Plus

Betty Oudkerk smokkelde kinderen uit Hollandsche Schouwburg: 'Angst kende ik niet'

Betty Oudkerk redde als achttienjarige honderden Joodse kinderen van deportatie. Ze vertelt haar verhaal voor het eerst in het boek Betty. Een joodse kinderverzorgster in verzet.

Betty Goudsmit-Oudkerk Beeld Marc Driessen

Met haar knappe verschijning, haar acteerkunsten en met pure mazzel. Zo wist Betty Goudsmit-Oudkerk de oorlog te overleven én honderden Joodse kinderen te redden. Samen met haar collega's smokkelde ze kinderen uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg, die samen met hun ouders op transport naar de kampen zouden gaan.

Over de oorlog sprak ze later nooit meer, hoe vaak haar vijf kinderen er ook naar vroegen. Vier jaar geleden besloot ze alsnog haar verhaal te vertellen. "Omdat mijn kinderen het zo graag wilden weten," zegt Goudsmit-Oudkerk, inmiddels 92.

Betty werd op 2 april 1924 in Amsterdam geboren. Haar ouders hadden een textielzaak in de Van Woustraat. In het gezin werd niet gesproken over nazi-Duitsland, Hitler en de anti-Joodse maatregelen. Toen haar vader eind 1940 overleed, zette haar moeder, weduwe met vijf kinderen, de zaak voort totdat deze in 1942 een Verwalter (zaakwaarnemer) kreeg toegewezen: de weduwe van de vermoorde WA-man Hendrik Koot.

"Mijn moeder had een slecht gevoel over wat er allemaal stond te gebeuren. Ze wilde zichzelf vergassen met de oven, maar mijn grootmoeder, die heel orthodox was, hield haar tegen. 'Wat God wil, geschiede,' zei ze."

Doodstil
Betty Goudsmit-Oudkerk moest in de oorlog van de Amsterdamse Huishoudschool af en ging samen met klasgenoot Sieny Kattenburg als kinderverzorgster aan de slag bij de crèche aan de Plantage Middenlaan tegenover de Hollandsche Schouwburg die vanaf 20 juli 1942 als verzamelplaats diende voor Joden die gedeporteerd werden naar de kampen.

"De Duitsers hielden niet van het gekrijs van kinderen en besloten dat de Joodse kinderen in de crèche moesten worden opgevangen."

Ze hield de kinderen bezig met zingen, pianospelen, fröbelen en dansen. "Hoofdzaak was ze af te leiden, ik probeerde de boel maar zo veel mogelijk op te vrolijken. Ik ben eigenlijk een geboren actrice," zegt Goudsmit in haar biografie.

Haar collega Sieny vertelt in het boek dat ze de kinderen 's avonds laat wakker moesten maken en aankleden als ze met hun ouders mee op transport gingen. Ze gaven hun nog snel de fles of een bord pap. "Dan gingen we met die kindertjes de trap af, dat was iets heel aangrijpends.
(...) Die kinderen waren doodstil, doodstil. Alsof ze het voelden..."

Afscheidsbriefje
Bij Goudsmit thuis staat een foto van haarzelf, gemaakt in januari 1943: in uniform en met vastberaden blik. De foto is gemaakt in de maand waarin een overvalwagen voor de deur van het ouderlijk huis verscheen om haar moeder en grootmoeder op te halen.

Ze gingen vanaf het Amstelstation naar Westerbork en Auschwitz, waar ze direct na aankomst werden vermoord. Op een afscheidsbriefje schreef haar moeder: 'Lieve kinderen, jullie zullen mij nooit meer terugzien. Want wij zijn afgevoerd.'

Crèche in de Hollandsche Schouwburg Beeld Collectie Joods Historisch Museum

De achttienjarige Betty, die vanaf dat moment intern ging, werd door Walter Süskind, directeur van de Schouwburg, gevraagd of ze mee wilde helpen om de kinderen uit de crèche te smokkelen en aan het verzet te geven. "Hij nam me apart en toen heb ik met hem gesproken. Hij legde nog niets uit, het was nog niet bekend hoe het allemaal in z'n werk zou gaan."

Op een dag werd ze bij haar directrice Henriëtte Pimentel geroepen. "Ze had een tas met een rits bij zich en in de tas lag een baby," vertelt
Goudsmit, die wist dat ze de kinderen van de dood moest redden. "Ik weet niet waarom ze mij vroegen. Waarschijnlijk omdat ik er niet Joods uitzag en iets heldhaftigs had. Angst kende ik niet. Ik was voor Jan Rap en zijn maat niet bang."

Op transport
Ze heeft uiteindelijk met haar collega's en medewerkers van de ernaast gelegen Hervormde Kweekschool zeshonderd kinderen gered. Toen de Schouwburg in november werd gesloten, wist ze de rest van de oorlog op verschillende adressen onder te duiken. Directrice Pimentel, de meeste personeelsleden en de laatste groep kinderen, waren al op transport gegaan.

Pimentel kwam niet meer terug uit het kamp. Hoeveel kinderen er in de crèche hebben gezeten, is niet bekend. Namen wil ze zich niet kunnen herinneren. Toen een jongetje niet lang na de oorlog haar herkende en zei: "U bent tante Betty," schudde ze haar hoofd. "Nee hoor, je vergist je."

Ze heeft altijd gevonden dat ze veel meer kinderen had moeten redden, en vindt dat ze nog meer risico's had moeten nemen. "Het is moeilijk om het allemaal te vertellen omdat je weer die pijn krijgt," zegt ze. "Het is ook net alsof het niet gebeurd is. Alsof het een verhaaltje is. Eigenlijk is het niet te geloven."

Esther Göbel en Henk Meulenbeld: Betty. Een Joodse kinderverzorgster in verzet. Gibbon Uitgeefagentschap, €19,90.

Betty Goudsmit-Oudkerk in uniform in 1943 Beeld Privéarchief
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden