wonen veel migranten in zijn buurt, Slotervaart, van wie vooral de ouderen slecht de taal beheersen.

Vrienden uit betere wijken vragen hem of hij niet bang is om gerold te worden. "Ieder mens kan gerold worden," zegt hij dan.

Natte voeten
Het grasperkje eindigt bij een grote straat. Een lastige overgang, omdat het geluid van de voetgangerslichten verschilt in volume. Moet hij opletten of het, als het trage getik overgaat in het geratel, wel zíjn licht is.

Dan steekt hij zijn blindenstok vooruit en stapt de straat op. Een beetje op hoop van zegen. Altijd kan er een fietser de hoek om komen zeilen, een taxi met grote haast over de busbaan razen. Zienden vinden zijn overtocht vaak enger dan hijzelf.

Bij de trambaan laat hij zijn stok langs de rand glijden. "Meneer, u stapt zo op de rails," roepen ze. Dicht langs de rails is zijn ideale route. Er staan weinig voetgangers en de stoeprand biedt houvast. Hij houdt in en tikt met zijn stok op de tegels. Als er een echo klinkt, is hij bij het tramhokje. Daar zal de tramdeur opengaan.

Nu het regent en er overal plassen liggen die hij niet kan omzeilen, want zijn stok moet contact houden met de stoep, krijgt hij natte voeten. Hij is eraan gewend. Sommige plassen zijn dieper dan hij had gehoopt.

Ronald stapt in lijn 1, richting het Leidseplein. Daar zal hij de 10 nemen, naar het Azartplein. Daar, bij de Blinden-Penning, zal hij taalles geven aan twee blinde Iraniërs.

Blind zijn, betekent je veel stoten. In volle trams rollen kinderwagens over zijn schoenen, smakken rugzakken in zijn gezicht. Zienden denken dat de ander wel een beetje zal meebewegen, maar dat kan Ronald niet.

Lijn 1 stopt niet op het Leidseplein, maar een halte verder op de Prinsengracht. Waar veel volk is, vooral toeristen, die heel hard praten. Ronald weet niet of ze hem willen waarschuwen.

Trams, fietsers, auto's, bouwvakkers. De geluiden weerkaatsen tegen de gevels, zodat een muur van geluid groeit waar Ronald geen wijs uit wordt.

Vooral het idee dat er aan de straat wordt gewerkt, boezemt angst in. Rijden er graafmachines achteruit? Is er een kraanwagen die balken aan het uitladen is? Balken die geluidloos door de lucht zweven? Drilboren zijn het ergst. Zodra die beginnen, blijft hij roerloos staan.

Meestal is er wel iemand die ziet dat hij hulp nodig heeft.

Zienden denken dat de ander wel een beetje zal meebewegen, maar dat kan Ronald niet Beeld Niels Blekemolen
Marianne raakt mensen graag aan, maar niet iedereen vindt dat fijn Beeld Niels Blekemolen

Toen het een tijdje terug zo had gesneeuwd, was hij nog niet op straat of ze kwamen van alle kanten aanzetten. "Zal ik u een eindje verder helpen?"

Zo was hij van de ene helpende hand in de andere overgegaan. De combinatie van sneeuw en die blinde man maakte het beste in mensen los. Na een paar dagen was het voorbij. De sneeuw lag er nog wel, maar de mensen waren eraan gewend geraakt.

Opgebouwde woede
Op de weg naar huis was Ronald die zuil op de stoep vergeten. Hij voelde het bloed uit zijn voorhoofd stromen. De tweede keer deze week. Eerder was de stofzuigerslang ergens achter blijven haken. Toen hij een flinke ruk gaf, was de deur met een noodvaart tegen zijn hoofd gekomen.

Thuis zal Marianne (69), zijn vrouw, haar vingers over zijn wond laten gaan. Voelen of hij al dichtzit. Zoals ze soms ook haar vingers over zijn gezicht laat gaan, als teken van genegenheid. Ze raakt mensen graag aan, maar niet iedereen vindt dat fijn.

Ronald is erg gevoelig voor de aanraking van anderen. Op zijn werk, als voorlichter bij de blindenbibliotheek, had hij zich geërgerd aan zijn chef, als die iets was vergeten. Zelf werkte Ronald gedreven en ordelijk. Dan groeide zijn boosheid over die chef, die de zaken liet verslonzen.

Maar soms legde die zijn hand op Ronalds schouder. "Hoe gaat het jongen?" Dan voelde Ronald alle opgebouwde woede uit zijn lichaam glijden.

Bruinesokkenlaatje
Buiten heeft Ronald de leiding, binnen Marianne. Ze is sneller, handiger. "Sta je daar nou nog," zegt ze. Tastend met haar handen en voeten zoekt ze haar weg. Even de kast aanraken, de stoelleuning. Nu ze veel samen thuis zijn, houden ze de ander van hun verblijfplaats op de hoogte.

"Ik loop nu naar de keuken."

"Ben je nog in de slaapkamer?"

"Nee, ik zit bij de eettafel."

Zo voorkomen ze onverwachte confrontaties.

In huis is het blind-zijn niet zo moeilijk. Marianne vormt zich een beeld van waar alles ligt. Soms, als de telefoon gaat en ze gehaast de schaar neerlegt, kan ze er een hele middag naar op zoek zijn.

Shampoos en crèmes haalt ze altijd in dezelfde potjes, zodat ze de huidcrème niet met de tandpasta zal verwarren. De vorm vertelt wat de inhoud is.

Ook in de keuken heeft alles een vaste plek. Het gasfornuis heeft een automatische ontsteking. Nu Ronald soms kookt, staan er braille­tekens op de glazen potten. Zelf hoeft ze maar te schudden om te horen of het rijst, linzen of macaroni is.

Ziende kennissen klagen dat ze een mand vol enkele sokken hebben. Zij niet. Als ze hun sokken uittrekken maken ze die met een speldje aan elkaar.

"Jullie doen het goed," zei haar schoonzus, "al er zijn altijd dingen die jullie over het hoofd zien." Een vlek op de vloer. Een spinnenweb aan het plafond. Voor zoiets komt wekelijks een hulp. Die stopt bruine sokken in het bruinesokkenlaatje en zwarte in het zwartesokkenlaatje.

Ze houden ervan zich kleurrijk te kleden. Vooral als ze naar een etentje met ziende kennissen gaan. Marianne draagt een helblauwe coltrui met een bijpassende riem erbij. Een mooi combinatie, volgens haar zusje. Ronald draagt een roze overhemd, met een roze trui erover. De kleuren zijn met een brailleteken aangegeven in de kraag. Een donkere broek erbij, zwarte sokken en zwarte schoenen. Het zal hem niet gebeuren dat hij bruine sokken bij zwarte schoenen draagt.

Hij zou graag eens van de zienden horen dat hij leuk gekleed gaat, maar ze zeggen er nooit iets over. Dergelijke opmerkingen bewaren ze voor vrouwen.

Modder op een tv-scherm
"Het lijkt hier wel een museum," zeggen zienden. Met al dat Afrikaanse houtsnijwerk op de kasten, die tegeltjes aan de muur. Het geeft Marianne een gevoel van warmte, zich omringd te weten met dierbare spullen.

Foto's van haar vader en moeder aan de muur. Van die donkere jongen, hun financieel adoptiekind, die ook alweer veertig is.

Andere blinden hebben niets aan de muur, zo min mogelijk spulletjes in de woonkamer, omdat ze het maar om zullen stoten. Daar in huis voelt het kil, klinkt het blikkerig.

Haar blind zijn, hoeft niet haar hele leven te beheersen. Ze wil meedoen. Zwemmen, naar het theater, anderen helpen. Net als in het grote gezin met negen kinderen, in Woerden.

Vader had een winkel en moeder was ziekelijk. Je moest voor jezelf zorgen. Toen ze door de dokter naar de oogarts werd gestuurd, zei deze tegen haar moeder dat haar dochtertje geen oogproblemen had. Dat ze zich aanstelde. Daarna had Marianne een jaar in een pleeggezin gewoond, omdat het thuis te druk was voor het meisje. Dat had natuurlijk niet geholpen.

Thuis hielp ze in vaders winkel. "Kan ik u helpen?" zei ze tegen klanten, maar die keken vreemd op. Had dat meisje het tegen hen? Waarom keek ze hen dan niet recht aan? Dat was een beetje verwarrend en slecht voor de klandizie. Daarom was ze in de opslag achter de winkel gaan werken.

Later waren ze erachter gekomen dat ze aan een erfelijke oogziekte leed: retinitis pigmentosa. Er groeide pigment op haar netvlies. Je kunt het je voorstellen als modder op een tv-scherm.

Na de mavo was ze bij het GAK gaan werken. Woonde op zichzelf. Ze was niet blind. Er zat modder op haar ogen, maar ze behoorde tot de zienden. Ze ging alleen over straat. Ze kon huppelen als ze er zin in had.
"Kun je niet uitkijken, stomme trut," zeiden ze, als ze iemand over het hoofd zag.

Tegen hoeveel betonnen palen en vloekende mensen moest ze oplopen, voor ze zou erkennen dat ze een stok nodig had? Maar ze kon haar handschrift nog lezen. Tot die dag dat ze aan de telefoon zat en ineens niets meer kon lezen. Ze vertelde de klant dat er een klein probleempje was. Ze zou zo terugbellen.

Toen had ze de braillemachine gepakt en de notities uitgetikt. Daarna had ze teruggebeld en gezegd dat het probleem was opgelost. Vanaf die dag was ze met een blindenstok gaan lopen.

Het is het proces dat bijna elke slechtziende doormaakt, weet Ronald.
Als kind had hij gewoon meegedaan met de jongens in de straat. Hij wist niet wat hij niet zag, en de anderen wel. Dicht bij huis ging het nog. Als hij met vriendjes weg was en die zo hard als ze konden naar huis fietsten, moest hij zijn uiterste best doen ze in het oog te houden. Schoot hij op goed geluk een weg over, vlak voor een schaduw die met grote snelheid naderde.

"Hebben ze je weer in de steek gelaten?" zei zijn moeder als haar zoontje vermoeid en aangedaan thuiskwam.

Als hij met ze naar de bioscoop ging, luisterde hij naar de stemmen op het doek, de slippende banden en het gekattaklop van de paarden. De rest van de film vulde hij aan met zijn fantasie. Tot zijn zestiende had hij zijn vriendjes kunnen bijbenen. Daarna gingen ze er op hun brommers vandoor.

Zijn moeder had hem verteld over de bevalling. Hoe de verpleegster zei: "Dokter, moet u eens naar de ogen van dat baby'tje kijken."

"Dat is niet erg. Doe er maar wat oogdruppeltjes in," had die gezegd. Die wilde zijn moeder, zo kort na de bevalling, niet verontrusten.

Je gaat op je tenen lopen om maar mee te kunnen blijven doen. Want, zoals zijn leraar vroeger zei: "Je bent misschien wel blind, maar niet mesjogge."

Anderen doen een paar tientallen van je IQ af, want die ogen staan zo vreemd. Zijn rechteroog wijst naar zijn neus. Soms schieten zijn pupillen heen en weer, alsof ze koortsachtig zoeken naar een plek waar het licht is.

Op zijn werk bedacht hij foefjes om collega's bij te benen. Als hij iemand met een rode trui zag binnenkomen, hoorde dat rood de rest van de dag bij die persoon. Andere collega's leerde hij herkennen aan hun houding. Zo kon hij onderscheid maken tussen al die bewegende lichamen, waarvan hij de gezichten alleen op neuslengte afstand zou herkennen.

Kleine verrekijker
Een vrouw vroeg of hij wilde helpen een blindeninstituut op te zetten in Chili. Ze kwam als door de engelen gezonden. Altijd had hij zoiets willen doen, maar wie wilde een bijna blinde man hebben om scholen of watervoorzieningen in Afrika te bouwen? Marianne en hij waren naar Chili gegaan. Daar zagen ze hem wel staan, was hij naast bijna blind ook een Europeaan met kennis van zaken, iemand met taalgevoel.

Maar toen ineens was het project voorbij. En eenmaal thuis zag hij bijna niets meer. Als de zon uitbundig scheen, werd de omgeving een groot wazig vlak.

Al die jaren had hij Marianne aan de arm kunnen nemen en langs palen en mensen kunnen loodsen. Had hij met een kleine verrekijker de verkeersborden kunnen ontcijferen. Had hij een klein herkenningsstokje opgestoken als de tram kwam. Tien jaar geleden was ook zijn zicht verdwenen en moest hij aan de blindenstok.

Kruidenpotjes met braille in de keuken Beeld Niels Blekemolen

Dat de lente is begonnen, voelt Marianne aan de kracht van de zon. Het huiskamerraam biedt zicht op een grasveldje, de sloot en de spoordijk. Daarachter worden hoge torens gebouwd. Zienden vertellen het haar. Het is maar een klein beetje van alles wat er is, en waar haar niets over is verteld.

Ze houdt van de eendjes in de sloot. Van hun vrolijke gekwaak en gespetter.

Als ze haar vertellen dat de bomen in bloei staan, denkt Marianne aan de twee kastanje­bomen in de tuin van haar ouderlijk huis. Die kon ze als kind, tussen die pigmentvlekken door, nog zien. Van Amsterdam heeft ze geen beelden. Toen ze hier veertig jaar geleden kwam, zag ze al niets meer.

Als ze met mensen praat probeert ze hen recht aan te kijken. Haar ogen staan behoorlijk recht, zodat anderen de indruk krijgen dat ze hen ziet. Andere blinden buigen soms hun hoofd omlaag. Dat vindt ze onaangenaam. Zo nederig. Ze mompelen tegen de grond. Kom op, denkt ze dan, ga overeind zitten. Praat recht vooruit. Dat is veel fijner voor het gezelschap.

Grote handen
Hoe ontmoeten twee blinden elkaar? Op een busreis naar het geboortehuis van monsieur Braille natuurlijk. Tijdens de tussenstop in Parijs hadden ze samen gewandeld en had Ronald haar hand gepakt. Hij weet nog goed hoe die voelde. Groter en sterker dan de vrouwenhanden die hij tot dan had vastgehouden.

Marianne ging met haar vingers langs zijn gezicht. Voelde zijn diepliggende ogen. De lange neus.

Mensen vertellen haar dat ze een sprekend gezicht heeft. En haar ogen dan? De spiegels van de ziel. Kunnen die nog iets van haar innerlijk uitdrukken? Dat ze levenslustig is en opgewekt. Ze gaat met haar vingers langs haar mond, haar hoge jukbeenderen. Ook die vertellen iets over haar innerlijk. Toch?

Na een paar jaar was Marianne over kinderen begonnen. Ze wilde het graag, maar wat als haar kindje dezelfde oogafwijking zou hebben? Hoe moesten zij, twee blinde mensen, een baby'tje groot brengen? Ze hadden het maar gelaten.

Op woensdag gaan Marianne en Ronald naar de Siermarkt. Een hachelijke onderneming. Buiten houdt Ronald zijn linkerarm iets van zijn lichaam, zodat Marianne haar rechter erin kan haken. Ze klappen hun blindenstok uit en richten ze naar voren. Als een Romeinse aanvals­linie bewegen ze over de brede stoep, die vol gevaren zit.

Scootmobiels, waar hun stokken in vastraken, scooters waarvan het alarm afgaat als ze ertegenaan tikken. Grote groepen tieners voor het Calvijn College, een vmbo-school met opleidingen tot kapper en bakker.

Al veertig jaar wonen ze in Slotervaart. Er is veel veranderd. Mooie winkels gingen weg. Ervoor in de plaats kwamen de Turkse shoarmazaak en de Surinaamse Toko. Het merendeel van de bewoners komt oorspronkelijk uit Marokko, Turkije of Pakistan. Marianne en Ronald kunnen het niet zien. Ze kunnen het meestal wel horen.

Laatst, toen ze op het journaal waarschuwden voor windstoten van boven de 100 kilometer, hadden ze langs de weg gestaan. Voorbij hun flat raasde die wind tussen de hoge gebouwen door. Over de dijk zoefde de TGV voorbij.

Al die auto's en scooters met hun ronkende motoren. Toen had Marianne niet de straat over gedurfd. Stonden ze daar in elkaar gehaakt, en die wind maar blazen. Ineens was er die stem. "Helpen?" Een zachte vrouwenstem. Een hand had die van Marianne gepakt.

Rode Zee
Als Marianne alleen de straat op gaat, loopt ze dicht langs de gevels, maar Ronald wil zijn stok langs de stoeprand laten gaan. De tegemoet­komende fietsers moeten zijn stok die half over het fietspad hangt, ontwijken.

Verderop nemen leerlingen het hele trottoir in beslag. Als je de kranten moet geloven, deugt er weinig van die veelal Marokkaanse jongeren, maar altijd is er wel eentje die zegt: 'Kijk uit jongens, laat die mensen er even langs,' en opent zich de menigte als de Rode Zee.

Vrienden die hen zien lopen, vertellen hun hoe voetgangers inderhaast opzijspringen. Marokkaanse oma's in lange jurken, die maar net hun stokken kunnen ontwijken.

Een enkeling vermoedt dat ie in de maling wordt genomen door die twee.

"Waar is de camera?" Kleine kinderen vragen het gewoon.

"Waarom heb je die stok?"

"Ik ben blind."

"Oh ja? Hoeveel vingers steek ik op dan?"

Als Ronald en Marianne door willen lopen gaan ze een beetje in de weg staan. Kijken of ze echt tegen hen aan zullen lopen.

"Wat zie je dan nog wel?" vragen ze weleens. "Een zwart vlak?"

"Ik zie net zo veel als jij met je nek kunt zien," zegt Ronald dan.

Laatst moest Ronald op ziekenbezoek, werd hij door een man van de bus naar de ingang van het ziekenhuis geholpen. "Met wat voor engerd kwam jij dan aanlopen?" vroeg zijn zus.

Ziende mensen hebben snel hun oordeel klaar. Die kijken iemand van top tot teen aan en denken te weten hoe die persoon is. Marianne en Ronald luisteren naar de stem. Voelen de aanraking als iemand ze een hand geeft.

Een tijdje terug was hij in een bushokje in gesprek geraakt met drie jonge vrouwen. Ze vroegen hem of hij kon horen hoe ze eruitzagen. Hem viel niets op, zei hij. Ze hadden mooie stemmen, wisten zich goed uit te drukken. Ze vertelden dat ze hoofddoeken droegen en dat het zo veel moeite kostte om een stageplek te vinden.

Alleen zij, de blinden, lijken tot oordeelvrij contact in staat met die ander. Kijken niet op hen neer. In ruil ervoor worden ze hartelijk geholpen. Vooral door mannen en jongens. Hun vrouwen zijn gereserveerder.

De geur van de bladenwinkel
Op de markt zijn geen randen of ribbels die ze met hun stokken kunnen volgen. Overal staan en lopen mensen. Marianne drukt haar lichaam tegen Ronalds rug en volgt hem op de voet.

De omringende winkels herkent ze aan de geur. Die van glanzend papier van de bladenwinkel. De combinatie van vers brood en wasmiddel van de supermarkt. Verderop verspreidt de Wibra de zure geur van nieuwe kleding. De drogisterij is makkelijk. Daar moeten ze links, langs de visboer en dan de geur van drop volgen. Bij elke aankoop geeft Ronald zijn pasje aan de markthandelaar. Hij vertrouwt erop dat ze het juiste bedrag intoetsen.

Ronald vindt het moeilijk om de stad waar hij is geboren te verlaten Beeld Niels Blekemolen
Op de markt zijn geen randen of ribbels die ze met hun stokken kunnen volgen Beeld Niels Blekemolen

Een enkele keer gaf iemand hem wisselgeld terug van een tientje, terwijl hij vijftig had gegeven. Daar is hij nooit meer geweest. Voor kwaadwillenden vormen ze een makkelijk slachtoffer. 's Avonds laat in de metro vanuit Amstelveen, had een groepje jongens hem lastiggevallen. Wilden ze weten of hij briefgeld met zijn vingertoppen kon herkennen. Hij had gevoeld hoe zwak hij was en hoe makkelijk het uit de hand kon lopen. Toen hij wilde uitstappen, staken ze een paraplu uit.

Na de bakker willen ze weer richting de gevels, waar een richel loopt die hun houvast zal bieden. Ze dwalen af en raken verstrikt in elektriciteitskabels.

"Ho," zegt een vrouw. "U kunt beter omkeren."

Opeengedrukt en zonder aanknopingspunt vegen hun gezichten langs kledingstukken. Tot ze, omsingeld door een kluwen van jassen en jurken, blijven staan. Een vrouw pakt Ronald bij de hand en loopt met hen de kledingkraam uit.

"Ha Ronald en Marianne," zeggen stemmen.

Een paar lippen kussen Mariannes wangen. Dat vindt ze niet zo aangenaam. Liever heeft ze dat iemand eerst zijn naam zegt, zodat ze weet wie haar zal kussen.

Afsluitend drinken ze wat bij de Pakistaan van lunchroom 't Siertje. De man weet dat ze een tosti en cappuccino willen. Als ze vertrekken loopt hij als altijd mee tot aan het stoplicht.

Visuele herinneringen
Nu ze ouder worden is het moeilijker zich te redden in de stad. Het gehoor gaat achteruit. Het lichaam wordt stroever. De stoepranden hoger. Ze kunnen minder snel aan de kant springen als er een scooter de bocht om komt zetten.

Een tijdje terug waren ze bij station Lelylaan aan het werk. Marianne bracht haar blinde vriendin naar de trein. Hun stokken voelden wat er was. Ribbels, randen, lantaarnpalen. Niet wat er niet was.

Wat ontbrak, was het deksel van een vetput. Daar waren ze ingetuimeld. Had haar hart een paar tellen overgeslagen. De put was maar een meter diep en net leeggepompt, zodat ze niet tot hun knieën in de smurrie stonden. Dit keer had Marianne eruit kunnen klauteren, maar over een paar jaar zal dat moeilijk worden.

Marianne wil naar een plek waar er niet continu scooters, trams en bussen om haar heen denderen. Het trottoir geen grote hindernisbaan is van uitgestalde spullen, terrasjes en gehaaste mensen. Ze wil niet naar een gewoon bejaardentehuis. Oude mensen worden star. Die hebben genoeg aan hun eigen gebreken en geen trek in dat gedoe met een blinde.

Ze wil naar een plek waar de paden duidelijk zijn gemarkeerd met ribbelstenen en klanktegels. Waar de schoonmaakkarretjes zoemen, zodat ze er niet tegenaan zal lopen. Ze wil lange koorden in het omringende park, zodat ze er zonder vrees kan ronddwalen.

Ronald vindt het moeilijk om de stad waar hij is geboren te verlaten. Weg te gaan van Bos en Lommer waar hij opgroeide, de binnenstad waar hij studeerde, weg van al die visuele herinneringen uit de tijd dat hij nog zag.
Er is zo'n plek op de Veluwe, in de bossen, waar alles is ingericht op blinde mensen. Over een jaar of zo gaan ze erheen.

Schrijver Paul Teunissen Beeld Linda Stulic
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden