Plus

Bijna blind, maar toch letterkundedocent: 'Ik sterf in het harnas'

Door een oogziekte ziet Uva-literatuurwetenschapper Philip Westbroek (47) nog zo'n drie procent. Maar stoppen wil hij nooit. 'Ik sterf in het harnas.'

Philip Westbroek. Beeld Tammy van Nerum
Philip Westbroek.Beeld Tammy van Nerum

Philip Westbroek geeft les uit zijn hoofd. Soms leest hij voor vanaf zijn laptop met aangepaste beeldinstellingen, met grote witte letters op een zwarte achtergrond. Meestal gaat hij gewoon zitten en vertelt hij over de grote namen uit de literatuur, waaraan hij zijn leven heeft gewijd.

Hij hoopt maar dat zijn studenten luisteren, want hij kan ze niet zien. "Sinds een jaar of tien is mijn zicht te slecht om hun gezichten te onderscheiden. Heel gek, dat je denkt: verrek, ik ken die student van e-mail en van opdrachten, maar ik weet helemaal niet hoe hij eruitziet."

Westbroek is literatuurwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doceert letterkunde en filosofie bij onder meer de vakgroepen theaterwetenschappen, slavistiek en religie binnen de faculteit der geesteswetenschappen.

Hij is geboren met een genetische oogaandoening, waardoor de cellen van zijn netvlies die licht opvangen, langzaam afsterven. Het kan ertoe leiden dat hij volledig blind wordt. "Ik was altijd heel visueel ingesteld," vertelt Westbroek in de ruime studeerkamer van zijn huis in Haarlem, waar hij woont met zijn vrouw Nienke en hun kinderen Lodewijk (7) en Elisabeth (5).

"In mijn herinneringen van vroeger zie ik scherpe beelden, maar het zijn er steeds minder. Geluiden herinner ik me. Of dingen die ik van heel dichtbij heb gezien. Mijn kinderen, mijn vrouw. Maar dat overzicht, een heel landschap, dat is er niet."

In zijn eigen huis is van Westbroeks aandoening bijna niets te merken. Van bijna alle boeken in de drie wandkasten van zijn studeerkamer weet hij precies waar ze staan. "Daar staan de Grieken," wijst hij desgevraagd. "Hier de Russen, de Italianen." Als hij niet zeker weet welk boek hij in handen heeft, legt hij het onder de grote beeldschermloep midden in de kamer.

Daar doet hij al zijn leeswerk. Zijn studenten laat hij sinds een jaar of tien digitale ­tentamens maken, zodat hij die hier, thuis, kan nakijken. Handschriften kan hij zelfs onder de loep niet meer ­onderscheiden.

Aftikkend klokje
"Op het scherm wordt de achtergrond zwart en de letters wit. Zo heb ik een minimum aan lichtverblinding." Hij legt een pagina van zijn proefschrift onder de loep. De letters worden ongeveer even groot als een vingertopje. "Godzijdank kan ik nog altijd een hele leesregel halen. Als het slechter wordt, moet ik het boek onder de loep heen en weer schuiven, dan wordt het lezen nog vermoeiender."

De boeken in de kast zijn vrijwel zonder uitzondering klassiekers of wetenschappelijk werk. "Ik hoor weleens van mensen dat ze lezen als een vorm van tijdverdrijf." Westbroek lacht. "Ik lees geen boeken van de AKO top-10, dat vind ik zonde van mijn energie. Het klinkt misschien een beetje arrogant, maar ik kan het me ook echt niet permitteren. Ik moet de tijd voor zijn."

Pas op de middelbare school ontdekte Westbroek de literatuur. "Ik ben als een malloot gaan lezen, maar van meet af aan was ik heel selectief. Ik had voor mezelf het idee dat ik de grote klassiekers wilde kennen. Goethe en Schiller en Homerus en Sophocles. En Shakespeare, heel veel Shakespeare. De fundamenten, de boeken waarvan je weet: die gaan over zoveel eeuwen nog mee. Die wil ik lezen. En de rest, dat is vulsel."

Westbroek had toen hij klein was zo'n zestig procent zicht. In zijn studietijd was dat nog ongeveer dertig procent. "Die tijd heb ik gebruikt om te reizen en dingen te ­ondernemen. Ik heb twaalf talen ­geleerd, anderhalf jaar in Sint-Petersburg gewoond. Ik wist natuurlijk wat eraan zat te komen.

We hebben allemaal een denkbeeldig aftikkend klokje naast ons, we zijn niet onsterfelijk, maar bij mij is dat misschien op twee ­niveaus. Nu zit ik qua zicht op ongeveer drie procent. De simpelste dingen als even een brood halen bij de bakker zijn al moeilijk voor me."

Loopbaan

Philip Westbroek (Texel, 1971) studeerde theologie, klassieke talen en slavistiek in Amsterdam. In 2001 schreef hij zijn proefschrift over de ­Russische symbolist Ivanov. Sinds 2001 is hij werkzaam als docent en onderzoeker aan de UvA.

Het probleem met zo'n oogziekte is dat het heel geleidelijk gaat, zegt Westbroek. "Je hebt momenten dat je merkt dat je trucje niet meer werkt. Tien jaar geleden heb ik de stap naar beeldschermapparatuur gemaakt. Dat vond ik aanvankelijk heel erg, ik dacht: shit, dan moet ik opgeven wat ik had. Maar ik had het op dat moment natuurlijk allang niet meer."

Westbroek is niet van plan te stoppen met werken. "De afgelopen jaren heb ik heel veel collegeseries geschreven. Op de faculteit der geesteswetenschappen wordt steeds meer bezuinigd, dus de vakken moeten steeds anders worden ingericht. Daar wordt niemand blij van, maar voor mij is het herschrijven extra zwaar, omdat ik zelf steeds ­minder flexibel word."

Alleen gevoeld
"Toen ik de faculteit probeerde ervan te doordringen dat ik zo niet kon werken, was hun eerste reactie dat ik me dan maar moest laten afkeuren. Iemand met mijn ervaring en achtergrond... Dat vond ik moeilijk om te horen, en ik heb protest aangetekend. Ik kon het aan niemand uitleggen, heb me heel erg alleen gevoeld. Natuurlijk ben ik allang blij dat ik een vaste aanstelling heb. Veel van mijn generatiegenoten, briljante promovendi, hebben tijdelijke dienstverbanden. Omdat ik een progressieve ziekte heb, is dat mijn angstbeeld. Bij een los-vastconstructie zou ik veel te veel energie in de randvoorwaarden van het werk moeten steken. Het is voor mij van levensbelang dat ik al mijn tijd in de inhoud kan steken."

Philip Westbroek Beeld Tammy van Nerum
Philip WestbroekBeeld Tammy van Nerum

Westbroek aarzelt, verschuift wat papieren op zijn ­bureau. "Vooralsnog doet mijn geheugen het goed. Lesgeven kan ik ook nog doen als ik geen steek meer zie. Ik weet niet hoe het gaat worden als het zover is. Het zal heel geleidelijk gaan, met veel tussentijdse aanpassingen. Op een gegeven moment zal iets weer helemaal anders moeten. Het zal wel gebeuren, binnen een paar jaar."

En dan? "Toen ik nog op de middelbare school zat en ik me oriënteerde op studies, kwam ik op de Vrije Universiteit bij de afdeling wijsbegeerte. Daar zat een professor ­filosofie die helemaal blind was. En ik dacht: wauw, als ­deze man dat kan, dan kan ik dat later ook. Weet je, ik ben er heel simpel in: zolang je je verstand nog hebt, kun je academisch werk doen."

Hij richt zich op. "Informatie verzamelen, daar heb ik mijn ogen niet bij nodig. Ik zal het met kunst- en vliegwerk doen, met spraaksoftware en luisterboeken. Als Beethoven een dove componist kan zijn, kan ik stekeblind een literatuurwetenschapper zijn. Zo is het. Bij hem zat alle kennis in zijn hoofd, bij mij ook. Ik sterf in het harnas. Als ik moet stoppen, dan zakt de hele bestaansgrond onder mijn voeten weg. Wat moet ik dan?"

1 op de 3500

Retinis Pigmentosa is een verzameling genetische aandoening-en, waarbij de cellen in het retina, het netvlies achter het oog dat lichtsignalen omzet in beelden, geleidelijk afsterven. Hoe snel dat gaat, is bij iedereen anders. De ongeneeslijke ziekte komt voor bij ongeveer 1 op de 3500 mensen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden