Plus

75 jaar Het Achterhuis: hoe de oorlog een stem kreeg door Anne Frank

Anne Frank begon 12 juni 1942, 75 jaar geleden, aan haar dagboek. Na de oorlog vervulde haar vader Annes diepste wens om het dagboek uit te geven. Historicus Jan Romein speelde een grote rol door in Het Parool op het belang van het dagboek te wijzen.

Op 12 juni 1942 kreeg Anne Frank voor haar dertiende verjaardag dit roodgeruite dagboek Beeld getty

Dagboek

Anne Frank kreeg voor haar dertiende verjaardag, op 12 juni 1942, een dagboek van haar ouders. Op die dag noteerde ze: 'Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog aan niemand gekund heb, en ik hoop dat je een grote steun voor me zult zijn.'

Ze woonde op het Merwedeplein 37-2 in Amsterdam-Zuid, maar moest drie weken ­later met haar ouders en zus Margot onderduiken. Het roodgeruite dagboek nam ze mee naar het Achterhuis, het onderduikadres op de Prinsengracht.

Anne beschouwde het dagboek als een vriendin, die ze Kitty noemde. Toen het vol was, schreef ze verder in schriften. Op 1 augustus 1944 schreef ze voor het laatst. Op 4 augustus 1944 werden de onderduikers door Duitse en Nederlandse agenten uit huis gehaald. Er zijn vele theorieën op losgelaten wie hun verraders waren en hoe de familie is ontdekt.

Het dagboek is wereldwijd een van de meest gelezen boeken, in meer dan zeventig talen vertaald en meer dan 35 miljoen keer verkocht. Binnenkort verschijnt de 165ste Nederlandse druk.

Miep Gies

Het gezin Frank en de andere vier onderduikers - het gezin Van Pels en Fritz Pfeffer - werden op 4 augustus 1944 ontdekt. Na de arrestatie raapten de twee helpsters, Miep Gies en Bep Voskuijl, Annes dagboek en schriften op.

Miep Gies vertelde hierover: "Later zijn Bep en ik naar boven gegaan, naar de slaapkamers van de Franks. En daar zagen we op de grond de dagboekpapieren van Anne. Oprapen, zei ik. Want Bep stond als versteend te kijken."

"Ik zei: oprapen, oprapen, meenemen! Nou, we hebben alles zo goed mogelijk meegenomen, want we waren erg bang! We gingen naar beneden, en daar stonden we, Bep en ik. Wat nu Bep? Toen zei ze: "Jij bent de oudste. Jij moet het maar bewaren."

Gies bewaarde alles in haar bureaula, in de hoop het na de oorlog aan Anne terug te kunnen geven. Otto Frank overleefde als enige van de acht onderduikers van het Achterhuis de oorlog. Hij kreeg Annes geschriften van Gies toen duidelijk was dat zijn dochters in Bergen-Belsen waren gestorven. 'Dit is de ­erfenis van uw dochter Anne.'

Populariteit

Er zijn tal van toneelstukken, speelfilms, tv-bewerkingen, documentaires en zelfs tekenfilms over het dagboek gemaakt. De eerste Amerikaanse zwart-witfilm The diary of ­Anne Frank verscheen in 1959, gebaseerd op het toneelstuk dat in 1955 in New York in première was gegaan.

Er kwamen vervolgens Japanse, Engelse, Italiaanse, Franse en Duitse films uit. De Nederlandse toneel- en filmbewerking (met Jeroen Krabbé als Otto Frank en Jip Wijngaarden als Anne) kwam in 1984 uit.

De documentaires belichtten ­verschillende kanten: Annes vooroorlogse leven, het leven in het Achterhuis, de helpers van de onderduikers, de publicatie van het dagboek in Noord-Korea, de verdachten die de onderduikers zouden hebben verraden en de laatste maanden van Annes leven in Auschwitz en Bergen-Belsen, waar zij in februari 1945 stierf. Over het dagboek is in 2014 een theatervoorstelling gemaakt: Anne.

Het Anne Frank Huis heeft stijgende bezoekersaantallen: in 2016 bezochten bijna
1,3 miljoen bezoekers het museum waar het originele dagboek en andere geschriften van Anne te zien zijn.

Anne Frank in mei 1942, 12 jaar oud, twee maanden voor de onderduik Beeld getty

Historische bron

Anne was zeer goed op de hoogte van de ontwikkelingen tijdens de oorlog. Ze repte over de huiszoekingen in 1942 om fietsen te vorderen - 'Mijnheer Kugler vond het n.l. beter om voor onze toegangsdeur een kast te plaatsen' -, de neergeschoten Engelse vliegtuigen op het Carlton Hotel in 1943 - 'De hele hoek Vijzelstraat Singel is afgebrand' -, het bombardement op Noord in 1943 - 'Rillingen krijg ik als ik nog aan het doffe dreunende gerommel in de verte denk' -, het neerstorten van een Amerikaanse bommenwerper op een school in de Spaarndammerbuurt op 22 maart 1944 - 'Wij, dat betekent de dames, schrokken ons ook een mik' -, de invasie in juni 1944 - 'Churchill was op een torpedoboot die de kust beschoot. De man schijnt, als ­zovele mannen, geen angst te kennen' - en de bezetting van Hongarije door de Duitsers in 1944 - 'Daar zijn nog een miljoen Joden, die zullen er nu ook wel aangaan'.

Verschillende versies

Op 28 maart 1944 hoorde Anne de oproep van minister Bolkestein uit Londen op Radio Oranje waarin hij vroeg alle getuigenissen van de Duitse bezetting, als dagboeken en brieven, te bewaren. Anne besloot haar dagboek te herschrijven en noemde het Het Achterhuis.

'Aan de titel alleen zouden de mensen denken, dat het een detective-roman was,' schreef Anne. Ze schreef in de ruim tien weken tot haar arrestatie op losse vellen.

Er zijn zodoende twee versies van het dagboek: de oorspronkelijke versie A en de door haarzelf bewerkte versie B. Otto Frank stelde ter publicatie de verkorte C-versie samen, een combinatie van passages uit Annes A- en B-versie. In zijn C-versie liet hij enkele persoonlijke stukken weg over haar lichamelijke ontwikkeling, haar moeder en over het huwelijk van haar ouders.

Reacties

John F. Kennedy, september 1961: "Van de velen die door de geschiedenis heen zich hebben uitgesproken voor de menselijke waardigheid in tijden van groot lijden en ­verlies, is geen stem dwingender dan die van Anne Frank."

Nelson Mandela, augustus 1994: "Op Robbeneiland lazen velen van ons het dagboek van Anne Frank. We putten er moed uit. Het gaf ons kracht en versterkte ons in het vertrouwen in de onoverwinnelijkheid van vrijheid en gerechtigheid."

De Engelse actrice Emma Thompson, ­februari 2006: "Alle dromen van Anne Frank zijn onze kansen en onze mogelijkheden."

De Pakistaanse Malala Yousafzai, winnares Nobel voor de Vrede, juni 2017: "Het sterkt me in mijn geloof dat elk kind het recht heeft te dromen, te leren en in vrede te leven."

Anne als schrijfster

Anne hield niet alleen een dagboek bij, maar schreef ook korte verhalen en verzamelde mooie zinnen van andere schrijvers.

'Je weet allang dat m'n liefste wens is eenmaal journaliste en later een beroemde schrijfster te worden. Of ik deze grootheids­neigingen ooit tot uitvoering zal kunnen brengen, zal nog moeten blijken.'

'Ik ben een paar weken geleden begonnen om eens een verhaal te schrijven, iets dat helemaal verzonnen is en heb daar zo'n plezier in gekregen dat m'n pennekinderen zich opstapelen.' Sommige verhalen las ze voor aan de andere onderduikers.

'Met schrijven word ik alles kwijt, mijn verdriet verdwijnt, mijn moed herleeft! Maar, en dat is de grote vraag, zal ik ooit nog iets groots kunnen schrijven, zal ik ooit eens journaliste en schrijfster worden? Ik hoop het, o ik hoop het zo, want in schrijven kan ik alles vastleggen, mijn gedachten, mijn idealen en mijn fantasieën.'

En ten slotte: 'Ik zal niet onbetekenend blijven, ik zal in de wereld en voor de mensen werken!'

Annes vriendin Jacqueline van Maarsen

Jacqueline van Maarsen (88) was destijds op Annes dertiende verjaardag. De twee meisjes leerden elkaar in 1941 kennen op het Joods Lyceum en waren al snel onafscheidelijk.

Ze maakten samen huiswerk en lazen elkaar voor uit hun lievelingsboek, Joop ter Heul. Ook gingen ze vaak bij elkaar logeren. Omdat Joden niet meer naar de bioscoop mochten, organiseerden ze thuis filmvoorstellingen waarvoor ze uitnodigingen rondstuurden en zelf entreebewijzen maakten.

Anne en Jacqueline beloofden elkaar een afscheidsbrief te schrijven als een van hen moest vertrekken. Uiteindelijk kreeg Anne die gelegenheid niet. Ze schreef Jacqueline vanaf haar onderduikadres, maar Annes ­vader vond het te riskant de brieven te laten bezorgen. Anne schreef: 'Ik hoop dat we tot dat we elkaar terugzien altijd "beste" vriendinnen blijven.'

Jacqueline ontving de brieven pas na de oorlog. "Het bracht een grote ontroering bij mij te weeg," vertelde ze.

'Kinderstem'

Otto Frank vervulde zijn dochters wens om haar dagboek te publiceren. Uitgeverijen toonden geen interesse, totdat historicus Jan Romein op 3 april 1946 op de voorpagina van Het Parool in zijn artikel 'Kinderstem' over het dagboek schreef.

'Door een toeval heb ik een dagboek in handen gekregen, dat tijdens de Oorlogsjaren geschreven is. Het Rijksin­stituut voor Oorlogsdocumentatie bezit al omtrent tweehonderd dergelijke dagboeken, maar het zou mij verbazen als daar nog één bij was, zó zuiver, zó intelligent en toch zo menselijk als dit, dat ik het heden met zijn ­vele plichten voor één avond vergetend, in enen gelezen heb.(...)'

'Voor mij echter is in dit schijnbaar onbetekenende dagboek van een kind, in dit door een kinderstem gestamelde 'de profundis' alle afzichtelijkheid van het fascisme belichaamd, méér dan in alle processtukken van Neurenberg bij elkaar. (...) Dat dit meisje geroofd en gedood kon worden, is voor mij het bewijs dat wij de slag tegen het beest in de mens verloren hebben.'

Op 25 juni 1947 verscheen de eerste druk van Het Achterhuis bij uitgeverij Contact

Kinderstem, door J. Romein op 3 april 1946 in Het Parool

Door een toeval heb ik een dagboek in handen gekregen, dat tijdens de Oorlogsjaren geschreven is. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie bezit al omtrent tweehonderd dergelijke dagboeken, maar het zou mij verbazen als daar nog één bij was, zó zuiver, zó intelligent en toch zo menselijk als dit, dat ik het heden met zijn vele plichten voor één avond vergetend, in enen gelezen heb.

Toen ik het uit had, was het nacht en het verwonderde mij, dat het licht nog brandde, dat er nog brood en thee te krijgen waren, dat ik geen vliegtuigen hoorde ronken en geen soldatenlaarzen klonken op straat, zó had de lezing mij gevangen en teruggevoerd naar de onwezenlijke wereld die nu al bijna weer een jaar achter ons ligt.

Het is geschreven door een joods meisje, dat 13 jaar was toen zij met haar ouders en een ouder zusje onderdook en dit dagboek begon en het eindigt ruim twee jaar later, toen de Gestapo het gezin op een onzalige dag ontdekte. Eén maand voor de bevrijding is ze in een der ergste Duitse concentratiekampen overleden nog vóór haar zestiende verjaardag.

Hoe, daar wil ik mij niet in verdiepen. Maar het zal, staat te vrezen, ongeveer geweest zijn als nu reeds in zoveel kampherinneringen te lezen staat, misschien wel zoals beschreven in de onlangs verschenen brochure Tussen leven en dood in Auschwitz, al was het dan in een ander kamp.

De wijze van haar dood is ook niet belangrijk. Belangrijker was dat dit jonge leven moedwillig afgesneden werd door een systeem, welks geesteloze wreedheid wij elkaar weliswaar gezworen hebben nimmer te vergeten of te vergeven toen het nog woedde, maar dat wij desondanks, nu het voorbij is, toch reeds bezig zijn zo niet te vergeven dan toch te vergeten, wat uiteindelijk op hetzelfde neerkomt.

Voor mij echter is in dit schijnbaar onbetekenende dagboek van een kind, in dit door een kinderstem gestamelde 'de profundis' alle afzichtelijkheid van het fascisme belichaamd, méér dan in alle processtukken van Neurenberg bij elkaar. Voor mij is in het lot van dit joodse meisje de ergste misdaad samengevat die de eeuwigverfoeilijke geest beging. Want die ergste misdaad is niet de vernietiging van leven en cultuur op zichzelf -- deze kunnen ook aan een cultuurscheppende revolutie ten offer vallen -- maar het verstoppen van de bronnen der cultuur, de vernietiging van leven en talent alleen uit domme vernietigingsdrift.

Dit meisje zou, als niet alle voortekenen bedriegen, een begaafde schrijfster geworden zijn als zij was blijven leven. Op haar vierde jaar uit Duitsland hierheen gekomen, schreef zij tien jaar later reeds een benijdenswaardig zuiver en sober Nederlands en toont zij zo'n feilloos inzicht in de menselijke natuur -- haar eigen niet uitgezonderd -- dat het verbaasd zou hebben in een volwassene, laat staan in een kind. Maar zij toont evenzeer de oneindige mogelijkheden van diezelfde menselijke natuur, die in de humor, de deernis en de liefde gelegen zijn, waarover men zich misschien nog meer moet verwonderen en zelfs zou terugschrikken wanneer verwerping en aanvaarding niet tegelijk zo innig kinderlijk waren gebleven.

Dat dit meisje geroofd en gedood kon worden, is voor mij het bewijs dat wij de slag tegen het beest in de mens verloren hebben. En we hebben die verloren omdat we er niets positiefs tegenover hebben gesteld. En daarom zullen we hem wéér verliezen, in welke vorm de onmenselijkheid ons ook belagen mag, wanneer we niet in staat zijn er iets positiefs tegenover te stellen.

De belofte dat wij nooit vergeten en vergeven zullen, is niet voldoende. Het is zelfs niet voldoende die belofte te houden. Passieve en negatieve afweer is te weinig. Actieve en positieve 'totalitaire' democratie, politiek, sociaal, economisch en cultureel zal het enige redmiddel blijken: de opbouw van een maatschappij waarin het talent niet langer vernietigd, verdrukt en verdrongen, maar ontdekt, gekweekt en voortgeholpen wordt, waar het zich ook maar voordoet. En van die democratie zijn we met al onze goede bedoelingen nog even ver verwijderd als vóór de oorlog.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden