Plus

4 verzetsvrouwen die ten onrechte onbekend zijn gebleven

De rol van vrouwen in het verzet is jarenlang onderbelicht en onderschat gebleven, terwijl zij - net als mannen - onderduikers in huis namen en deelnamen aan gewapende overvallen en aanslagen. Op deze plek aandacht voor vier verschillende en (vrij) onbekend gebleven verzetsvrouwen.

Geertje Pel en Marion Swaab tijdens de oorlog Beeld Klaas Fopma

Ze wist heelhuids de streng bewaakte Maasbrug over te komen en de geheime informatie hoogstpersoonlijk aan prins Bernhard in het hoofdkwartier in Brussel over te dragen.

Loe de Jong, van 1945 tot 1979 historicus bij het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, besteedde nauwelijks aandacht aan de rol van vrouwen in het verzet in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog.

Volgens Marjan Schwegman, oud-directeur van het Niod, had hij een strenge definitie als het om verzet ging: het moest fulltime en georganiseerd zijn en in het geheim geschieden. Vrouwen die Joodse onderduikers in huis namen, vielen bij hem buiten beeld. Maar ook Frieda Belinfante, die samen met Gerrit van der Veen de overval op het Amsterdamse bevolkingsregister in maart 1943 voorbereidde, werd door hem niet genoemd.

Schwegman brak tijdens haar afscheid van het instituut in 2016 een lans voor de verzetsvrouwen. "Loe de Jong was een man van zijn tijd. Hij zag de rol van vrouwen niet. Ze waren slechts een voetnoot," zei ze.

Vrouwen speelden echter een grote rol. Waar de één Joodse mensen in huis verborg, onderduikadressen regelde en als koerierster illegale kranten of bonnen rondbracht, volgde de ander in Londen een militaire training voor geheim agent.

Sommige vrouwen, als Hannie Schaft en Miep Gies, werden bekend, anderen zijn slechts in kleine kring bekend of bleven na de oorlog liever in de luwte. 'Ze hadden gedaan wat ze moesten doen, maar lieten zich er na de oorlog zelden op voorstaan. Juist daarom verdienen ze ook extra aandacht,' schrijft Els Kloek in het liber amicorum 101 vrouwen en de oorlog, met portretten van verzetsvrouwen, dat zij samenstelde voor de vertrekkende Schwegman.

In het boek staan enkele citaten van de verzetsvrouwen: "Nooit heb ik een naam, adres of code op papier gehad. Alles zat in mijn hoofd," aldus geheim agente Jos Gemmeke. En: "De echte helden waren degenen die de Joden onderdak gaven. Soms zelfs met nazi's als buren," aldus verzetsvrouw Tina Strobos.

Velen verloren tijdens hun illegale werk het leven, en vaak hadden hun werkzaamheden een enorme impact op de rest van hun bestaan. De één was na de oorlog continu op reis en leefde 'uit een koffer', de ander kreeg een inzinking en leefde slechts enkele jaren na de bevrijding.

Het beeld over de rol van de vrouw in het verzet is aan het veranderen. Vrij onbekend gebleven verzetsvrouwen als Frieda Belinfante, Jacoba van Tongeren, Marie Anne Tellegen en Geertje Pel-Groot zijn onlangs biografisch vastgelegd.

In Amsterdam zijn al veel straten vernoemd naar verzetshelden, maar dat waren zelden vrouwen. De Commissie Naamgeving Openbare Ruimten ging enkele jaren geleden op zoek naar verzetsheldinnen. Vijf bruggen in Amsterdam-West zijn nu vernoemd, onder anderen naar Henriëtte Pimentel, de directeur van de Joodse crèche.

Jos Gemmeke, geheim agente

De in Amsterdam geboren Jos Gemmeke (1922-2010) was een lastige puber. In Den Haag, waar ze opgroeide, werd ze vanwege braniegedrag van het chique meisjeslyceum in Bezuidenhout gestuurd. Ze haalde haar einddiploma op de mavo.

Op de dag van de inval, op 10 mei 1940, sloot de 17-jarige zich zonder een spoor van twijfel aan bij het verzet. Els van Dalen werd haar schuilnaam. Ze hielp onderduikers, distribueerde bonkaarten, illegale kranten en wapens. "We lieten ons insluiten in het Vredespaleis in Den Haag en stencilden daar van vrijdagnacht tot maandagochtend Je Maintiendrai," vertelt ze in de uitzending van KRO Profiel in 2011.

Dwars door de frontlinie smokkelde Gemmeke microfilms, verstopt in haar schoudervullingen en poederdoos, met informatie over Duitse lanceerplaatsen. Een bevriende psychiater had haar geleerd hoe ze zenuwtics in haar gezicht kon nadoen. Duitse soldaten die haar aanhielden, vonden de vrouw met de tics zielig en lieten haar door.

Ze wist heelhuids de streng bewaakte Maasbrug over te komen en de geheime informatie hoogstpersoonlijk aan prins Bernhard in het hoofdkwartier in Brussel over te dragen. "Bang...? Dat stond niet in haar woordenboek," zegt een goede vriendin in de uitzending.

Ongelukkige landing
Gemmeke wilde naar Engeland, waar ze op voordracht van Bernhard een opleiding tot geheim agent kreeg. Haar codenaam werd Sphinx. Ze leerde over wapens, spionagetactieken en met een parachute uit een vliegtuig te springen. Haar pistool, een 762, heeft ze nooit nodig gehad.

In de nacht van 10 maart 1945 werd ze na een intensieve training bij Nieuwkoop uit een vliegtuig gedropt, met wapens, zenders en medicijnen. Als gevolg van het slechte weer maakte ze een ongelukkige landing in een sloot, waar ze blijvende rugklachten aan overhield.

Over de oorlog sprak ze niet en reünies van verzetslieden liet ze links liggen. Ze had geen zin, zei ze, in mensen die pas in het verzet gingen toen ze zagen dat de Duitsers aan het verliezen waren.

Alles uit het hoofd
In restaurants zat ze voortaan altijd met de rug naar de muur en met het gezicht naar het publiek, vertelt haar zoon Willem. Tijdens haar illegale werkzaamheden verloor ze nooit uit het oog dat ze voorzichtig te werk moest gaan. "De meeste arrestaties zijn veroorzaakt door loslippigheid en domheid. Nooit heb ik een naam, adres of code op papier gehad. Alles zat in mijn hoofd."

Gemmeke is naast koningin Wilhelmina de enige vrouw die de Militaire Willems-Orde kreeg voor haar moedige gedrag.

Op 88-jarige leeftijd overleed ze. In haar overlijdensadvertentie stond: 'Als het moest, zou ik het weer doen.'

Ze kreeg een militaire uitvaart, gepaard met ceremonieel eerbetoon en saluutschoten. Haar laatste wens was om haar as boven de Noordzee uit te laten strooien op de coördinaten: 3 graden, 6 minuten en 22 seconden, haar geboortedatum (3 juni 1922).

In het droppingsgebied bij Nieuwkoop is ze enkele jaren geleden geëerd met het Jos Gemmekepad.

Hanna van de Voort, kraamverzorgster

De ongehuwde Johanna van de Voort, beter bekend als 'tante' Hanna (1904-1956), werkte als kraamverzorgster toen de oorlog uitbrak. De dochter van een bakker annex café-restauranthouder in het Limburgse Tienray vormde een spil in een netwerk dat vanaf 1943 onderduikadressen in Noord-Limburg regelde voor Amsterdamse Joodse kinderen.

De kinderen, die uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg waren gesmokkeld, werden door de Amsterdamse studentenverzetsgroep van Piet Meerburg naar haar toegebracht. Ze gingen door voor 'Rotterdammertjes' - geëvacueerde weeskinderen uit het gebombardeerde Rotterdam - en kregen een schuilnaam en identiteitskaart. Van tevoren kreeg Van de Voort via de telefooncentrale in een hotel te horen hoeveel pakketjes 'surrogaatkoffie' (jongens) en 'surrogaatthee' (meisjes) in aantocht waren.

Samen met de bij haar familie ondergedoken student Nico Dohmen - 'oom Nico' - bracht ze 123 kinderen naar onderduikadressen. Vanuit haar beroep kende de 38-jarige Limburgse vele boerenfamilies in haar geboortestreek. Ze nam de kinderen eerst tijdelijk zelf in huis om ze te laten wennen aan de onderduiksituatie. De meesten gingen midden in de oorlog 'gewoon' naar school en naar de kerk.

Herinneringsalbum
Een controleur van de Landstand kwam erachter waar een deel van de Joodse kinderen verstopt zat. Bij een razzia in augustus 1944 werden gezinshoofden van de onderduikfamilies en verschillende kinderen opgepakt. Van de Voort werd ook gearresteerd. Dohmen wist te ontsnappen.

Van de Voort zat negen dagen gevangen in kamp Vught en werd verhoord en gemarteld. Ze hield vol dat ze 'Rotterdammertjes' had ondergebracht en kwam vrij. Een medicijnstudente die de kinderen vanuit Amsterdam begeleidde, wist haar vrij te praten, zo staat in het boek 101 vrouwen en de oorlog.

Haar zus Mien stelde na de oorlog een herinneringsalbum samen met foto's van vijftig Joodse kinderen tijdens hun onderduik in Limburg. De foto's waren gemaakt door de onderduikouders. Een tiental kinderen uit de groep heeft de oorlog niet overleefd; ze werden gedeporteerd en vermoord.

De destijds zevenjarige Zillie Bak is een van de door Hanna van de Voort geredde kinderen die de oorlog wel hebben overleefd - in tegenstelling tot haar ouders, die elders waren ondergebracht.

Zillie Bak zat een jaar bij de familie Beterams in Venray onder de schuilnaam Thea Maarschalkerweerd. De onderduikouders wilden het meisje graag bij zich houden, maar een oom van Zillie eiste haar op.

Yad Vashem
Lang heeft Zillie niet meer geleefd. Ze is in 1950 in Amsterdam bij een verkeersongeluk om het leven gekomen en ligt begraven in Muiderberg. Familie Beterams heeft nog regelmatig een bezoek gebracht aan het Joodse kerkhof in Muiderberg waar ze begraven ligt.

Van de Voorts gezondheid was ernstig aangetast door haar gevangenschap. In 1956 stierf ze, 52 jaar oud, tijdens een hartoperatie. In de jaren tachtig werd ze met de Yad Vashemonderscheiding geëerd.

Ter nagedachtenis aan Hanna van de Voort is een bronzen beeldengroep van drie schuilende kinderen in Tienray neergezet.

Geertje Pel-Groot, onderduikmoeder

Geertje Pel was een vrouw van principes. Wie A zegt, moet ook B zeggen, was haar motto. De doopsgezinde Zaanse verzetsstrijder ontleende veel steun aan haar geloof.

De familie Pel had een ouwelfabriek in Zaandam en het hele gezin, bestaande uit Geertje, haar echtgenoot Wijbrand en vier kinderen, hielp in drukke tijden mee de klussen rond te krijgen.

Toen de oorlog uitbrak, sloten Geertje (1889-1945) en haar man Wijbrand zich onmiddellijk aan bij een Zaanse groep die door Zaanse ondernemers verstrekte levensmiddelen en illegaal op de zwarte markt verkregen goederen verzamelde en naar gevangenen in kamp Westerbork zond.

In de loop van de oorlog nam de rol van de groep in het verzet toe. De kinderen Pel brachten illegale kranten en bonkaarten rond en sommige leden namen Joodse mensen in huis.

Het gezin Pel was een van hen. Toen een Amsterdamse Joodse klant van de ouwelfabriek en tevens goede vriendin van de familie aan Geertje vroeg of ze haar kleindochter, een baby'tje van enkele weken oud, in huis wilde nemen, aarzelde ze geen moment.

Foute agent
Het baby'tje, dat omgedoopt werd tot Mappie, kwam in de zomer van 1942 bij weduwe Geertje en haar vier kinderen te wonen - Geertjes man was kort daarvoor overleden. Het meisje, Marion Swaab, groeide er op, leerde er praten en speelde buiten.

Op een van de familiekiekjes is te zien hoe Mappie leerde lopen, terwijl Geertje haar nakeek.

In haar straat woonde helaas ook een foute politieagent. Deze Hendrik van der Kraan zag dat het kindje, met haar zwarte oogjes en donkere krullen, een Joods koppie kreeg. De agent, die zich later zou aansluiten bij de beruchte Colonne Henneicke, gaf Pel aan.

Twee keer wist ze via een list het kindje uit de handen van de Duitsers te redden - onder meer door een Duitser om te kopen. De derde reddingspoging strandde; Pel werd gesommeerd het kind naar de Sicherheitsdienst in de Amsterdamse Euterpestraat te brengen.

Met twee NSB'ers die op de uitkijk stonden en haar achtervolgden, ging ze naar de Zaandammerboot die haar naar Amsterdam zou brengen. Vlak voordat ze de boot opstapte, gaf ze het meisje vlug over aan haar oudste dochter Trijnie, die haar op de tocht vergezelde en met succes wist te ontkomen. Pel had besloten zich op te offeren en zich bij de SD aan te geven.

Het verzet had haar tevoren gewaarschuwd voor dit plan en vond dat ze moest onderduiken, met de baby, maar Pel wilde anderen niet in gevaar brengen.

Ravensbrück
Ze werd opgepakt en naar kamp Vught overgebracht. Vandaar kwam ze na Dolle Dinsdag in de hel van Ravensbrück terecht, waar ze twee maanden voor de bevrijding is omgebracht. Ze was 55 jaar oud.

Geertje was een 'gewone' burger die de moed had een Joods kind bij haar in huis te nemen, terwijl ze wist welk gevaar zij en haar familie liepen. Ze kreeg er postuum de Yad Vashemonderscheiding voor, evenals haar dochter Trijnie.

Voor Geertje Pel was het de gewoonste zaak van de wereld een leven te redden. Want wie een leven redt, redt de hele mensheid.

Marion Swaab heeft de oorlog overleefd.

Geertje Pels verhaal is opgetekend door Hanneloes Pen in Een Gegeven Leven, Atlas Contact, €19,99.

Violette Cornelius, fotografe

Op 14-jarige leeftijd kreeg de in Singapore geboren Violette Cornelius (1919-1998) haar eerste fototoestel: een Kodak klapcamera. Een kleine tien jaar later zou zij midden in de oorlog een beroemde fotoserie van het verzet maken.

Cornelius bracht haar jeugd grotendeels door in Genève. In 1938 kwam het gezin Cornelius in Den Haag terecht, waar familie van haar moeder woonde.

Cornelius wilde aanvankelijk schilder worden en studeerde korte tijd op de Haagse Academie van Beeldende Kunsten. Een half jaar later besloot ze verder te gaan op de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam, waar ze fotografielessen volgde van Paul Guermonprez.

Ze wilde na haar studie reizen maken naar het Verre Oosten en had haar plannen al klaarliggen, maar de oorlog gooide roet in het eten.

In de kunstenaarskringen waarin ze zich bewoog, was verzet tegen de Duitsers bijna vanzelfsprekend. Ook Cornelius sloot zich aan bij het kunstenaarsverzet en behoorde tot de kern van de Persoonsbewijzencentrale (PBC) onder leiding van Gerrit van der Veen, die op grote schaal persoonsbewijzen voor ondergedoken kunstenaars en verzetsmensen namaakte. Cornelius, getrouwd met concertpianist Jan Huckriede, maakte de foto's voor de persoonsbewijzen.

Bezettingsfoto's
Ook fotografeerde ze de verzetsleden van deze groep tijdens hun illegale werkzaamheden. De negatieven werden op een onbekende plek buiten de stad begraven - volgens bronnen in een tuin in Amsterdam-Noord.

Van der Veen en Cornelius' docent Guermonprez werden opgepakt toen zij samen met anderen in 1944 een overval pleegden op het huis van bewaring aan de Weteringschans om enkele aldaar opgesloten verzetsvrienden te bevrijden. Beiden zijn gefusilleerd in de duinen bij Overveen.

Cornelius sloot zich aan bij de verzetsgroep De Ondergedoken Camera, die de bezetting documenteerde en foto's doorgaf aan het verzet. Cornelius' fotoserie van de PBC-medewerkers is het enige bekende beeldmateriaal van actief ondergronds verzet.

Van de Persoonsbewijzencentrale overleefden alleen Cornelius en Guusje Rübsaam de oorlog. Dat trok een zware wissel op haar geestesgesteldheid. Ze leed aan diepe depressies en geheugenstoornissen en stond voortdurend bloot aan spanningen en rusteloosheid. Haar huwelijk liep enkele jaren na de oorlog op de klippen.

Rusteloos
Cornelius stortte zich op architectuurfotografie, maar zag meer in het fotograferen van mensen en maakte de overstap naar de reportagefotografie. Ze ging reizen naar onder meer Irak, India, Peru, Jemen en tal van Afrikaanse landen, waar ze de migratie naar stedelijke gebieden in beeld bracht.

Ruim dertig jaar leefde ze uit een koffer en in Nederland raakte ze in de vergetelheid. In geen enkele krant verscheen na haar dood in 1998 een in memoriam.

Flip Bool, voormalig hoofd collecties van het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, hield tot haar dood contact met haar. "Ze sprak zes talen, waaronder Arabisch, en had altijd mannen om zich heen. Ze was bloedmooi en zeer slim, maar ook eigenzinnig en lastig. Haar rusteloosheid had ongetwijfeld ook met haar oorlogsverleden te maken."

Haar koffers met foto's wist Bool veilig te stellen. In 1970 zijn haar verzetsfoto's heruitgegeven in een facsimile-uitgave van De Vrije Kunstenaar 1941-1945. Met de opbrengst is een monument van Gerrit van der Veen betaald.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden