PlusAchtergrond

150 jaar Rijksakademie: een gespreid bedje voor kunsttalent

De Rijksakademie, waarschijnlijk ergens in de jaren 10 van de vorige eeuw. Vlnr: hoogleraar Jan Bronner en studenten Helena Bastert en Jaap Kaas.Beeld H.M. Krabbé

Precies 150 jaar geleden besloot Koning Willem III tot de oprichting van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. Er is veel ruimte voor experiment, want kunstenaars kun je niet kweken.

Jaarlijks doen gemiddeld 1500 kunstenaars uit de hele wereld een poging om te worden toegelaten tot de Rijksakademie. Er zijn 23 plekken beschikbaar. Door een werkperiode op de Rijksakademie komt de carrière van veel kunstenaars in een stroomversnelling terecht. Ze vinden hun weg naar musea en biënnales. De open dagen in november trekken elk jaar duizenden bezoekers, onder wie veel verzamelaars, galeriehouders en museumdirecteuren die op zoek zijn naar talent.

De Rijksakademie is eigenlijk geen kunstacademie, maar een residency. Kunstenaars die al enkele jaren aan het werk zijn, kunnen er twee jaar een eigen atelier krijgen en gebruikmaken van de infrastructuur, zoals de gespecialiseerde werkplaatsen. Begeleiders, zelf bekende kunstenaars, komen vrijblijvend langs. Er kan veel, maar niets moet; de Rijksakademie stimuleert dat kunstenaars tijdens hun werkperiode veel experimenteren.

Toch begon de Rijksakademie als een klassieke academie. Cornelis Fock (1828-1910), minister van Binnenlandse Zaken en voormalig burgemeester van Amsterdam, had in 1868 genoeg van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, destijds de hoogste kunstopleiding van Nederland. Het was een hopeloos ouderwets instituut, waar het achterhaalde ideaal van de historieschilderkunst werd onderwezen. De academie had in de vijftig jaar van haar bestaan nauwelijks kunstenaars van naam afgeleverd.

De schilders van de Haagse School, die in de negentiende eeuw wél succesvol waren, hadden de fijne kneepjes van het vak geleerd in het atelier van een leermeester. Fock concludeerde dat de Koninklijke Academie kon worden opgeheven, om plaats te maken voor een systeem waarbij oudere kunstenaars hun jongere collega’s hielpen. Kunstenaars kun je niet kweken, hooguit de weg wijzen.

August Allebé

Een revolutionaire gedachte, maar na veel discussie kwam er toch een tamelijk traditionele academie, de Rijksakademie van Beeldende Kunsten, vanuit het idee dat een goed kunstklimaat een gunstige uitwerking op de economie zou hebben. Koning Willem III besloot op 26 mei 1870 tot de oprichting van het nieuwe instituut.

Er werd door studenten veel getekend, met prenten, gipsen afgietsels van klassieke beelden en naar levend modellen als voorbeeld. Daarnaast waren er theoretische vakken, zoals anatomie, kunstgeschiedenis en esthetica. Al snel dreigde de academie weer stoffig te worden, maar dat veranderde met de komst van August Allebé, zelf geen onverdienstelijk schilder, die in 1880 directeur werd. In zijn visie was veel ruimte voor praktische oefening en hij dwong de studenten niet in het keurslijf van een stroming. Ironisch genoeg werden zijn leerlingen wel aangeduid als de School van Allebé. Jonge kunstenaars die bij hem studeerden, waren George Hendrik Breitner, Isaac Israëls, Willem Witsen, Jan Toorop, Jan Sluijters, Leo Gestel en Piet Mondriaan.

Allebé voerde in 1884 de Prix de Rome in. De winnaar mocht een studiereis van vier jaar maken. Dat was meestal Rome, maar een winnaar mocht ook een andere bestemming in Europa kiezen.

Middeleeuwse gilde

Antoon Derkinderen, directeur van 1906 tot 1925, en diens opvolger Richard Roland Holst waren pleitbezorgers van de gemeenschapskunst. Hun ideaal was het middeleeuwse gilde, waar een leerling het vak leert van een meester. Kunst moest dienend zijn, niet autonoom. Er kwam een afdeling voor monumentale kunst. Het was de tijd van de Amsterdamse School in de architectuur, met veel glas in lood en bouwbeeldhouwkunst.

In de latere jaren raakte de Rijksakademie steeds meer verwijderd van de kunstwereld. Op de Rijksakademie werd tot ver in de jaren zeventig naar model, landschap of stilleven getekend en geschilderd, een praktijk die niet meer aansloot bij wat in de moderne kunst gebeurde.

Er gingen steeds meer stemmen op om de academie op te heffen. In 1985 ging het roer radicaal om. De Rijksakademie werd een ‘instituut voor praktijkstudie’. Lokalen waar klassikaal les werd gegeven, werden individuele ateliers.

In 1992 verliet de Rijksakademie het gebouw op de Stadhouderskade – daar zit nu het vergelijkbare instituut voor talentontwikkeling De Ateliers – en verhuisde naar de voormalige cavalerie­kazerne in de Sarphatistraat.

Emily Pethick, sinds twee jaar directeur van de Rijksakademie: “Het is interessant dat er in het verleden zoveel verschillende ideeën waren. Je ziet dat kunst de tijd volgt, en er zijn periodes geweest dat de Rijksakademie de vinger niet aan de pols van de tijd had. Er zijn ook momenten in het verleden geweest waarin men zich afvroeg: hoe kan kunst relevant zijn voor de maatschappij? Die periode met gemeenschapskunst vond ik heel interessant. Het was een tijd waarin gesproken werd over kunst in een sociale context. Ook nu denken we weer na over wat het betekent om kunst te maken.”

Nederlands klimaat

De kunstenaars konden de afgelopen maanden wel naar hun atelier, maar de werkplaatsen met specialisten waren beperkt toegankelijk. De technisch specialisten hebben daardoor zoveel mogelijk online adviezen gegeven.

Door de coronacrisis gaat de Rijksakademie iets doorvoeren wat al langer een wens was. De RijksakademieOpen werd altijd in november gehouden, maar dat wordt verschoven naar het voorjaar, in 2021 van 15 tot en met 18 april. Pethick: “We hebben een mooi gebouw, maar tijdens de open dagen in november kunnen we de buitenruimte maar beperkt gebruiken. Het is ook een andere tijd van het jaar. Er is meer energie, er gaat van alles open.”

De deelnemende kunstenaars arriveren normaal in januari en vertrekken na twee jaar in december. Dat omslagpunt verschuift naar de zomer. “Kunstenaars uit het zuidelijk halfrond worden hier nogal in het diepe gegooid wat het Nederlandse klimaat betreft. Als ze in de zomer aankomen, is dat waarschijnlijk prettiger.”

Het Amsterdam Art Weekend, dat altijd tegelijk met de RijksakademieOpen wordt georganiseerd, verhuist mee naar de data in april.

Festiviteiten

De festiviteiten rond het 150-jarig bestaan zijn door de coronacrisis veelal verplaatst naar volgend jaar. Zo zal een tentoonstelling worden georganiseerd in het Amsterdam Museum met historische werken uit de collectie van de Rijksakademie. Er is een artist-in-residencyprogramma van start gegaan, waarbij één kunstenaar een jaar lang in Artis kan wonen. Later dit jaar verschijnt een stadsplattegrond met wandelroutes langs 450 werken in de openbare ruimte van kunstenaars die op de Rijks­akademie hebben gezeten, met een toelichting van Hans Aarsman. Verder wil de Rijksakademie een programma opzetten om meer aansluiting te zoeken bij lokale instituten in de Plantagebuurt en in Oost.

‘Hechte gemeenschap’

Polina Medvedeva
(1989, Rusland/Nederland, 1ste jaar)

“De Rijksakademie is geen opleiding, maar een ruimte voor artistiek experiment; tegelijkertijd een snelkookpan en een heel beschermde omgeving. Het is een voorrecht om mooie, vrije uitwisselingen te hebben met advisors die al een tijd actief zijn in de kunst. Ook de gesprekken met andere residents zijn belangrijk. Zelfs in tijden van corona is dit een hechte gemeenschap waar veel kennis zit.”

Voordat Polina Medvedeva werd aangenomen aan de Rijksakademie, had ze al naam gemaakt met video’s waarin ze de ervaringen verwerkte van haar jeugd in het Rusland van de jaren 90 en haar komst naar Nederland in 2001. “Het is documentair werk over de weerstand tegen machtssystemen, de ruileconomie en zwarthandel, en de viering van de tegencultuur. Ik probeer nu abstracter te werken en me te bevrijden van traditionele documentaireformats en -regels. In mijn atelier heb ik tijd om te reflecteren, de juiste esthetiek te vinden en beter voor mezelf te formuleren wat mijn thema van informaliteit, het falen van maatschappelijke en bestuurlijke structuren, eigenlijk inhoudt.”

Polina MedvedevaBeeld David Djindjikhachvili

‘Alles waar je van droomt’

Özgür Kar
(1992, Turkije, 2de jaar)

“Toen ik na mijn bachelor onderzoek deed naar vervolgopleidingen, kwam ik erachter dat vrijwel alle hedendaagse kunstenaars die ik goed vind – in elk geval de Turkse – Rijksakademie op hun cv hadden staan. Het is misschien wel de beste opleiding in de wereld, en zeker binnen Europa. Hier krijg je alles waar je als beginnend kunstenaar van droomt: een eigen atelier, werkplaatsen voor alle mogelijke media, professionele begeleiding en financiële ondersteuning, waardoor je geen bijbaantjes hoeft te hebben en je je volledig kunt concentreren op je werk.”

Met het werk dat Özgür Kar tijdens zijn eerste Rijksakademiejaar maakte, de imposante video-installatie At the End of the Day, won hij de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs 2020.

“Hiervoor had ik geen atelierruimte en werkte ik alleen op de computer. Sinds ik Rijksakademieresident ben, is mijn werk ruimtelijker geworden. Dat geldt ook voor het werk waar ik nu aan werk, met stemmen en grote speakers. Het zit ergens tussen sculptuur en geluidskunst in.”

Edo Dijksterhuis

Özgür KarBeeld Adreas Kühne
 
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden