Plus PS

Bert Keizer: 'De dood is, geloof ik, iets waar je nooit aan went'

'Het is goed dat we erover praten of we mensen die ernstig ­dement zijn moeten ombrengen.' Filosoof en oud-verpleeghuisarts Bert Keizer (69), nu verbonden aan de Levenseindekliniek, over zijn katholieke jeugd en de waarde van een wilsverklaring - 'een bananenschil in de wet'.

Bert Keizer Beeld Cindy Baar

Hij is net terug van een vakantie op Tenerife die geen onverdeeld genoegen was. Bert Keizer grimlacht. Geweldig landschap daar, prachtig om te wandelen. Maar het weer zat tegen. En dan beland je op zo'n regendag al snel in een shoppingmall à la Hoog Catharijne.

"Met al die mensen in van die plastic vellen. Het is niet de crème de la crème van Europa die daar rondloopt. Niet dat wij zo bijzonder zijn. Maar veel mensen die veel te dik zijn en daar lopen te proppen. Ik was al ontmoedigd over het leven toen ik ging. Maar ik ben er niet van opgeknapt."

Waarom ontmoedigd?
"Ik was in de Westergasfabriek naar de voorstelling Nachlass geweest van Rimini Protokoll. Drama zonder acteurs. Een concept van acht kamers waarin iets is opgetast van het leven van acht verschillende mensen, die inmiddels zijn overleden. Je hoort de stemmen van dode mensen die jou vertellen wat ze deden in hun leven."

"Ik zit de hele dag in de dood, met mijn werk voor de Levenseindekliniek, ik ben de hele dag aan het praten met mensen die dood willen gaan. En daar heb ik zogenaamd geen last van. Maar daar in die kamers willen mensen een monumentje nalaten. En het is zo nietig. Een mevrouw heeft de foto's uit haar album uitgestrooid, je hoort haar stem. En je denkt: o god, er blijft niets over van een mensenleven. Een overbelichte foto op het terras, 'Henk en Hermien waren langs'. Zoiets."

"Maar zeg eens De Cocq, waarom zitten we hier?"

Nou 'Keizer', u heeft onlangs een manifest ondertekend van 220 artsen tegen euthanasie bij dementerenden met een wilsbeschikking. En u heeft een boek ­geschreven waarin u teruggaat naar uw katholieke jeugd. Om te beginnen met dat laatste: gezin met zeven kinderen in Amersfoort, u de jongste. Een 'vlekkeloze' jeugd, schrijft u.
"Ik ben van '47, de laatste Canadees was net de straat uit, dus ik weet zeker dat ik van mijn vader ben. Kleine katholieke middenstand waren we. Maar zoals dat gaat bij een gezin, krijg je van ieder kind een ander verhaal te horen. Mijn verhaal is positief, maar mijn broers en zussen zullen kanttekeningen plaatsen."

Kanttekeningen als?
"Financieel, dat er zorg was. Zouden we wel genoeg te eten hebben? Konden we wel met dichte schoenen naar school en kerk? Terwijl ik heel goedmoedige herinneringen heb. Mijn moeder stierf jong, ik was elf. Mijn psychiatervrienden zeggen: je moet in therapie."

"Omdat ik de dood van mijn moeder niet heb ervaren als een aardbeving. Ze was al een jaar ziek, we draaiden al zonder haar, ze stond al een jaar buiten dat gezin. Mijn broers en zussen waren een gezellige kliek. Dus ik viel niet in een gigantisch gat."

"Toen mijn zus die een jaar ouder is dan ik haar eerste kind kreeg, was ze in tranen. Ze vond het zo erg dat onze moeder dat niet meer kon meemaken. Die gedachte zou nooit in me opkomen: ik wou dat mijn moeder... Maar of dat goed is? Zie je wel, ik moet in therapie. Ik heb ook nooit naar vrouwen gezocht die op mijn moeder leken. Of naar moederlijke types. Ja, ik moet dus echt in therapie."

En uw vader?
"Een heel lieve man, een vakman, hij had een schildersbedrijf. Hij kon allerlei imitatiehout schilderen, eiken, beuken. Marmer ook, bij ons thuis had hij de vloer van de gang gemarmerd. En hij schilderde landschapjes, honderd keer de toren van Amersfoort. Maar erg katholiek. Niet kwezelachtig, maar erg vroom."

"Ik heb hem wel verdriet gedaan. Met mijn eerste erectie verdween God uit het wc-raampje. En ik zwom mee met de sixties, The Beatles zongen beter dan dat koortje in die kerk. Toen ik besloot niet meer naar de kerk te gaan, zei hij: 'Fijn dat je moeder dat niet meer mee hoeft te maken.'"

Pas veel later kreeg u medelijden met uw vader.
"Letterlijk met die hele generatie. Dat wij hun interpretatie van de wereld zo graag en gemakkelijk van ons afzetten en zelf gingen zoeken. De geestelijke bagage van mijn ouders overkwam ze, kinderen overkwamen ze. Dan deden ze de deur open en dan lag er weer eentje."

"Het leven werd veel meer naar hen toegeschoven: dit is het, bekijk het maar. Maar misschien was het ook wel makkelijker. Wij denken de hele tijd: wat heb ik gedaan, wat heb ik bereikt, wat beteken ik voor mijn kinderen, ik, ik, ik."

Uit uw boek spreekt weemoed naar dat vanzelfsprekende wereldbeeld van uw jeugd: God in de hemel, de paus in Rome, de burgemeester in het stadhuis, de ­koningin op Soestdijk en na je dood...
"Je ziel naar de hemel. Weemoed, ja, dat denk ik ook. Wij gingen zondag fietsen, langs paleis Soestdijk. Wapperde de vlag, dan was de koningin thuis. Stonden er drie zware auto's voor het bordes, dat wist je dat Juliana en Bernhard zich met belangrijke geesten bezighielden met dat wat belangrijk was op aarde."

"Dat maakte indruk op dat jongetje. Allemaal lulkoek, weten we nu. Juliana was een labiele vrouw, Bernhard een schavuit. Als je dat boek van Annejet van der Zijl leest, zo onvoorstelbaar."

"Of de paus die werd rondgedragen op de pauwentroon. Als ik nu de paus zie als hij weer iets zegt over armoede in de wereld, denk ik: moppie, doe die jurk uit! Het lijkt of we allemaal stoned waren in die tijd. Van een goede soort hasj."

U was, schrijft u, misdienaartje in een overzichtelijk kerststalletje. Maar zo overzichtelijk was dat stalletje niet, nu we van alle misbruikschandalen weten.
"Ik zag er niet beroerd uit, maar ik ben nooit aangepakt. Op een schoolreünie kwam ik een oude klasgenoot tegen, huisarts in Bussum. Ik zei dat ik er nooit iets van had gemerkt, van dat misbruik. Nou, zei hij, een van de paters, onze leraar geschiedenis, zat wel bij jongens in de broek en speelde met hun piemeltjes. Het was er dus wel."

Jeugdfoto Bert Keizer Beeld -

"En een van onze parochiegeestelijken werd er na zijn dood, God hebbe zijn ziel, van beschuldigd een jongen te hebben misbruikt. Je wordt misselijk als je het leest. Ik heb ze altijd ervaren als moreel goede mensen, maar dat zou ik nu niet meer weten."

En toen kwamen de sixties. En, schrijft u, alles begon te schuiven en u schoof mee.
"Ik kom weleens mensen tegen die denken dat ze zelf de wereld in scharnier hebben gezet. Maar dat afscheid van het katholicisme is natuurlijk niet iets wat Bertie Keizer zelf heeft bedacht. Mijn bijdrage is nul komma nul. Behalve dat ik die elpees kocht, mijn haar liet groeien en een joint rookte. Ik benijdde de provo's in Amsterdam, ik was zo jaloers op die jongens."

Er kwam ook een stiefmoeder in beeld, maar die noemt u alleen en passant.
"Op 17 februari 1963 trouwde ze met mijn vader, weet ik nog precies. Dat vonden wij niet prettig. Een klassieke stiefmoeder die het beleid overnam. Terwijl de tussentijd na de dood van mijn moeder een beetje bal was geweest, het gezag was weg. Mijn vader was geen sul, maar wel een goeiig mens."

"Ik stond altijd in de bokshouding als ze binnenkwam, die stakker. Zo snel het kon, stormden we allemaal het huis uit. Maar voor mijn vader was ze een zegen, hij heeft met haar een leuk tweede leven gehad."

U wilde filosofie studeren, maar daar was geen geld voor. Het werd Philips.
"Eindhoven was mijn ontsnapping uit de ouderlijke woning, maar ik had echt het gevoel in de verkeerde trein te zitten. Ik was zo ongelukkig, ik had helemaal geen zelfvertrouwen bij meisjes, was zo angstig over seks. Ik werkte op de afdeling 'experimentele glazen' en ik haatte het. Kamp Eindhoven, 's avonds fietste je met 38.000 andere werknemers naar huis. Naar hun Philipshuizen met hun Philipsziekenfonds. En 's avonds naar de Philipsbio­scoop."

En toen sloeg u op de vlucht.
"Ik zag een advertentie in Het Parool. Seizoensarbeid in Devon. April 1968, mijn broer bracht me naar de boot. Ik wilde nog steeds filosofie studeren, maar ik werd niet toegelaten, want ik had geen gymnasium. Ik dacht: sterf toch allemaal, wat een zeikerds hier. Jullie kunnen in een zekere substantie verdwijnen. Ik schudde dat allemaal van me af. Dat vonden ze niks. 'Wat zijn je vooruitzichten?' vroegen ze. Niks. 'Wat ga je doen?' Afwassen."

"Maar ik heb ontzettend veel geluk gehad. Ik werd verliefd, op de derde dag. En stapte zo van de ene huiskamer in de andere. Mijn 'schoonouders' hadden een B&B in St. Ives met dertien kamers en ik werd er heel erg opgenomen."

"En dat St. Ives in de sixties was een beatnik hang-out. Drugs waren nog leuk toen, hasj in overvloed. Op de universiteit van Nottingham, waar ik uiteindelijk met een grant toch filosofie kon studeren, was het nog erger. De pusher kwam langs als de melkboer."

Maar die studie filosofie was kennelijk toch niet genoeg, u kwam in 1972 terug naar Nederland om geneeskunde te studeren.
"Filosofie is de enige studie die de moeite waard is. Maar mijn eerste avontuur was Plato, mijn tweede avontuur Ludwig Wittgenstein. En als je beseft dat je zelf niet verder kunt denken dan Wittgenstein, is lesgeven het enige wat je je verdere leven kunt doen. En dat leek me boring. Filosofieleraren, moppies allemaal, maar toch vaak wat wereldvreemd."

"Ik kon niet filosoferen op het niveau van Wittgenstein en dat heb ik me aangetrokken. Als je alleen keukens kunt witten, moet je jezelf geen artiest noemen."

Maar die studie geneeskunde in Amsterdam was gênant, schrijft u, geestdodend. Intellectueel zo uitdagend als het theorie-examen voor je rijbewijs.
"Ik heb in Engeland nooit heimwee gehad naar Nederland, maar in Nederland wel naar Engeland. Zat je in een hangar met 350 studenten naar een kwetterend stipje in de verte te kijken, dat was dan de leraar."

"In Engeland was ik tutorials gewend; met groepjes van een man of tien eindeloos op een onderwerp knagen. Ik vond het heel erg, die medische studie, het vak niet hoor, maar de studie. Ik was als een rat in het labyrint."

"En die coschappen! Dan stond je bij een patiënt aan het bed. En dan stelde professor Jongkees - je mag zijn naam opschrijven - jou een vraag en gaf je een volgens hem dom antwoord. Dan bulderde hij: 'U moet dubbel nul voor uw naam zetten, licence to kill!' Ik schaamde me voor de patiënt. Misselijk! En didactisch vernietigend."

U had toen meteen al moeite met het eindeloze doorbehandelen, weerloze oude mensen werden in uw optiek op een verschrikkelijke manier door de geneeskunde te grazen genomen.
"Ik kan me nog een ruzie herinneren. Ik had weekenddienst op de intensive care en ik waagde de behandeling van een patiënt als coassistent in twijfel te trekken. Wat zijn we hier in godsnaam aan het doen? Dat werd me niet in dank afgenomen."

"Het medisch bastillon is doordrenkt van eigen onaantastbaarheid. Medische kennis is echt macht, dat is geen illusie. Maar ik had al heel snel het gevoel: hier wordt heel hard geschreeuwd, maar wat ze leveren valt wel mee. Inmiddels wordt die vraag gelukkig wel gesteld: wat zijn we aan het doen?"

U heeft, schrijft u, een hardnekkige neiging aan de rand te blijven. Uw keuze in een verpleeghuis te werken als rand van de geneeskunde.
"Aan de ene kant wilde ik dus niet in een ziekenhuis werken, waar genezing het enige doel is. Maar het komt ook door het milieu waar ik uit kom, ik hoorde tot de eerste generatie uit dat milieu die die medische wereld binnen marcheerde."

"Het waren de jongsten van die grote gezinnen die gingen studeren. Dat had niets te maken met IQ, maar alles met geboortedatum. Maar we hadden niet dat aangeboren aplomb van de zogeheten betere klasse, er was toch ook een verlegenheid: pas ik daar wel?"

"Je geneest niemand in een verpleeg­tehuis, maar ik ging toch met een voldaan gevoel naar huis. Hulpverlenen is niet zozeer genezen, het gaat om machtsuitoefening, daarom is het ook zo leuk. Mensen denken bij macht altijd aan Hitler, maar je hebt ook benigne, goedwillende macht."

"Ik was vandaag bij een man die iets complimenteus over me zei. Hij was blij me te zien, zei hij, 'want hij is tenminste normaal'. Dan bloeit Bert Keizer helemaal op. Dan krijg je als mens, als hulpverlener, een accolade, een streepje op je mouw."

"Zeg, gaan we goed?"

Euthanasie, daar moeten we het nog over hebben.
"Ik denk dat dat een van de meest ingewikkelde verschuivingen is van onze tijd. In 1959 op het sterfbed van mijn moeder viel euthanasie niet binnen onze horizon. Niemand die zei: moet dit nou zo lang duren? En nu zitten we er allemaal over te lullen. Nu zijn we zover dat we erover praten of we mensen die gaga zijn moeten ombrengen."

Gaga...
"Dement, weerloos, wilsonbekwaam. Om die, zonder ze het in de gaten hebben, dood te maken. Omdat ze ooit een wilsverklaring hebben ondertekend. Mensen vragen: Bert Keizer, wat moeten we hiermee? Bert Keizer weet het niet."

'Je geneest niemand in een verpleeg­tehuis, maar ik ging toch met een voldaan gevoel naar huis' Beeld Cindy Baar

"Ik spreek hier niet namens de Levenseindekliniek, maar op persoonlijke titel. En ik sympathiseer met wie opschrijft dat hij niet dement wil worden. Niemand wil daar eindigen. Maar wat je dan moet doen: preventieve suïcide. Dat helpt ook tegen kaal worden. Tegen alles."

"Zo'n wilsverklaring is niets waard. Het is zinvol dat we erover praten, we moeten in elkaars hart bladeren - ik lijk wel een dominee. We moeten er als gemeenschap over nadenken wat het betekent als we besluiten dat ernstig demente mensen die lijden mogen worden omgebracht. Het kan zijn dat we dat als gemeenschap besluiten."

"Maar dat kan ík niet doen, dat kan jij niet doen. Daarvoor is een gerechtelijke uitspraak nodig. Wat is de kracht van zo'n wilsbeschikking? Want dat is een bananenschil in de wet. En ik kan me niet voorstellen dat daar uitkomt dat je mensen mag doodmaken zonder dat ze het in de gaten hebben."

"Maar wie ben ik? Ik kan je een ding vertellen: Europees is het een ramp. Wij gaan prat op onze pionierspositie, maar je moet niet verrast zijn als we dan interna­tionaal worden verguisd."

Uw ultieme held: oogt als George Harrison, schrijft als Samuel Beckett, speelt als Jimi Hendrix, denkt als Wittgenstein. En gaat net als Wittgenstein met blijmoedige acceptatie de dood in.
"That's my man! Het is zo bijzonder als mensen die weten dat ze gaan sterven daar op een dusdanige manier mee omgaan dat degenen die overblijven niet alleen verpletterd zijn. Zoals Parool-journalist Albert de Lange, die erover schreef in de krant en zonder radeloosheid en rancune de dood tegemoet ging."

"Het lijkt me fijn dat te weten als het je vader of vent was. Bij een ongeluk heb je altijd die vraag: wisten ze het, wat hebben ze nog gemerkt? Maar als iemand rustig blijft, zegt: kom maar op, is dat denk ik de mooiste troost na het overlijden."

"Ik word daar zenuwachtig van. Jij niet? Dat je je afvraagt: hoe zou ik zijn? De dood is, geloof ik, iets waar je nooit aan went."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden