PlusAchtergrond

Afscheid met een laag plastic ertussen: ‘Het enige wat ik wilde, was haar vasthouden’

Beeld ROBIN UTRECHT

In het verpleeghuis kon Suzanne Rustenburg haar moeder zes weken niet bezoeken, ook niet na de diagnose Covid-19. Het afscheid was, met hand­schoenen en mondkapje, een traumatische ervaring. ‘Het enige wat ik wilde, was haar nog even vasthouden.’

Met een spatbril, chirurgisch masker en plastic hoesjes om de schoenen aan het sterfbed. Zo had Suzanne Rustenburg (56) het zich nooit voorgesteld. Met haar blauwe handschoen pakte ze moeders slappe pols. Van achter het mondkapje zei ze lieve woorden.

Haddy Rustenburg (85) was al enkele dagen buiten bewustzijn, vermagerd en hevig ­benauwd door een longontsteking. Haar ademhaling werd steeds zwaarder en je hoorde dat er vocht in haar longen kwam. Ze ratelde. Maar haar hart gaf niet op. Met een slecht voorgevoel verliet Suzanne woensdag de kamer op de ­corona-afdeling van verpleeghuis Hogewey in Weesp. Dit kon weleens de allerlaatste keer zijn, dacht ze.

En dat was het. Een paar uur later was haar moeder overleden.

Het sterven in coronatijd is eenzaam, koud en kil, zegt Suzanne. Ze wil graag haar verhaal vertellen in de hoop dat mensen een beeld krijgen van wat patiënten met Covid en hun familie in het verpleeghuis te verduren krijgen. We spreken elkaar op woensdagmiddag, nadat ze haar moeder heeft bezocht. Telefonisch, want ­Suzanne heeft zichzelf, na een week bezoek aan de corona-afdeling, een regime van twee weken quarantaine opgelegd.

Ze begint monter en vastberaden. “Het gaat nu wel heel slecht met mijn moeder. Het kan dus zijn dat het verpleeghuis belt en ik moet ophangen,” zegt ze nog. Dat gebeurt. Later die avond belt ze terug. “Dat was het ­beslissende telefoontje: Mijn moeder is over­leden.”

Kilte

De ochtend na het overlijden, afgelopen donderdag, belt Suzanne – die een bijleskantoor runt – terug. “Je vindt het misschien raar, maar ik wil mijn zaken graag goed afhandelen.” We spreken af dat ze het aangeeft wanneer het niet meer gaat.

Nee, ze is na het bewuste telefoontje niet meer naar Hogewey geweest. “Ik kreeg vanuit het verpleeghuis de boodschap dat, zodra de schouwarts was geweest, die officieel moet vaststellen dat iemand is overleden, ik een begrafenis­ondernemer moest bellen om haar op te halen. Ze mocht niet in het verpleeghuis blijven.” De kamer moest worden ontsmet voor de volgende patiënt met corona.

Zo geschiedde. “Ze is meteen naar het uitvaartcentrum gebracht. Van daaruit gaat ze naar een crematorium. Er is geen afscheid.” De familie heeft besloten dat ze liever op een later tijdstip met een groep bij elkaar komt om ‘in haar stijl’ een uitgeleide te doen. Een ­afscheid dat omgeven is met maatregelen en ­regels willen ze niet. “We willen deze kilte niet verlengen.”

Haddy Rustenburg woonde bijna haar hele leven in Noord. Ze had een administratieve functie bij Draka en haar man – die in 2009 overleed – werkte bij een producent van carbonpapier. Samen kregen ze twee dochters. Haddy, zegt ­Suzanne, ‘had muzieknootjes door haar aderen stromen’. Het is alzheimer weliswaar gelukt om haar geheugen overhoop te gooien, maar de noten van Chopin bleken tegen alles opgewassen.

Anderhalf jaar geleden verhuisde Haddy, omdat het thuis echt niet meer ging, naar verpleeg­huis Hogewey. “Een geweldig fijn huis,” zegt ­Suzanne. “Mijn moeder speelde er vaak de sterren van de hemel op een van de piano’s. Mensen begonnen soms te dansen, te zingen en te klappen.”

Ze had het goed tot corona toesloeg. Ruim zes weken geleden ging de deur op slot voor naasten. “Ik belde haar regelmatig. Dan vertelde ik dat er griep heerste, en dat ik daarom niet kon komen, maar dat begreep ze niet. Godzijdank heeft ze er heel weinig van meegekregen.”

Mensen in maanpakken

Zondag 19 april kwam er een telefoontje uit het verpleeghuis. Haddy was gevallen. Twee keer. Eén keer uit bed en één keer buiten op het terras. De maandag erop had ze koorts. Dinsdag kreeg ze een test en woensdag had ze officieel Covid-19. Suzanne mocht nog steeds niet naar haar moeder. Dat kon pas als ze stervende was. “Dat was zo frustrerend. Iedereen verwees naar de richtlijnen van het RIVM. Ik kwam daar niet doorheen. Om wanhopig van te worden. Ik voelde me zo machteloos en boos. Maar je weet ook dat je niet boos mag worden, want die regels zijn er niet voor niets. Dat botst natuurlijk heel erg.”

Op maandag 20 april mochten Suzanne en haar zus wel komen, want het ging heel slecht met Haddy. Ze had hoge koorts, het zuurstof­gehalte in haar bloed daalde snel en om haar ‘comfortabel’ te houden, kreeg ze morfine, waardoor ze al snel suf werd. Compleet ingepakt in beschermingsmateriaal liep Suzanne de ­corona-afdeling op. Haddy had een kamer helemaal aan het eind van de gang. Verbijsterd keek Suzanne rond. Deur na deur zag ze namen van bewoners. Sommigen herkende ze. “Een man die altijd stond te luisteren naar mijn moeders pianospel kwam opeens de hoek om gelopen: O nee, hij ook, dacht ik.”

Wat een contrast met de plek die ze kende. “Het was zo’n ontzettend gezellig huis met veel groen, bakken kruiden en bloemen, veel activiteit.” Nu was het er doodstil. Delen waren afgezet met rood-witte linten. Er liepen mensen in maanpakken bij witte tenten. “Alles ademde ­beklemming en ellende. Binnen hing de geur van ontsmettingsmiddel.”

Poezen

Toen ze de kamer van haar moeder binnenliep, schrok Suzanne. “Ze was erg vermagerd, had ingevallen wangen en donkere kringen onder haar ogen. Ze lag met haar mond open.” Ze was bij haar aan het bed gaan zitten. In het begin was er nog contact. Grapjes. Herkenning. Een glimlach als Suzanne foto’s van de poezen op haar ­telefoon liet zien. Maar al snel ging het slechter met haar moeder. Urenlang lag Haddy’s hand in de hare, in de blauwe handschoen. “Aanvankelijk kneep ze nog in mijn hand, maar haar greep werd steeds slapper.”

Op een dag zag ze een brancard met een zwarte lijkzak langsrijden. Ze hoorde stemmen: “We komen de heer … ophalen.” Suzanne wist dat haar moeder een van de volgende zou zijn.

Ze verfoeide die ellendige beschermingsmaterialen. “Het enige wat je wilt, is haar nog even vasthouden, haar hand aaien, een knuffel geven. Af en toe had ik de neiging om een handschoen uit te doen, maar mijn man hoort ook tot de risicogroep, dus dat doe je dan toch niet. Het is levensgevaarlijk, maar de drang is zó groot.”

Het was al met al een traumatische ervaring, zegt ze. Dat ze zo lang niet bij haar zieke moeder mocht, droeg daaraan bij. Daar is ze zeker gefrustreerd over. Of ze straks hulp nodig heeft om dit te verwerken, weet ze niet. “Ik weet niet hoe dat verwerkingsproces gaat lopen. Ik denk dat het later pas echt doordringt hoe bizar dit was.”

Het beeld van die broze pols in die blauwe handschoen is ze in elk geval niet zomaar kwijt. Op de vraag waar de grootste pijn zit, zegt ze: “Het plastic tussen ons, en inderdaad die hand. Daar had ik het heel moeilijk mee – ik vond de handen van mijn moeder altijd prachtig, en ik wist dat ik ze nooit meer zou zien.”

Welke wonden slaat zo’n sterfbed bij nabestaanden?

Nabestaanden kunnen in coronatijd veel minder goed afscheid nemen van hun dierbaren die aan Covid-19 overlijden. Ze kunnen vaak maar weinig bij hun geliefde zijn en áls ze aan het sterfbed zitten, is het in beschermende kleding. Ook is er minder begeleiding door zorgverleners.

Wat dat precies voor gevolgen heeft, gaan de ziekenhuizen onderzoeken. Het OLVG begint deze week met het nabellen van tientallen nabestaanden om te kijken hoe de rouwperiode verloopt. En ook Amsterdam UMC onderzoekt wat er anders is aan ­rouwen in coronatijd.

Of een afscheid in coronatijd bij ­familie diepe wonden achterlaat, zal uit het onderzoek moeten blijken. Dat nu veel mensen een arm sterfbed hebben, dat staat wel vast, zegt huisarts Marike de Meij, die de palliatieve corona-afdeling van het OLVG heeft opgezet.

De omstandigheden zijn buiten­gewoon. “Patiënten worden verzorgd door mensen in maanpakken en er kan niet of nauwelijks bezoek komen. Als je ernstig ziek bent, heb je behoefte aan empathische, vriendelijke ­verpleegkundigen om je heen, maar die kunnen nu niet de steun geven die ze gewend zijn. Het gaat nu niet zoals we het graag willen.”

Rituelen

Het schort aan tijd en ruimte voor troost, rituelen en samenzijn – de ingrediënten van een goed sterfbed. Tegelijkertijd is er veel angst om besmet te raken, zegt De Meij. Waar op gewone corona-afdelingen of ic’s alleen in de laatste fase familie is toegestaan, mogen er op de palliatieve afdeling in het OLVG elke dag twee mensen ­komen.

“Dat vinden patiënten heel prettig, maar we zien ook dat mensen nog steeds terughoudend zijn om op bezoek te komen. Sommigen naar ons idee iets té. Er zijn naasten die uit angst voor besmetting niet naar het ziekenhuis durven. Dat betekent dat mensen helemaal alleen komen te overlijden of in grotere eenzaamheid dan we zouden willen. Een sterfbed omgeven door angst en zorgen is per definitie een slechter sterfbed.”

Dat zou, mogelijk, later voor problemen kunnen zorgen bij de nabestaanden. “Wij zijn bang dat mensen last krijgen van angst over het eigen doodgaan of van depressies.” Misschien dat achteraf schuldgevoelens zwaarder gaan wegen, omdat je bijvoorbeeld je geliefde niet de uitvaart kunt geven waarover eerder is gesproken. “We zien ook dat islamitische Amsterdammers nu niet goed kunnen helpen bij het wassen van de patiënt. Ook kunnen ze het lichaam niet laten vervoeren naar bijvoorbeeld Marokko. Het gaat op veel momenten niet zoals ze het gewend zijn, of wat ze ­volgens eigen rituelen of religie ­verplicht zijn om te doen.”

Overmacht

Misschien, zegt hoogleraar levenseinde-onderzoek, Bregje Onwuteaka-Philipsen van Amsterdam UMC, scheelt het dat het door de corona­crisis gewoon overmacht is. Iedereen maakt hetzelfde mee, je kunt er niks aan doen. “Ik weet niet of dat zo is. Ook dat willen we onderzoeken.”

Dat doet ze binnen stichting Palzon, waar onderzoekers op het gebied van palliatieve zorg samenwerken. Sinds een paar weken staan vragenlijsten online voor nabestaanden en zorgverleners. Onwuteaka wijst erop dat ook nabestaanden van patiënten die deze weken overleden zijn aan iets anders dan Covid-19, worden mee­genomen in het onderzoek.

“Zij hebben ook met de beperkingen te maken gehad. Uit de interviews, die we ook willen doen, willen we kijken hoe die hebben meegespeeld. De ondersteuning van zorgverleners en naasten is belangrijk, maar er is weinig ­bekend wat het voor gevolgen heeft als die er wegens omstandigheden niet is. Dat is goed om te weten voor als zoiets nog eens gebeurt.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden