Plus

3 overlevers over hun bijna-doodervaring: 'Er was geen pijn, geen angst'

Ze keken de dood in de ogen, waren op een andere plek, hoorden een stem en kwamen weer bij. Drie overlevers die hun bijna-doodervaring niet hadden willen missen.

Johan Nebbeling
Hajar Bouchdak Beeld Pim Ras
Hajar BouchdakBeeld Pim Ras

Eén op de vijf mensen die 'klinisch dood' zijn geweest en weer wakker werden, maakt melding van een bijna-doodervaring. Waar ter wereld ze ook wonen, in grote lijnen vertellen deze mensen hetzelfde fascinerende verhaal.

Ook al waren ze volgens officiële meetgegevens niet langer in ­leven - hun hart klopte niet meer, hun hersenactiviteit viel volledig weg - ze waren zich al die tijd bewust van hun omgeving.

Ze zeggen dat ze uit hun lichaam traden, dat ze zich in een tunnel van licht bevonden die hen naar 'gene zijde' voerde, en ze beschrijven zonder uitzondering een overweldigend gevoel van vrede, liefde en warmte.

Universeel is ook de onwil om terug te keren naar hun lichaam en ­leven, en een 'stem' die hen duidelijk maakt dat dat moet omdat ze nog een taak te vervullen hebben.

De meeste wetenschappers stellen dat een stervend brein deze hallucinaties produceert onder invloed van stress of medicijnen. Er zijn ook mensen, onder wie ­cardioloog Pim van Lommel, die in bijna-doodervaringen de aanwijzing zien dat leven en bewustzijn niet eindigen bij de dood.

Hoewel Van Lommels bestseller Eindeloos ­Bewustzijn alweer tien jaar oud is, zijn de lezingen die hij in binnen- en buitenland houdt standaard uitverkocht.

Volstrekte vreemde
De cardioloog hoorde in 1969 patiënten voor het eerst praten over een bijna-doodervaring. Voor die tijd overleden mensen met een hartstilstand vrijwel altijd. Door ­betere apparatuur en adequatere behandeling steeg het aantal overlevenden spectaculair.

Lange tijd deed Van Lommel de ervaringen die een aantal van zijn patiënten hem vertelden, af als onzin. Tot hij er eind jaren tachtig onderzoek naar ging doen.

Wat ook de betekenis is van een bijna-doodervaring: op de mensen die het overkomt, maakt de ervaring een diepe, levensveranderende indruk. Ze staan daarna anders in het leven en beschikken vaak over een sterk verhoogde gevoeligheid, de mogelijkheid om gebeurtenissen te voorspellen, en soms 'zien' ze overleden geliefden.

Mensen met een bijna-doodervaring veranderen daarna vaak zo sterk van levenshouding en karakter, dat hun partners het idee hebben een relatie te hebben met een volstrekte vreemde. Zeventig procent belandt in een scheiding.

Er wordt dus een hoge prijs ­betaald voor de 'metamorfose van rups naar vlinder' of de 'wedergeboorte', zoals geïnterviewden in dit artikel hun bijzondere ervaring noemen.

Hajar Bouchdak Beeld Pim Ras
Hajar BouchdakBeeld Pim Ras

Hajar Bouchdak (30) Nieuwegein. Interieuradviseur.

"Het was alsof ik zweefde, als een ballon. Ze reden me naar de operatiekamer en ik was al op de gang, toen ik mijn broer zag die over het wiegje van mijn pasgeboren dochtertje gebogen stond. Ik hoorde hem zeggen: "Ik zal jou beschermen."

Mijn broer is twee meter lang, een beer van een vent. Ik wist dat ze veilig was, wat er ook zou gebeuren. Dat gaf me vertrouwen. Toen werd ik aan dat draadje de lift ingezogen. Ik was pas achttien, wat weet je dan?

Omdat mijn zwangerschap moeilijk ­verliep, werd ik in het ziekenhuis opgenomen voor een keizersnee. Meteen na de geboorte ging het mis. Mijn baarmoeder wilde niet sluiten en ik bleef bloeden.

Uren zijn ze met me bezig ­geweest. Het deed vreselijke pijn. Tot ik wegviel. Ik heb alles gehoord en gezien. Van ­bovenaf. Mezelf zag ik niet, maar ik hoorde de verplegers op de operatiekamer praten over hun vakantie.

Hoe kunnen jullie nu over vakantie praten, dacht ik nog, ik lig hier dood te gaan. De plek waar ik was... daar heb ik geen woorden voor. Ik kan het niet anders omschrijven dan wolken vol liefde, in een warme, zachte kleur.

Er was geen pijn, geen angst. Het was er zo vredig, zo veilig, mooi en rustgevend. Ik was door en door gelukkig en wilde er blijven. Maar een stem, een heel prettige stem, zei: "Dat kan niet, het is nog geen tijd."

Ik voelde hoe ik met zachte hand werd teruggeduwd. Letterlijk. Het draadje werd teruggetrokken en ik kwam terug in mijn lichaam, in dat bed in dat ­kamertje. Met de pijn.

Ik vind het nog steeds moeilijk om over mijn ervaring te praten. Mensen begrijpen het niet. Ze denken dat ik het me heb verbeeld, of dat ik zo'n zweverig type ben. Maar ik ben juist erg nuchter, altijd geweest ook.

Alleen mijn moeder begrijpt me. Dat betekent veel voor me. Want deze ervaring is een deel van mij geworden, iets wat ik altijd bij me draag.

Ik heb me lang schuldig gevoeld. Tegenover mijn ouders, mijn broers en zusters, mijn vrienden en familie, maar vooral tegenover mijn dochter. Want ik was dáár en ik wilde niet terug, ook niet voor haar. Ik heb het daar soms nog moeilijk mee.

Wat ik heb meegemaakt, zie ik als een wedergeboorte. Ik sta totaal anders in het leven. Het materiële, carrière maken, dat zegt me niets meer. Ik weet me omringd door mensen die van me houden. Mijn kinderen, mijn familie, goede vrienden - dat is het enige wat nog telt.

Ik ben ook veel gevoeliger voor sferen en stemmingen. Ik voel aan wie mensen zijn en waar ze mee zitten. En ik wéét soms dingen voordat ze gebeuren. Maar dat hou ik liever voor me. Ik zie het zo: ik heb even door een raam kunnen kijken naar een andere, betere plek.

Begrijp me goed: ik geniet volop van het leven en ik wil nog lang niet sterven. Maar als het straks zover is, weet ik: er is geen enkele reden om bang te zijn voor de dood."

Rinus van Warven Beeld Pim Ras
Rinus van WarvenBeeld Pim Ras

Rinus van Warven (60) Kampen. Journalist, pastor, theatermaker en uitgever.

"Op een mooie lenteavond in april 1981 werd ik, lopend door de binnenstad, van achter aangereden door een automobilist met te veel drank op. De auto sleurde me tientallen meters mee.

Ik brak veel botten en mijn hele lichaam raakte ontveld, maar ik was bij bewustzijn. Ik leed vreselijke pijn, alsof ik zware brandwonden had. In de ambulance gaven ze me morfine en ik zakte weg in een coma.

Ik voelde hoe mijn ziel zich losmaakte van mijn ­lichaam en opsteeg. Hangend tegen het plafond van de ziekenauto zag ik hoe de verpleegkundigen me probeerden te reanimeren.

Ik dacht, met enig leedvermaak: moet je die sukkel daar zien liggen, die gaat sterven. Het deed me niets, ik was retekalm, want tegelijk ­bevond ik me in een soort tunnel, ­vervuld van rust, vrede en liefde.

Aan het eind was een vlies met daarachter een fel wit licht, daar werd ik naartoe getrokken. Ik wist: als ik mijn hand door dat vlies steek, ben ik aan gene zijde en kan ik niet meer terug.

Ik wilde daar heel graag naartoe. Tot een stem zei: 'Je moet terug.' Nee! Ik verzette me uit alle macht, maar ik werd met kracht ­teruggeslingerd in mijn lichaam en kwam bij bewustzijn.

Ik was niet blij. 'We dachten dat we u kwijt waren, maar u bent er weer,' zei de ambulancebroeder. Het kan alles bij ­elkaar niet meer dan een paar minuten hebben geduurd, maar voor mij duurde het uren.

Jarenlang sprak ik met niemand over deze ervaring. Ik drukte het weg. Tot ik in 1999 als radioverslaggever een ­interview had met cardioloog Pim van Lommel.

Hij vertelde over de ervaringen van zijn patiënten, en noemde ze bijna-doodervaringen. Het was zo ­herkenbaar dat ik begon te trillen. Toen het kwartje was gevallen, realiseerde ik me hoe die ervaring ook mij had veranderd.

Ik ben altijd al anders geweest dan anderen, gevoeliger. Maar sinds die ervaring ben ik - ik zeg het met schroom - paranormaal begaafd. Hoog intuïtief, kun je het ook noemen.

Ik voel de pijn van anderen, ik kan aan iemand zien of hij ziek is. En ja, ik kan ook dingen voorspellen. Maar daar sluit ik me voor af, zo wil ik niet leven.

Was het een teken van het oneindig ­bewustzijn, zoals Van Lommel zegt, een blik op gene zijde? Ik kan het niet duiden en ik heb er ook geen behoefte aan. Het volstaat dat ik dáár was, op die tijdloze plek vol licht en liefde.

Begenadigd voelde ik me altijd al. Ik schrijf, ik preek, ik maak muziek en sta in het theater: het is fantastisch als je dat mag doen. Door die ervaring voel ik me nog veel meer gezegend.

Ik heb iets gekregen waar ik niet om heb ­gevraagd, maar dat mijn wezen vervult. Een soort inzicht, een innerlijk weten. Ik leef met het besef dat het leven niet ophoudt na de dood. Een groter geschenk bestaat niet."

Lucia Prinsen Beeld Pim Ras
Lucia PrinsenBeeld Pim Ras

Lucia Prinsen (47) Giethoorn. Leeft van een uitkering.

"Een groot huis, een drukke baan, een mooie auto, een kind, een intensief ­sociaal leven, een partner: ik had het helemaal voor elkaar. Soms twijfelde ik. Is dit alles? dacht ik dan. Maar dat slikte ik weg. Niet zeuren.

Alles veranderde toen ik in augustus 2005 in het ziekenhuis lag om te bevallen van mijn tweede kind. Ik kreeg een verkeerd medicijn toegediend. Een grove fout die me bijna het leven kostte.

Ik zakte weg, maar ik zag alles: de ­paniek bij de artsen en verpleegkundigen, ik hoorde het wanhopige gevloek van de gynaecoloog. Mijn partner stond op de gang met een grauw gezicht. Dat hij niet bij me was, vond ik vreemd.

Intussen bevond ik me in een allesomvattende intens pure liefde, warmte en geborgenheid. Alles was licht en helder. Tegelijk was ik het middelpunt van een stille orkaan van rondrazende waarheden en tegenstrijdigheden.

Ik beleefde de essentie van het leven, ik begreep mezelf en de mensen om me heen. Naderhand kwamen twee woorden steeds naar voren: geduld en compassie.

En ik wist: wat er ook gebeurt, het klopt en het is goed. Ik kwam bij in een kapot lichaam. Gezond was ik in het ziekenhuis aangekomen, als een wrak kwam ik eruit. En met het besef dat je, blijkbaar, zomaar dood kunt gaan.

Niets ging meer vanzelf. Ik heb jaren moeten revalideren. Pas sinds een halfjaar is het lichamelijk beter met me. Over mijn ervaring kon ik met niemand praten. Niet met vrienden, niet met familie, niet met mijn partner. Ze begrepen mijn verhaal niet of hadden geen interesse.

De relatie met mijn partner werd steeds slechter, ook omdat ik zo veranderd was. Ik kon niets meer op de automatische piloot, mijn lijf werkte niet meer mee.

Bezit en status zeiden me niets meer. Voor mij draaide het om liefde, om zijn wie je bent. Ik kon me niet meer laten leiden door wat mijn hele leven mijn leidraad was geweest: me dienstbaar maken aan anderen.

Uiteindelijk ben ik weggegaan bij mijn partner. Geen makkelijke beslissing, want ik had behalve wat spaargeld geen middelen van bestaan. Werken kon ik niet meer, alimentatie kreeg ik evenmin.

Ik ben door een diep dal gegaan voor ik mijn leven weer op de rails had. Het was het allemaal waard. Vanuit een groot, onderliggend vertrouwen en innerlijke rust leef ik mijn leven nu zoals het komt, onafhankelijk van wat anderen denken of verwachten.

Ik geniet van mijn kinderen, die het levende voorbeeld zijn dat alles klopt. Ik verwonder me dagelijks over het leven en sta stil bij waar ik vroeger aan voorbijging. Angst voor de dood heb ik al helemaal niet meer.

Wederopstanding. Dat vind ik een mooi woord voor wat mij is overkomen. Want dat is precies wat het is. Er is een Lucia van vóór de bijna-doodervaring en een Lucia van erna. En ze zijn totaal verschillend. Als een rups die, eindelijk, een vlinder is geworden."

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden