Plus

Ariëns Kappers: schedelmeter die vele Joden redde

Met een vervalst rapport over de omvang van hun schedel wisten honderden Joden uit Amsterdam in de oorlog aan vervolging te ontkomen. Schedelmeter Cornelius Ariëns Kappers wordt donderdag postuum geëerd.

Ariëns Kappers tijdens een meting in Beiroet, 1929 Beeld Reprinted Courtesy of American University of Beirut Libraries

Het meten van schedels was in nazi-Duitsland een gangbare methode om vast te stellen of de eigenaar tot een superieur of inferieur ras behoorde.

In Amsterdam wisten tijdens de bezetting honderden Joden aan vervolging te ontkomen dankzij een vervalst rapport over hun schedelomvang, opgesteld op het Nederlandsch Centraal Instituut voor Hersenonderzoek en ondertekend door de toenmalige directeur, neurowetenschapper Cornelius Ubbo Ariëns Kappers.

Ariëns Kappers, overleden in 1946, krijgt donderdag postuum de onderscheiding van het Israëlische instituut Yad Vashem voor zijn hulp aan de Joden tijdens de oorlog. De fysisch antropoloog Arie de Froe, die met Ariëns Kappers samenwerkte, werd in 2006 al postuum uitgeroepen tot rechtvaardige onder de volkeren, de eretitel in Israël voor niet-Joden die zich met gevaar voor eigen leven inzetten voor Joden.

Het eerbetoon is in werking gezet door de Amerikaanse neurowetenschapper Lawrence Zeidman, die Ariëns Kappers op het spoor kwam tijdens een onderzoek naar het verzetswerk van de Nederlandse patholoog Johannes Pompe. Samen met onderzoeker Jaap Cohen van het Niod publiceerde Zeidman in 2014 een artikel over de oorlogsjaren van Ariëns Kappers in een vakblad voor neurowetenschappers.

Lab van Lombroso
Ariëns Kappers was in 1909 benoemd tot eerste directeur van het nieuwe Herseninstituut. Het was de kroon op een internationale carrière die hem onder meer had gevoerd langs het laboratorium van Cesare Lombroso, de tegenwoordig beruchte Italiaanse onderzoeker die opzien baarde met zijn bewering criminelen te kunnen herkennen aan de vorm van hun schedel.

Ariëns Kappers verlegde zijn werkterrein naar de ontwikkeling van de hersenschors, maar bleef belangstelling houden voor het schedelmeten.

In de jaren dertig kwam hij op basis van eigen metingen tot de conclusie dat de vele Sefardische Joden in Amsterdam, die oorspronkelijk afkomstig waren uit Zuid-Europa, op een aantal lichamelijke kenmerken afweken van de Asjkenazische Joden uit Oost-Europa.

Tijdens de oorlog schoven leden van de Portugees-Israëlitische gemeente dit onderzoek naar voren als bewijs dat zij geen echte Joden waren. Tevergeefs overigens: een delegatie van de SS kwam in 1943 nog wel naar Westerbork voor een nadere inspectie van een groep Sefardische mannen, vrouwen en kinderen, maar ook zij werden vijf dagen later op de trein gezet naar concentratiekamp Theresienstadt.

Meer geluk hadden honderden Joden die in de zomer van 1942 aanklopten bij het Instituut voor Hersenonderzoek voor een medische verklaring. In 1941 hadden alle Joden in Nederland op straffe van een celstraf opdracht gekregen van de Duitse bezetter om zich te laten registeren als voljood, halfjood en kwartjood.

Toen in 1942 de deportaties van de eerste categorie op gang kwamen, deden veel Joden een poging via de rechter alsnog te worden aangemerkt als halfjood of kwartjood.

De Amsterdamse advocaten Jaap van Proosdij, Martien Nijgh en Nino Kotting verzorgden het papierwerk, in de meeste gevallen aangevuld met vervalste akten uit de archieven die wezen op de aanwezigheid van Arisch bloed in de aderen.

Verschil tussen leven en dood
Op het Instituut voor Hersenonderzoek stelden Ariëns Kappers en De Froe op verzoek van de advocaten verklaringen op met de uitkomsten van antropologisch onderzoek die overeenstemden met het stamboomonderzoek. Er werden zo'n vijfhonderd van deze verklaringen afgegeven. In ongeveer de helft van de gevallen maakten zij het verschil tussen leven en dood.

Zeidman roemt Cornelius Ariëns Kappers om zijn moed in oorlogstijd, maar ook om zijn keuze om zijn vakgebied in moeilijke tijden in te ­zetten voor de goede zaak. Dat kan ook ­anders; Zeidman noemt in dat verband het Max Planck Instituut in Duitsland, waar tot op de dag van vandaag hersenweefsel ligt opgeslagen van een groot aantal slachtoffers die tijdens de oorlog in opdracht van de nazi's werden ge­ëutha­naseerd.

Cornelius Ubbo Ariëns Kappers, (1877-1946)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden