Plus

Ajaxiconen blikken terug op gouden periode: 'We trokken altijd met elkaar op'

Ajaxiconen Sjaak Swart, Bennie Muller en Henk Groot zijn nu tachtigers. Op De Toekomst halen ze herinneringen op, onder meer aan de legendarische 4-0 tegen FC Nürnberg van 50 jaar geleden. 'We rolden ze op, zo simpel was het.'

16 september 1968: Henk Groot, Piet Keizer, Bennie Muller, Ton Pronk, Sjaak Swart en Klaas Nuninga op Schiphol, in afwachting van hun vlucht naar Neurenberg. Beeld Nationaal Archief/ Anefo 921-6825

Ze begroeten elkaar met omhelzingen en zoenen. Henk Groot is een tijdje niet bij Ajax geweest en het weerzien met zijn gabbers van weleer, Sjaak Swart en Bennie Muller, is emotioneel. Groot tegen Swart: "Dag Swartje, dag jongen."

Swart tegen Groot: "Dag Hattrick."

Groot: "Ja, ja, Hattrick, zo noemt ie mij altijd."

Tegen Muller: "Dag kleine, je bent nog altijd niets gegroeid hè?"

Groot houdt zich flink. Hij heeft pas zijn vrouw verloren, Gré, met wie hij bijna zestig jaar samen was. "Zeg maar gerust dat we onafscheidelijk waren."

Swart en Muller vragen 'm of hij het een beetje trekt. Die schudt het plots droevige hoofd: "Het is een ravage, zo zonder Gré."

Verbluffende kopballen
Groot wordt vergezeld door zijn dochter Claudia, op wie hij kan terugvallen als hij het even niet meer weet. "Wat gaan we eigenlijk doen Clau?" heeft hij in de auto, op weg van zijn flat in Zaandam naar Ajax, herhaaldelijk gevraagd.

"We gaan op De Toekomst een bakkie doen pa, met Bennie en Sjaak." Groot knikt, hij heeft moeite met onthouden.

Maar eenmaal op de club leeft de Ajaxgrootheid uit de jaren zestig op. Muller en Swart halen een glansrijk verleden naar boven bij de man die werd bewonderd om zijn welgemikte schoten, verbluffende kopballen en ragfijne passes.

Groot was de favoriete voetballer van Ajaxjeugdspeler Louis van Gaal, en de stronteigenwijze tiener Johan Cruijff luisterde bij Ajax naar niemand, behalve naar Piet Keizer, soms, en naar Henk Groot, altijd.

Groot: "Cruijffie was een heel best ventje, maar als hij te veel pingelde, gaf ik 'm gewoon de bal niet."

Swart: "Ja, ja, dat deed Henk hè. Dan passte hij de bal doodleuk demonstratief naar een ander."

Groot: "En als ik gek werd van zijn geouwehoer, zei ik: 'Hou nou je smoel een keer kleine, voorlopig mag jij mijn veters nog niet vastmaken.' Dat hielp wel ja, maar niet voor lang. Na een poosje ging hij gewoon weer verder met ouwehoeren. Die kleine was een zenuwlijer die zich overal mee bemoeide en altijd zijn mening gaf."

"Ik moet wel toegeven dat hij bijna altijd gelijk had, maar hij lulde gewoon te veel."

Muller: "Bij Ajax werd naar Henk geluisterd, want hij doorzag het spel en hij sprak geen onzin. Henk had overwicht."

Swart: "Henk was zo'n fijne voetballer, we voelden elkaar geweldig aan."

Projectielen
Toen voorhoedes nog uit vijf man bestonden, was Swart rechtsbuiten en Groot rechtsbinnen. Swart: "Als Henkie het balletje tussendoor gaf, vloog ik de diepte in. En dan gaf ik hem strak voor, op Henk. Hij bleef scoren, die Hattrick."

In het kampioensseizoen 1959-'60 niet minder dan 37 keer en het jaar erop zelfs 41 keer (in 32 competitiewedstrijden). Daarmee is Groot nog altijd de Ajacied met de meeste treffers in één eredivisieseizoen.

Groot: "Voorzetten van jou waren projectielen, Sjaak. De ballen kwamen met zo'n rotvaart, dat ik ze nauwelijks hoefde te raken. Eigenlijk hoefde ik ze alleen maar een beetje van richting te veranderen. Maar ze deden wel zeer soms. Eigenlijk kon je beter een bal van Bennie op je kop krijgen, die kwam met een boogje, zodat je op je gemak kon koppen."

Swart: "Ach wat, die ballen van Bennie gingen zó hoog, tegen de tijd dat die bij jou waren, lag er sneeuw op."

Respect
Op De Toekomst is het beursgenoteerde voetbalbedrijf Ajax geen kille onderneming, jeugdvoetballers en eerste elftalspelers krioelen er door elkaar. In het gezellig drukke verenigingsgebouw stoten oudere clubmensen elkaar aan: kijk daar eens, drie helden uit die goeie ouwe tijd.

Vol respect wordt geknikt in de richting van Groot, Swart en Muller, met z'n drieën goed voor meer dan 1300 wedstrijden in Ajax 1.

Sjaak Swart bij de bank, met rechts trainer Rinus Michels. Beeld Nationaal Archief/Anefo 921-7338

Alle drie zijn ze onlangs tachtig geworden, Groot in april, Swart in juli en Muller in augustus. Het gesprek van de tachtigers vliegt alle kanten uit en Groot geniet zichtbaar van het verzetje.

Directeur voetbalzaken Marc Overmars komt hem een hand geven, evenals algemeen directeur Edwin van der Sar.

En daar is de joviale Heini Otto (64), speler van het legendarische FC Amsterdam uit de jaren zeventig en al zo'n 25 jaar in allerlei trainersfuncties werkzaam bij Ajax.

"Meneer Groot, wat een eer, de man van de kopgoal tegen Real Madrid, ik zie 'm nog zo voor me. Man, man, wat kon u koppen."

Muller: "Heb jij die goal gezien, Heini? Waar dan?"

Otto, geboren en getogen Jordanees: "In de Cineac, Bennie, tegenover de Munt, in de Reguliersbreestraat. Daar ging ik altijd heen voor het bioscoopjournaal, je kon er voor een piekie naar binnen."

Polygoonbeelden van de Europa Cupwedstrijd Real Madrid-Ajax uit 1967 zweven op het internet. Groot, Swart en Muller zijn er nieuwsgierig naar. Laptop op tafel en de tachtigers zien zichzelf terug in het nog nietige Ajax dat het grote Real aan het wankelen brengt.

Vooraf bezoekt prins Bernhard de kleedkamer, met Johan Cruijff en Gerrie Mühren Beeld Nationaal Archief/Anefo 921-7324

Vrije trap Sjaak Swart, geen strakke trap, meer een Bennie Mullervoorzet, maar Henk Groot weet de bal met een ferme kopslag in de kruising te mikken: 1-1 en verlengen in het Estadio Santiago Bernabéu. Groot, schaterlachend: "Kijk eens, kijk eens, dat was toch best een aardig kopballetje."

Swart, bozig: "Moet je opletten, die kleine mist me zo toch een kans, alleen voor de keeper. Even later was het 2-1 voor Madrid, een zondagsschot van Veloso, ik geloof dat die gozer daarna nooit meer een doelpunt heeft gemaakt. Als die kleine had gescoord, waren we doorgegaan en wedden dat we dan toen al de finale hadden gehaald?"

Groot: "Wedden Swartje? Wedden waarom? Het is allemaal zo lang geleden."
Muller steekt zijn hand op. "Ik wil even een verhaal vertellen." Groot, met een olijke kop: "Zeg kleine, jij bent de jongste hier, waar bemoei jij je eigenlijk mee?"
Muller, onverstoord: "Vroeger waren wij bij Ajax allemaal vrienden van elkaar. We trokken altijd met elkaar op."

Swart: "Nou en of. Nu gaan die jongens na trainingen en wedstrijden zo snel mogelijk naar huis, maar wij gingen tussen de middag de stad in, een kroketje eten bij Van Dobben. En op vrijdagavond met z'n allen biljarten in hotel Suisse in de Kalverstraat."

Blubberbende
Muller: "Het was rond Pasen, we hadden getraind in De Meer en op de velden bij de Kruislaan waren schoolwedstrijden aan de gang. We gingen met een ploegie kijken en namen jouw auto, Henk. Cootje Prins en ik zaten gewoon naast jou voorin, ik bij het portier."

"Het regende pijpenstelen en bij de Kruislaan was het één ­grote blubberbende. Toen ik voorzichtig wilde uitstappen, gaf Co mij een enorme zwieper met zijn kont. Ik ging languit de bagger in en werd zo verschrikkelijk kwaad dat ik hem aanvloog. Maar Co was beresterk, een echte straatvechter. "

"Binnen de kortste keren zat ie boven op me. 'Hou je op of niet?' riep hij. 'Ophouden nou, dan doe ik je niets. Ophouden nou, je bent m'n gabber, ik wíl je niets doen.' En jij maar lachen Henk."

Groot: "Ja, nu nog."

Muller: "Wat ik maar zeggen wil: vroeger was het gemoedelijker, voetballen was je job, maar toch niet meer dan een leuk betaalde hobby. Het ging ook om de lol, om de kameraadschap."

Swart: "Dat is waar, heel erg waar. De voetbalwereld van nu is geen fijne wereld meer. Kijk om je heen, al die mensen die hier rondlopen, zijn voor zichzelf bezig. Jeugdspelers, eerste-elftalspelers, ouders, trainers, allemaal. Het is heel erg egoïstisch geworden."

Muller: "De waanzinnige bedragen die in het voetbal omgaan, hebben het er niet leuker op gemaakt. De mensen jagen op het grote geld en kijken niet meer om naar elkaar."

Swart is nog één en al voetbal. Hij begeleidt voetballers, hij scout ze, en hij voetbalt zelf ook nog, in Lucky Ajax, het variété-elftal met oudgedienden, en bij Zeeburgia, waar hij met z'n voetbalmaten rondo's speelt, lummelen met de bal, vaste prik op maandag en donderdag.

Bij Swart is het alle dagen voetbal, maar Groot volgt het allemaal niet meer zo. "Als er voetbal is, staat de tv wel aan, maar ik kijk af en toe alleen even om te zien hoeveel het staat."

Muller: "Ik ga nog wel naar Ajax, maar ik vind het eigenlijk veel leuker om mijn kleinkinderen te zien sporten. Ik heb drie jongens die voetballen bij AFC en twee meiden die hockeyen bij Amsterdam."

Swart: "En hij rijdt ze allemaal overal naartoe hè, als het moet. Laatst belde ik hem: waar zit je Bennie? Was ie op weg naar Groningen, voor de hockey..."

Muller: "Sjaak is heel anders, die ziet nog zo vreselijk veel voetbal. En hij is ook altijd bij Ajax. Jij hebt toch een bed staan hier, Sjaak?"

Swart: "Ja, ja, ik zit er nog middenin, maar vaak erger ik me kapot hoor. Ook aan het spel, hè. Het voetbal is zo veranderd. Dat eeuwige rondspelen, tikkie breed, tikkie naar achteren. Zeg nou eens jongens, speelden wij vroeger weleens achteruit?"

Muller: "Zelden."

Groot: "Nooit Swartje, wij speelden alleen maar vooruit. Dat was veel leuker."

Halve slidinkjes
De clubjongens Swart en Muller voetbalden al een paar seizoenen in Ajax 1 toen er in 1959 versterking kwam van Cees en Henk Groot, mannen van KFC, Zaankanters die er meteen duchtig op los scoorden.

Ajax werd kampioen en Henk, de jongste van de broers, kwam in het Nederlands elftal. In 1963 kocht Feyenoord hem, als schutter, maar twee jaar later keerde hij bij Ajax terug. Omdat Rinus Michels hem per se wilde hebben, niet om doelpunten te maken, maar om het aanvalsspel te sturen, vooral in de richting van de jonge vrijbuiter Cruijff.

De beginnende trainer Michels wilde Ajax professionaliseren en had het voetbalverstand van Groot nodig om lijn te brengen in het vaak ondoordachte spel van de Amsterdammers.

Na een harde overtreding op Sjaak Swart komt verzorger Salo Muller (met bril) aangesneld. Verder vanaf links Bennie Muller, Piet Keizer en Henk Groot. Beeld Nationaal Archief/Anefo 921-6906

Muller: "We waren maar wat blij met Henks terugkeer, zo'n goeie voetballer hadden we er graag weer bij. En hij was onze vriend, een gezellige gozer met veel humor."

Groot: "Dat is wat hoor, als je die bijdehante Amsterdammers zover weet te krijgen dat ze je graag zien komen."

Met de jongste Groot als spelbepaler (de zes jaar oudere Cees was inmiddels teruggekeerd naar de Zaan, naar de fusieclub FC Zaanstreek) greep Ajax eerst de macht in eigen land, om vervolgens ook in Europa terrein te winnen.

Met de wondervoorhoede Sjaak Swart, Klaas Nuninga, Johan Cruijff en Piet Keizer werd Ajax drie keer achter elkaar kampioen.

Op het middenveld heerste Henk Groot, die zich in de rug wist gesteund door Bennie Muller, de slimme en onvermoeibare werker met z'n kromme beentjes, specialist in halve slidinkjes, waarmee hij tegenstanders plots de bal ontfutselde.

De volledig toegewijde Michels ramde met harde hand de vrijblijvendheid uit het spel van Ajax en uit de organisatie van de club. De discipline werd aangehaald, de spelers werden in een keurslijf geregen, met uitzondering van spelverdeler Groot en de aanvalspioniers Cruijff en Keizer: die mochten zich vrijelijk bewegen.

Supporters op het veld
Ajax maakte grote vorderingen en rukte op in Europa, in het seizoen 1968-'69 voor het eerst tot in de finale van het toernooi voor de landskampioenen.
Het begon, vijftig jaar geleden, met een sensationele zege op FC Nürnberg.
Na de 1-1 uit, op 18 september, werd het thuis, op 2 oktober, 4-0, in een bomvol en euforisch Olympisch Stadion.

Na de thuiswedstrijd bestormen uitzinnige Ajaxsupporters het veld en weten ze de agenten op het verkeerde been te zetten. Beeld Nationaal Archief/Anefo 921-7324

Vuurpijlen schoten de hemel boven Amsterdam in, prins Bernhard verscheen in de kleedkamer en Max Merkel, de trainer van Nürnberg, die in de jaren vijftig ook nog even bondscoach in Nederland was, sprak zijn grote bewondering uit voor het energieke, aanvalslustige spel van Ajax. En Johan Cruijff, aldus de flamboyante Oostenrijker, was misschien wel de beste spits die hij ooit had gezien.

Cruijff blonk uit tegen de Duitsers, maar volgens de kranten was hij niet de enige. Piet Keizer, de getruukte linksbuiten, werd geprezen, net als de beide middenvelders, Groot en Muller. Zij smoorden de Duitse aanvallen in de kiem en voedden de op volle toeren draaiende Ajax­aanval, waarin ook Swart het op zijn heupen had.

De rechtsbuiten met het harde schot, de ferme kopstoot en de passeerbeweging buitenom maakte de 1-0 en de 2-0. Groot, gezegend met een fluwelen trap, maakte de 3-0 uit een strafschop en Cruijff besloot de gedenkwaardige voetbalavond met de prachtige 4-0, na een solo vanaf eigen helft.

Even daarvoor hadden jonge, uitzinnige, supporters het veld bestormd en tot grote hilariteit van het stadion wisten zij de achter hen aan hollende politieagenten op het verkeerde been te zetten.

Maar toen de deugnieten eenmaal in de kraag waren gevat, kregen zij er flink van langs. Dat leidde tot verontwaardiging op de tribunes. In 1968, het jaar waarin de gevestigde orde het zwaar te verduren kreeg, werd een bruusk optreden van het gezag niet meer zo makkelijk gepikt.

Zelfs televisiecommentator Herman Kuiphof toonde zich ontstemd. "Nou, nou, nou, zo hardhandig," klonk het misprijzend in de Nederlandse huiskamers. "Als je niet beter wist, dames en heren, zou je denken dat het hier Zuid-Amerika was. Maar er was toch echt niet zo veel aan de hand."

Groot maakt met een strafschop de 3-0 Beeld Nationaal Archief/Anefo 921-7322

De glansrijke zege op de kampioen van West-Duitsland deed het Amsterdamse zelfvertrouwen geweldig goed. Eerder in de Europa Cup was het elftal van Rinus Michels tegen Dukla Praag en Real Madrid fysiek en mentaal tekortgeschoten, maar in de herfst van 1968 deinsden de Amsterdammers niet meer terug voor een elftal met mannetjesputters.

Swart: "We rolden ze op hè, dat Neurenberg, zo simpel was het."

Muller: "We lieten ons niet langer afbluffen, we keken tegen niemand meer op."

Groot: "Hoe lang geleden was dat? Vijftig jaar? Goh, toch kan ik me het nog herinneren. Wat speelden we lekker, hè jongens?"

Belazerd door Michels
Overwinningen op Fenerbahçe, Benfica en Spartak Trnava brachten Ajax in 1969 de finale, maar tegen het geslepen AC Milan bleken de Amsterdammers (nog) niet opgewassen. Argeloos aanvallend liepen zij in het vlijmscherpe Italiaanse countermes: 1-4.

De weifelend optredende Michels zocht de schuld voor deze afgang niet bij zichzelf, maar schoof die in de schoenen van zijn elftal. Dat had te braaf gespeeld. Ajax was volgens Michels te weinig meedogenloos. Dat rekende 'De Bul' vooral linksback Theo van Duivenbode, stopper Ton Pronk, aanvaller Klaas Nuninga en Bennie Muller aan.

Van Duivenbode en Nuninga werden meteen afgedankt en verkocht aan respectievelijk Feyenoord en DWS. Pronk en Muller werden bankzitters.

Muller: "Ik ben na de finale naar Michels toegegaan, omdat ik aanvoelde dat hij niet meer zo gek met mij was. Ik zei: 'Wat wil je met me?' 'Ik heb je nog nodig,' zei hij, 'je komt in mijn plannen voor.' Nou, dat heb ik geweten, ik liep elke wedstrijd warm, soms wel een half uur."

Muller voelde zich belazerd door Michels, in wiens plan hij dus nog slechts de rol van reserve had. Hij vertrok, op z'n 31ste, naar de tweede eredivisieclub van Den Haag, Holland Sport.

Ook voor Groot was het in 1969 ineens afgelopen bij Ajax. In de nazomer ruïneerde Zygfryd Szoltysik diens rechterknie met een doodschop, tijdens de WK-kwalificatiewedstrijd Polen-Nederland. De vliegende tackle was een carrière­breker voor Groot.

In de kantine op De Toekomst wrijft hij over het nog altijd zere gewricht. "Ik verzeker jullie: die gozer was erop uit. Het was een aanslag en ik voel het nog steeds."

Beeld Nationaal Archief/Anefo 921-7321

Ook Muller, die na een jaartje Holland Sport nog heel even bij Blauw Wit in de eerste divisie speelde, is niet ongeschonden uit zijn carrière gekomen. Een eeuwig pijnlijke enkel herinnert hem vrijwel dagelijks aan Willem van Hanegem.

"Die gaf me toch een kegel. Het was in een duel, maar Willem was geen fijne in het duel."

Sjaak Swart heft de armen ten hemel: "Wat heb ik een mazzel dan. Ik voetbal nu nóg en ik heb nergens last van. Ik ben akelig fit. Ik heb natuurlijk geleefd voor het voetbal en mijzelf altijd goed verzorgd, maar ik heb ook geluk gehad, heel veel geluk."

Heibel
Moesten zijn gabbers afhaken vlak voordat Ajax de dienst uit ging maken in Europa, Swart schitterde mee in de glansjaren van de club. Maar na twee Europa Cuptriomfen zat Swart in 1973, bij de derde gewonnen finale, op de bank.

In Belgrado zag hij zijn vervanger Johnny Rep, tegen Juventus met de kop de enige goal van de wedstrijd maken.

Swart was bijna 35, Rep 21. Bij Ajax durfde niemand tegen Swart te zeggen dat het tijd werd om plaats te maken voor de jeugd. Ook Stefan Kovács niet. Ajax' Roemeense trainer stond trouwens onder curatele.

Het was een publiek geheim dat Groot, inmiddels afgekeurd en lid van de Technische Commissie, de opstelling maakte. Nou was dat niet zo moeilijk in die tijd, want het elftal stond zo goed als vast. Eigenlijk was alleen de vraag: wie staat er rechtsbuiten, Sjakie of Johnny?

Het werd een pijnlijke kwestie. Swart vond dat Groot hem liet zakken, maar Groot deed voor zijn gevoel alleen maar wat goed was voor Ajax: de jeugd laten doorstromen. 1973 kwam tussen hen in te staan en maakte dat de gabbers Groot en Swart niet meer zo close als vroeger waren.

"Ze hebben me gebruikt," verzucht Groot, 45 jaar later op De Toekomst. "De heren van het bestuur hebben toen misbruik van mij gemaakt. Omdat ik zoveel kijk op voetbal had, hebben ze mij die functie gegeven, maar ze lieten me mooi de kastanjes uit het vuur halen."

"In het belang van de club moest ik spelers nare boodschappen brengen. Ook jou Sjaak. En dat heb ik gedaan met mijn stomme kop. Ik dacht: iemand moet het doen, dus laat mij het maar doen, van mij accepteren ze het wel. Maar dat was fout. Er kwam alleen maar heibel van. Niet leuk hoor."

Stilte aan de tafel met de tachtigers. De ontroering is voelbaar. Dan zegt Swart, zachtjes: "Ik weet het Henk."

Het oude zeer is weg, na 45 jaar...

Swart slaat met zijn handen op de tafel. "Zo, en nu moet ik als de donder weg."

Groot: "Wat ga je doen dan Swartje?"

Swart: "Trainen."

Groot: "Wat zeg je nou?"

Swart: "Trainen Hattrick, voetballen, pappie gaat die jonge gasten van dertig, veertig weer even een lesje leren."

De tachtigers breken op. Swart rept zich naar zijn auto, Muller voert Groot nog even mee naar de fotowand met kampioenselftallen. Op diverse foto's zit Groot op de voorste rij, gehurkt, met het rechterhandje op de grond. Tegen zijn dochter: "Kijk Clau, ik geloof dat ik toen al bang was om om te vallen."

Henk Groot, Sjaak Swart en Bennie Muller op De Toekomst, het trainingscomplex van Ajax Beeld Marc Driessen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden