Plus

Belevenissen van een pleegmoeder: 'Ze was negen. Zeven, bleek later'

Met een plastic tasje werd de koppige Esi bij Mirjam Oldenhave (58) en haar vriend afgeleverd: een 'spoedje'. Over haar belevenissen als Esi's pleegmoeder schreef Oldenhave het boek Weet ik Veel.

Beeld Ted Struwer

Eigenlijk zit pleegdochter Esi in al de boeken van Mirjam Oldenhave. In haar Mees Kees-reeks is ze Jackie uit 6B, 'de grootste ­opschepper (van de ­wereld)'. En in haar eerste roman voor volwassenen, Alles goed en wel, is ze het meisje Veronique, dat opduikt in het bijeengeraapte groepje mensen dat zich samen door het leven slaat.

Zoals het leven van Veronique moeten de eerste jaren van Esi er ook ongeveer hebben uitgezien; volgens het summiere dossier van Jeugdzorg hield ze zich staande in een gemeenschap van Ghanese gezinnen, waar ze werd ­gedoogd en sliep waar ze een plekje zag. Tot ze in de crisisopvang terechtkwam en met een plastic tasje kleren bij ­Oldenhave en haar vriend Rob werd afgeleverd. Een 'spoedje'.

Esi is nu 24 en Oldenhave schreef het boek Weet ik veel over haar belevenissen als pleegmoeder van dat ­koppige, autonome en grappige Ghanese meisje dat op die eerste dag ­alleen maar weg wil en verder niets. "Zij zegt: 'Die boekje.' Want als je 'dat boekje' zegt, ben je kak. Van alle vier de pleegkinderen die we hebben gehad, heb ik schriftjes bijgehouden. Allemaal waren ze markant genoeg om een boek over te schrijven; op de een of andere manier ­extraverte kinderen.

Kinderen die je met je pen achterna zit. Ik vind het spannend, dit is mijn eerste autobiografische boek. Maar Esi spoorde me aan: 'Doe dan, doe dan, doe dan! Je zou toch over mij schrijven?!'"

'Onverzettelijk staat ze al langer dan twee uur bij de ­voordeur. Wat ik ook probeer, ze zegt alleen maar: geef de sleutel.'
"Zielig, heel zielig. Het moment dat ze bij ons kwam. En het duurde nog veel langer dan ik daar beschrijf. Daar sta je dan, met je goeie gedrag. Ik ben toch jouw weldoener? Snap dat dan! Volgens de informatie die we hadden gekregen, was ze negen. Zeven, bleek later. Ollie, onze hond, was uiteindelijk de grote redder, in al zijn ­onnozelheid. Door hem gaf ze zich gewonnen."

'Mijn moeder is opgegroeid in een pleeggezin. Vanaf het ­moment dat ik dat wist, wilde ik later ook pleegmoeder worden.'"Het begon als een soort romantiek. Zoals jongens brandweerman willen worden, wilde ik pleegmoeder worden. En de wens bleef. Toen ik Job ontmoette en hij zei dat hij geen nageslacht wilde, zei ik: 'Deal. Maar dan wil ik pleegkinderen.' Dat heeft heel goed uitgepakt. Ook voor hem. Een van de meisjes zei over haar vriend: 'Het is net Job.' Alsof dat het hoogst haalbare is. Dan denk je: dat hebben we goed ­gedaan."

"Mijn moeder is vroeg overleden, ze heeft niet geweten dat ik ook pleegmoeder ben geworden. Dat ze pleegkind was, was een klein beetje ­taboe - ook voor mijn Indische oma, omdat ze mijn moeder als haar eigen dochter beschouwde. Ze zei ook 'dochter' en niet 'pleegdochter,' daar was ze vrij fanatiek in. Ik was dol op die oma, een rooie, ruimdenkende, creatieve vrouw. Mijn ­bewondering voor haar is nu alleen nog maar groter."

"Van drie van de pleegkinderen die we hebben gehad, nu meiden van rond de twintig die op kamers zitten, draait de was nog mee in de wasmachine. Ze kwamen voor crisis-opvang, maar waren alle drie een uitzondering op de ­regels. Zo van: 'Het is niet de bedoeling, maar mogen ze langer...?' Ik ben nu ook pleegoma, van een meisje en een jongetje. Ik vond het zo leuk toen ik werd gebeld: 'Mir, ik heb weeën.' Zelf zeg ik wel 'pleegdochter'. En zij noemen mij hun pleegmoeder, maar met veel trots."

'Job is tennissen. 'Kan ik wel weg?' heeft hij nog gevraagd. Geen probleem, ik kan een meisje van zeven toch wel in bed krijgen op het door mij gewenste tijdstip? Nee dus. Ik praat, paai, dreig, roep, en uiteindelijk sta ik zelfs aan haar te ­sjorren.'
"Gewanhoopt heb ik niet echt, maar ik heb het met Esi soms wel moeilijk gevonden. Ik heb geleerd dat je goed voor jezelf moet zorgen en veel uit handen moet geven. Ik had vriendinnen die weekendjes voor ons invielen. Je moet niet ­alleen maar geven, geven, geven. Voor een kind is het ook heel belastend als dat alles op de schoudertjes krijgt, lijkt me."

"Tegen pleegkinderen kun je misschien ook makkelijker zeggen: dan werk je toch niet mee? Daardoor houd je het wel langer vol. Ik heb niet heel veel concessies gedaan als ik dacht: ik wil dit gewoon niet. Ik heb de kinderen ook onbewust geleerd in mijn straatje mee te gaan. De meisjes zeggen, wel met liefde: 'Maar jíj was streng!' Ik had ook niet durven hopen op de mazzel die we hebben gehad, namelijk: kinderen zonder bindingsstoornis. Je hebt ook kinderen die geen harmonie willen. Of je krijgt een sadistisch kind - ja, dan houdt het wel een beetje op. Wij hebben het heel gezellig met kerst en verjaardagen. Als er twee pleegkinderen naar huis komen, komt de derde altijd ook."

'Vind je het goed als ik het in een Mees Kees-verhaal ­gebruik? vraag ik. Ze houdt haar adem in van trots. Daarna loopt ze kaarsrecht en een beetje voorzichtig. 'Mag ik het in de klas ­vertellen?'
"Ze was een rijke bron van inspiratie. Ik zeg altijd dat ik daarom pleegkinderen heb genomen: goudmijntjes voor een kinderboekenschrijfster!"

''Die felle kleurtjes kunnen ze goed hebben, hè?' zegt de ­verkoopster die erbij komt staan. Ze kunnen alle kleurtjes goed hebben, blijkt al snel, en ook alle stijlen en alle modellen. Wat Esi ook aantrekt, het staat allemaal prachtig.''
Bij andere kinderen werd ik door de buitenwereld nog weleens als de mama aangeduid. Bij Esi niet, zij is zo donker. We woonden in de Jordaan. Toen ze een keer verzuchtte dat ze blij was dat Sinterklaas voorbij was, realiseerde ik me pas dat ze die uitzonderingspositie veel meer heeft gevoeld dan ik besefte. Mensen die de zwartepietendiscussie onzin noemen, hebben niet door hoezeer kleine kinderen daar last van hebben."

Genoeg redenen om de stap niet te durven zetten, maar het allerzwaarst weegt het onvermijdelijke afscheid. Je moet je losscheuren en het kind weer doorgeven, misschien wel aan mensen bij wie je je goudvis nog niet zou laten logeren.'
"Bij alle kinderen die we hebben gehad, heb ik gedacht: ­beter als ze blijven. De ouders dachten juist: beter als ze terugkomen. Ik heb altijd gemerkt dat die biologische band zo sterk is. Al kunnen de kinderen alleen maar zeggen dat ze een vader en moeder hebben en een paar keer teruggaan."
"Bij de andere meisjes hebben we wel ­gewanhoopt over hun thuissituatie. Dat we dachten: het kán niet dat ze weer haar huis gestuurd worden. Vooral Job heeft zich daar boos over gemaakt. Dan riep hij tegen de pleegzorgmedewerkster: 'Als het jouw dochter was, wat zou jij dan doen?!' Ik legde me er sneller bij neer. Esi heeft een jaar bij haar moeder gewoond, toen is ze weer bij ons teruggekomen. Ik denk dat het van twee kanten kwam. We voelden dat we van elkaar zijn gaan houden. Het voordeel van pleegmoeder zijn is dat je denkt: wat ben jij er voor eentje? In plaats van dat je gaat spiegelen en alles bij jezelf zoekt."

''De jongste mag beginnen, gooi maar.' Ze pakt de dobbelsteen aan en gooit hem weg, met een hoge boog door de ­keuken.'
"Zo doen we het nog steeds, Mens erger je niet spelen. Ik heb tegenwoordig pijn in mijn rug man, na een potje! Ze had nog nooit een spelletje gedaan. 'Gooi maar.' Ja, dat deed ze dus. Ze was wel echt een marsmannetje hè? Ze moest zelf heel hard lachen toen ze het las. En zoals ze hard praat, lacht ze ook keihard om zichzelf. En dan wil ze dat ik het nog een keer navertel, en nog een keer naspeel."

'Ik blijf het moeilijk vinden dat zij de eerste zes à zeven jaar van haar leven in een kluis heeft gestopt, met de deur ­hermetisch op slot.'
"Van Esi weten we echt nog steeds niks. Ja, we weten dat er matrassen op de grond lagen en dat ze van de vloer at. Ik wilde haar bijna sturen in hoe erg het geweest was allemaal, maar voor haar was het dat niet. Zoals zij het heeft ­ervaren: altijd andere kinderen om zich heen en ze mochten altijd tv-kijken. Ze is een heel stoere, ambitieuze griet. Een meisje om trots op te zijn. Er zit een harde laag goud op de bodem van dat hartje, daarom vertrouw ik erop dat ze toch een goede start heeft ­gehad. Zij staat dichter bij Gandhi dan ik. Ze zei laatst ­tegen me: 'Mir, Afrikanen nemen hun ouders in huis. Dus dat komt wel goed hè?'"

Mirjam Oldenhave: Weet ik veel - belevenissen van een pleegmoeder, Ambo Anthos, €15,00.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden