James Worthy.Beeld Agata Nowicka

‘Als ik op dit bankje zit, is iedereen aardig voor me’

PlusJames Worthy

Een man zit op een bankje voor het ziekenhuis. Hij eet een krentenbol met boter. Het bankje staat precies tussen een drukke weg en het ziekenhuis in. Het asfalt ligt vol diepe plassen. Een vrachtwagen dendert voorbij. De druppels landen op de bekraste neuzen van zijn schoenen. De man buigt voorover en kijkt naar de spetters.

“Sorry,” schreeuwt de chauffeur hangend uit zijn raampje, maar de man is helemaal niet boos. Hij ziet er eerder opgetogen uit. Blij dat de druppels hem überhaupt aan willen raken.

Een jongen met een blauwe gipsarm neemt ook plaats op het bankje.

“Hoe is dat gebeurd?” vraagt de man.

“Voor mijn verjaardag kreeg ik een skateboard van mijn vader.”

“Dat is lief.”

“Zeker, maar ik had er niet om gevraagd. Ik heb er zelfs nog nooit over gepraat. En met een goede reden. Ik ben te klunzig voor planken op wieltjes.”

“En toch zit je nu hier met een arm in het gips.”

“Mijn vader en moeder zijn gescheiden. De buurjongen zegt dat mijn vader vreemdging. En toch blijft mijn moeder hem verdedigen. Ook over dat skateboard. Ze zei dat ik het gewoon een keer moest proberen. Dat ik papa heel gelukkig zou maken als ik het probeerde. Dus ik probeerde het. En nu zit ik hier naast u. Bent u ook ziek? Of bent u op bezoek bij iemand?”

“Ik ben kerngezond en ook niet op bezoek bij iemand.”

“Waarom zit u dan op een bankje voor het ziekenhuis?” vraagt de jongen.

“Hoe oud ben je?”

“Veertien en een half.”

“Dan ben je net oud genoeg voor de waarheid. Als ik op dit bankje zit, is iedereen aardig voor me.”

“Maar mensen zijn alleen maar aardig voor u, omdat ze denken dat u ziek bent of dat u iemand kent die ziek is.”

“Ik heb mensen gekend die ziek waren. Maar die mensen zijn nu op een plek waar ze niet meer ziek kunnen zijn.”

“Dus u kende mensen die ziek waren, maar het niet meer kunnen zijn, dus daarom doet u nu zelf alsof u ziek bent?”

“Ik doe niet alsof. Ik zit gewoon op een bankje voor het ziekenhuis. Als ik hier zit, lachen de mensen naar me. Op dit bankje ben ik niet onzichtbaar. Ken jij mensen die eenzaam zijn?” vraagt de man.

“Volgens mij is mijn moeder wel eenzaam. En er is iets met het hoofdkussen van mijn vader aan de hand. Hij woont al bijna een jaar niet meer bij ons, maar ze heeft dat kussensloop nooit verschoond. Is dat eenzaam?”

“Dat durf ik niet te zeggen.”

“Ik wel. Ik denk dat ze eenzaam is. Ze is ook de hele tijd aan het bellen. Kijk, daar staat ze. Bij de draaideur. Als ze belt, hoeft ze niet na te denken of zo. Dat zei ze laatst.”

“Ben je wel een beetje lief voor haar?” vraagt de man.

“Zo lief als ik kan, meneer. Ik ben een puber en pubers staan niet echt bekend om hun inlevingsvermogen, maar ik begrijp waarom ze zo verdrietig is.”

De moeder fluit op haar vingers en de jongen zegt dat hij moet gaan.

“Als mijn moeder straks aan me vraagt wie u bent en wat u heeft, wat zeg ik dan?”

“Zeg maar dat ik Tony ben en dat ik dat skateboard wel van je wil overkopen.”

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden