Amsterdams Lijflied 5: Joodse achtergrond

Joodse zangers, componisten en tekstschrijvers waren er volop, maar bij de meesten speelden hun afkomst geen enkele rol in hun werk. In de vijfde ronde van Lijflied: liedjes met een Joodse achtergrond.

1. Izak Meyer's Wiegelied

Vertederend nummer (rond 1920) van de jong gestorven James Cohen van Elburg (1897-1932). Bekendste regel: 'Doe maar niet in sinaasappelen.' Want: 'Als jij goed leren gaat, word je later advocaat.' Hij heette gewoon Cohen, maar ja, zo heette er zo velen. En omdat zijn vader uit Elburg kwam vond James dat wel een adequate toevoeging. James, geboren in de Kalverstraat, had al op z'n veertiende een plekje op de Toneelschool en toen schreef hij ook zijn eerste liedje, waarop hij een lovende reactie kreeg van cabaretkeizer Jean Louis Pisuisse.

Izak Meyer's Wiegelied is het enige nummer dat hem overleefde. Na de oorlog werd het voor het eerst op de plaat gezet, door Sylvain Poons (1896-1985), waarbij hij dat nogal essentiële couplet over het advocaat worden trouwens oversloeg. Getuige een later lied van Cohen van Elburg, De bruiloft van Izak Meyer, is de wens van Izaks vader niet vervuld. Bij dat huwelijk heeft Izak een kraampje op de markt. 'Want de studie ach en wee, dat viel Izak echt niets mee./ Na zes jaar heb je een graad, ben je nebbisj advocaat./ Zoveel studie en dan dalles, ja de handel boven alles.'

2. Sally's roomijslied (Goocheme Sally)

Net opgedoken uit de onderduik - het land was acht dagen bevrijd - trad Sylvain Poons alweer op. Met Kees Manders had hij het groepje De Flitsspuit opgezet en dat presenteerde zich in het Hortustheater (later Desmet) met het programma We zijn weer vrij. Decors: Tom Manders.

Een maand later kwam dagblad De Waarheid kijken. Het programma heette toen De Groote Schoonmaak. De recensent: 'Wij zagen Poons weer als Sally met de roomijskar en in een nieuwe creatie als zetbaas in het Nationale Snoep Bedrijf. Hij gaf de Amsterdamse gein de Joodse injectie die deze zo lang had ontbeerd.' Dat snoepbedrijf was een verwijzing naar de NSB.

Het lied - tekst en muziek Louis Davids / Margie Morris - komt uit de film Bleeke Bet van 1934 en werd bekend als Goocheme Sally. Een wijze ijskoopman 'die de mensen op zijn duimpje kent', geeft er commentaar in op de mensheid. Het is in de jaren dertig ook door Davids zelf gezongen en later nog uitgevoerd door Lex Goudsmit. Remko Vrijdag zong het in het theaterprogramma Tip Top (1995) waarbij ?George Groot de tekst wat actualiseerde: 'Ook als buitenlander krijg je af en toe een por,/ er is altijd wel een stok om mee te slaan./ Natuurlijk gaat het goed in een tijd van overvloed./ De mensen zijn dan reuze tolerant./ Maar worden banen schaarser,/ en de kabinetten paarser/ dan zeggen ze, wat vol toch is dit land.'

3. Waar bleven de Joden van ons Amsterdam
Eind 2010,bij de voorbereiding van een expositie over de geschiedenis van de Hollandsche Schouwburg, stuitte conservator Esther Göbel van die instelling en Jaap van Velzen, adviseur en verzamelaar van judaica, op een recensie uit 1947 waarin het lied werd genoemd. Van Velzen: "Bij mijn weten had Hans Krieg nooit in het Nederlands geschreven. We hebben tevergeefs verder gezocht en belden ten slotte zijn dochter Mirjam. Zij is op zolder gaan kijken en vond tekst en muziek binnen een paar uur."

Hans Krieg (1899-1961) vluchtte in 1933 voor de nazi's naar Amsterdam. Dat jaar ook werd Mirjam geboren.

Hier leidde hij het koor van de Liberaal Joodse Gemeente en was hij directeur van de Joodsche Orkestvereniging Amsterdam. Met zijn gezin werd hij in juni 1943 gedeporteerd naar Westerbork en zeven maanden later werden ze doorgestuurd naar kamp Bergen-Belsen.
Na de oorlog zette hij zich in voor het Joodse lied, leidde hij Joodse koren, componeerde hij en trad hij veel op, ook voor de radio, vaak samen met dochter Mirjam. Op aandrang van Göbel en Van Velzen heeft ze het nummer opgenomen.

'Waar zijn al de venters met fruit en met bloemen,/ en waar is de voddenman, die altijd kwam./ Waar zijn de tienduizenden hier niet te noemen./ Waar zijn toch de Joden van ons Amsterdam?

4. Amsterdam huilt
Pas vanaf begin jaren zestig werd in wat bredere kringen over het lot van de Joden in de oorlog gepraat. Het nummer Amsterdam huilt van Rika Jansen (Zwarte Riek) uit 1964 kwam toch nog wel als een schok. Het was ook een beetje atypisch voor de zangeres van Mijn wiegie was een stijfsekissie en Alle apies in de Artis lijken op me ome Hein.

Geschreven door haar partner Kees Manders. Aangrijpend lied met als eerste zin: 'Als vader weer bladert in zijn fotoboek.' Dat nu is net iets te zonnig: het overgrote deel van de Joden kon zich destijds helemaal geen fototoestel permitteren.

Staat ook op het repertoire van klezmergroep Mazzeltov. Zangeres Rolina Kross in Het Parool: "Overal waar we dat nummer doen krijgen we reacties. Mannen en vrouwen van 70, 75 die dan geëmotioneerd vertellen dat hun Joodse vriendje of vriendinnetje bij hen uit de klas werd gehaald."

5. Er is geen gein meer op het Rembrandtplein weer
Van 1952 tot 1966 had Max Tailleur (1909-1990) veel aanloop in De Doofpot aan het Rembrandtplein. Daar vertelde hij per avond meer dan tweehonderd Sam-en-Moosmoppen. Bij het sluiten van zijn cabaret schreef en zong Tailleur Er is geen gein meer op het Rembrandtplein weer. Het is nooit op plaat of cd verschenen. 'De mensen zijn niet hetzelfde als weleer / De lach verdween door speculaties met de grond.' Tailleur wijt in het lied de sluiting van zijn zaak aan de teloorgang van het Rembrandtplein. Daarbij krijgt ook investeerder Maup Caransa een veeg uit de pan. Overigens was er een belangrijker oorzaak van het einde van De Doofpot: Tailleur leed hevig aan reuma.

6. We zullen je missen, Waterlooplein
Liedje uit 1962, gezongen door de in deze rubriek nogal dominante Sylvain Poons. Tekst en muziek van Harry de Groot. Een treffende illustratie van het taboe destijds op het lot van de Joden in de oorlog. Het Waterlooplein moet verdwijnen (vanwege de aanleg van de IJtunnel): 'Isaac, Sammie, Moossie,/ we zullen het missen die Joodse gein bij het prijzen van de negotie./ 'k Zal er het mazzel en brooche niet meer horen./ Want binnenkort zal jij er niet meer zijn./ Weer gaat een stuk van Amsterdam verloren,/ we zullen je missen Waterlooplein.'
Dat Joodse karakter was toen allang verdwenen, met het overgrote deel van de Joodse Amsterdammers. Met het verdwijnen van het plein viel het mee. De markt werd verplaatst maar kon niet lang na de opening van de tunnel in 1969 weer terug naar het Waterlooplein.

7. Waterlooplein
Lied van Jacques Halland (pseudoniem van Romi Fraenkel, 1910-2000) van rond 1960 dat er aanmerkelijk minder doekjes om windt. 'Die kleine wereld tussen Amstel en het verleden./ Het plein van de gein, maar ook van de pijn./ En wie het niet weet: ga het de Dokwerker vragen.'

Gezongen door echtgenote Jossy (1914-1986). Van 1959 tot 1982 hadden ze op de hoek van de De Clercqstraat en de Agatha Dekenstraat het cabaret Lilalo, jiddisch voor 'voor hem, voor haar, voor mij'. Het was een klein zaakje, zes bij achttien meter, met rode muren en een rood plafond, volgestouwd met snuisterijen, aan de muren schilderijen van rabbijnen en van Einstein en Spinoza. Er was een zingende kelner. Maar de trekker was Jossy, die koos uit klassieke jiddische liederen en uit een repertoire van 120 liedjes die Jacques voor haar schreef. Ze stond ook nog in de keuken. Specialiteit: gefillte fish.

8. Weesperstraat
Lijdt enigszins aan hetzelfde euvel als We zullen je missen, Waterlooplein. Het waren niet de slopers van rond 1960 die een eind aan het Joodse karakter van de straat maakten, zoals de argeloze luisteraar van nu zou kunnen denken. Maar toch, prachtig nummer met een sterk einde: 'Waar Mokums geinslagader eens onstuimig klopte/ Klopt straks de lege ader van het snelverkeer./ Maar stel dat op een avond er een auto stopte/ en iemand vroeg, de Weesperstraat, hoe was-tie ook alweer?/ Geen trotse boulevard beantwoordt zulke vragen/ wanneer zijn asfalt spiegelt in zijn neonlicht./ Maar waar zo'n diepe wond in Mokum werd geslagen./ Zoeft het verkeer die wond misschien geleid'lijk dicht.'

En die wond is natuurlijk een verwijzing naar de moord.
Een lied uit 1959, van het Cabaret Tingel Tangel, aan de Nieuwezijds - nu het Betty Asfalt Complex. Muziek: Wouter Denijs, pianist van het cabaret, tekst Sieto Hoving, de baas van het gezelschap. Uitvoering Paul Deen (1915-1990).

9 Rivierenbuurt
Tekst van Ischa Meijer, opgenomen in 2000, vijf jaar na diens dood, over zijn ouders. Het gezin, inclusief Ischa, had concentratiekamp Bergen-Belsen overleefd. Waartoe?
'Mijn vader was een man/ die terugkwam uit de oorlog./Ze hadden hem verminkt,/ zijn geest gebroken. Hij wandelde door de straat,/ waar hij niet had mogen zijn/ Hij rookte zijn sigaar/ en hij leek heel tevreden.'

'Mijn moeder was een vrouw,/ die terugkwam uit de oorlog./ Ze hadden haar verminkt,/ haar geest gebroken. Ze ging naar 't Concertgebouw,/ waar ze niet had mogen zijn./ Ze luisterde naar muziek/ en ze leek heel tevreden.'
'Amsterdam-Zuid, Rivierenbuurt./ Straten stromen door mijn hoofd./ Ik sla een brug van verdriet/ naar mijn jeugd.'

In De Telegraaf van 28 april 2001 zegt Herman van Veen, die het zong: "Dit lied verhaalt over een Joods echtpaar dat na hun verblijf in een concentratiekamp na de oorlog terugkomt in Amsterdam en dan ontdekt dat hun huis door anderen wordt bewoond." Het is te hopen dat Van Veen hier verkeerd geciteerd is, want daar gaat het lied helemaal niet over. Dat Joden bij terugkeer hun huis nogal eens bewoond terugzagen is waar, maar hier gaat het om Ischa's impressies bij een bezoek aan zijn ouderlijk huis aan het Victorieplein. Muziek van Edith Leerkes en Thomas Dirks.

10. A Chassid in Amsterdam
De Amsterdam Klezmer Band behoort tot de betere exportproducten, de groep treedt op van Moskou tot New York. Maart 2011 was de band in Frankfurt. Een positieve recensie over dat concert in de Frankfurter Rundschau begon met de vaststelling dat de Joodse klezmermuziek in Duitsland een moeilijke geschiedenis heeft gekend. Dat mogen we een gotspe noemen. A chassid in Amsterdam uit 2001, geschreven door bandleider Job Chajes, is een persiflage waarbij zo veel mogelijk termen uit het jiddisch-Amsterdams zijn verwerkt. Een chassid is een Jood die zijn orthodoxe signatuur graag toont met een hoed en zwart pak.

Democratie vermag wat: nu gaat Tulpen aus Amsterdam naar de finale, met 21 procent. Absolute winnaar in de ronde over buitenlandse liedjes was Amsterdam, het lied van Jacques Brel (38 procent). Met deze stemmentrekkers was er voor de andere nummers weinig eer meer te behalen.

Bestel hier uw kaarten voor Het Amsterdamse Lijflied in Carré

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden