Amsterdam Elders

Als Amsterdammer had je voor 450 gulden een slaaf in Suriname

Amsterdam was heer en meester in koloniaal Suriname, dat eeuwen draaide op de uitbuiting van tot slaaf gemaakte Afrikanen. Bestuurder Jan Nepveu maakte in 1765 aantekeningen over Suriname, zwart en blank, en een bijzonder huwelijk.

Mariëlle Hageman
Openbare verkoping van een slavin en haar twee kinderen in Suriname in 1839. Beeld Spaarnestad
Openbare verkoping van een slavin en haar twee kinderen in Suriname in 1839.Beeld Spaarnestad

Heel Suriname was in beroering, constateerde de Amsterdamse plantagehouder en bestuurder Jan Nepveu in 1765. De zwarte Elisabeth Samson wilde trouwen met een blanke man. Elisabeth was een succesvolle zakenvrouw en een van de rijkste mensen van Suriname, maar dat maakte niet uit: zwarten mochten niet met blanken trouwen. Zo'n huwelijk zou de ongelijkheid tussen zwart en blank in gevaar brengen, dacht Nepveu, en de hele Surinaamse economie was gebaseerd op de totale heerschappij van de blanken en de onderwerping van de zwarten.

Jan Nepveu was in 1719 in Amsterdam geboren en als jongetje naar Suriname gekomen. Zijn vader, een goudsmid, overleed toen Jan acht jaar was en het grote gezin had het daarna niet breed. Terwijl zijn moeder wat probeerde te verdienen met broodbakken en het verbouwen van een lapje gehuurde grond, zwierf Jan door de straten van Paramaribo en zag hij de dansen van de zwarte slaven, 's avonds op het Plein.

Suikerriet
Die tot slaaf gemaakte zwarten waren onder dwang uit Afrika naar Suriname gehaald om het zware werk te verrichten op de plantages langs de rivieren, waar vooral suikerriet werd verbouwd, en steeds meer koffie en cacao. 450 gulden per slaaf begrootte Jan Nepveu later, naast 400 voor een muilezel en een kostenpost voor de ongeveer tien overleden slaven die per jaar vervangen moesten worden - een groot ongemak. Op de meeste van de ongeveer vierhonderd plantages werkten rond de honderd slaven. En er waren huizen in Paramaribo, de enige stad, met dertig of soms wel vijftig slaven, noteerde Nepveu. Bijna alle ambachtslieden waren slaven of vrije zwarten. Elisabeth Samson was als dochter van een vrijgelaten slavin zelfs vrij geboren. Op iedere blanke telde Jan Nepveu zo minstens dertig zwarten.

De kolonie werd beheerd door een particuliere onderneming, de Sociëteit van Suriname, waarvan de stad Amsterdam een derde deel in handen had. De andere aandeelhouders waren de West-Indische Compagnie, waarin Amsterdam ook al een grote stem had, en de schatrijke familie Van Aerssen van Sommelsdijck, die z'n aandeel in 1770 aan Amsterdam zou verkopen, waarna de stad oppermachtig was in Suriname.Amsterdammers verdienden flink aan de kolonie, want suiker en koffie waren enorm populair. Het fort dat tussen 1734 en 1747 verrees op de strategische plek waar de rivieren de Commewijne en de Suriname samenkwamen, ging niet voor niets Nieuw-Amsterdam heten.

Plantagehoudster
Jan Nepveu begon zijn loopbaan als een manusje-van-alles, maar in 1742 was hij secretaris van de gouverneur. Hij maakte daarna carrière binnen het Surinaamse ambtenarenapparaat en kon zijn eigen plantages kopen, waaronder koffieplantage Spieringshoek.Ook Elisabeth Samson werd plantagehoudster. Ze ging samenwonen met een Duitser en runde met hem zijn koffieplantages. Na zijn dood erfde ze een deel daarvan, een ander deel kocht ze, samen met haar zus Nanette. Uiteindelijk had ze een reeks plantages: Belwaerder bijvoorbeeld, Clevia, Catharinasburg. Ze werd een van de belangrijkste koffieproducenten van Suriname en liet zelfs een eigen schip bouwen in Amsterdam. Ook op Elisabeths plantages werkten zwarte slaven.

Elisabeth Samson was al bijna vijftig toen ze besloot te trouwen met de blanke koster Christoph Braband. Rijk was ze al, nu wilde ze ook het aanzien dat zo'n huwelijk zou brengen. Toen het bestuur in Suriname het niet toestond, wendde ze zich tot de Nederlandse Staten-Generaal. Het duurde drie jaar, maar Elisabeth kreeg toestemming om te trouwen, want in de Nederlandse Republiek was zo'n huwelijk niet verboden. Christoph Braband was intussen overleden. Maar op 21 december 1767 trouwde Elisabeth Samson met de dertigjarige Hermanus Zobre.

Gouverneur
Jan Nepveu trouwde dat jaar ook. Met een kleurlinge, Elisabeth Buys. Dat mocht wel gewoon, ook al omdat er in Suriname niet zoveel blanke vrouwen waren. De vader van zijn bruid kwam uit Amsterdam, haar moeder was een Surinaamse. Ook deze Elisabeth bezat een aantal plantages, zoals Hecht en Sterk, Stolkersvlijt en Buyslust. In 1768 werd Jan Nepveu gouverneur van Suriname. Hij verdiende toen zo'n tienduizend gulden per jaar. Het inkomen van Elisabeth Samson schatte hij op tachtig- tot honderdduizend gulden. Toen zij in april 1771 stierf, waren haar bezittingen een miljoen waard. Haar blanke man erfde alles.

Jan Nepveu overleed in 1779. Hij bezat acht plantages met zo'n elfhonderd slaven en in Paramaribo zeven huizen met tachtig slaven. Het duurde nog tot 1863 voor de slavernij werd afgeschaft. De voormalige slaven moesten vervolgens nog tien jaar op de plantages blijven werken. Daarna werden contractarbeiders uit India en van Java naar Suriname gehaald.

Fort Nieuw-Amsterdam is tegenwoordig een museum. Het oude gouverneurshuis in Paramaribo is nu het presidentiële paleis van de Republiek Suriname. Het wapen van de Sociëteit van Suriname, met het wapen van Amsterdam, dat in de gevel prijkte is op 1 juli van dit jaar vervangen door dat van Suriname.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden