PlusAchtergrond

Wie mailde Nederlandse jihadisten? Een jihadist, of de AIVD?

Fragment van een IS-propagandafilm, waarin Abu Abdoellah al Faransi een van de beulen is die ­18 Syrische soldaten en een westerse gijzelaar executeren.

Wie was Abu Abdoellah al Faransi: een internationale jihadist of een Nederlandse geheim agent die online undercover ging? Het is een cruciale vraag in het grote terrorismeproces rond zes aanslagverdachten dat woensdag begint. ‘De AIVD is een grote black box.’

Het is 25 april 2018 als een e-mail in de inbox van Hardi N. uit Arnhem plopt. ‘Moge Allah je belonen en jij je standvastig tonen. We werken aan je verzoeken. Ik zal snel bericht krijgen over de kaarsen op de cake voor je feestje. Maak een nieuw mailadres aan voor deze gelegenheid. Moge Allah ons kracht geven.’

De e-mail is het begin van het einde voor een groep Nederlandse jihadisten die volgens justitie een aanslag wilde plegen in Nederland. Het bericht drijft hen naar een undercoveractie van de politie.

Maar welke wereld gaat achter de e-mail schuil? In een online schimmenspel van aliassen, jihadisten en geheim agenten draait het om de vragen: wie was Abu Abdoellah al Faransi, en zijn Hardi N. en zijn medeverdachten wel of niet uitgelokt?

Want op dezelfde dag dat Hardi N. mail krijgt, krijgt ook het Openbaar Ministerie een bericht. Van inlichtingendienst AIVD. In het zogenoemde ambtsbericht staat dat Hardi N., een al eerder veroordeelde jihadist, plannen aan het maken is voor een aanslag en op zoek is naar wapens daarvoor. Even later volgt het nieuwe e-mailadres waarop Hardi te bereiken zou zijn.

Vakantiehuisje in Weert

De politie zet razendsnel een grote undercoveractie op; een infiltrant legt via het nieuwe mailadres dat Hardi moest aanmaken contact met de Arnhemmer (‘Je verwachtte mijn bericht?’ schrijft de infiltrant). Daarna lopen Hardi en zijn medeverdachten met open ogen in de val.

Die klapt dicht op september 2018, nadat vier van de zes mannen in een vakantiehuisje in Weert hebben geoefend hoe ze moeten omgaan met bomvesten en kalasjnikovs. De wapens zijn nep, de leveranciers zijn politie-infiltranten en het huisje hangt vol met afluisterapparatuur en camera’s. Als de jihadisten het vakantiepark verlaten, worden ze opgepakt. Nog gloeiender erbij zijn kan bijna niet.

De undercoveractie van de politie is goed gedocumenteerd en uitgebreid beschreven in het strafdossier. Maar wat gebeurde er vóórdat de politie haar undercoveractie op poten zette? Hoe wist de AIVD waar Hardi mee bezig was? Van wie kwam die e-mail waarin de ‘kaarsen op de cake’ worden beloofd eigenlijk?

Op die vragen zijn niet zomaar antwoorden te vinden in de geheime wereld van inlichtingendiensten, maar het zijn wél belangrijke vragen. Het gaat immers over de bestrijding van terrorisme in Nederland, de middelen die inlichtingendienst AIVD daarin gebruikt en de vraag wie dat controleert.

De e-mail die in april 2018 in de mailbox van hoofdverdachte Hardi N. ploft, is van een kennis van ene Abu Hajar. Met beiden, maar vooral met Abu Hajar, heeft Hardi al een tijd online contact, in het echt heeft hij hen nooit gezien. Abu Hajar is iemand, stelt Hardi, die meerdere namen gebruikt. Hoe beter ze elkaar leren kennen, hoe meer ze elkaar toevertrouwen. Het is Abu Hajar geweest, stelt de verdediging van Hardi, die hem heeft ‘overgedragen’ aan de politie-infiltranten.

FBI-document

Maar wie was Abu Hajar echt? In het dikke dossier van de Arnhemzaak zit ook een document van de Amerikaanse politiedienst FBI. Daarop staat de naam van Abu Hajar. De Amerikanen hebben die naam gesignaleerd op sociale media en vonden zijn onlinegedrag blijkbaar gevaarlijk genoeg om door te geven aan de Nederlanders. Abu Hajar, stelt de FBI, is een alias van een persoon die zich Abu Abdoellah al Faransi noemt.

Dat is opmerkelijk. Want Abu Abdoellah al Faransi is ook de naam van een beruchte Franse jihadist die eind 2014 een gruwelijke rol speelde in een IS-video waarin achttien Syrische soldaten werden geëxecuteerd en een westerse gijzelaar werd onthoofd. Die Fransman zou in de zomer van 2017 om het leven zijn gekomen. Hard bewijs daarvan is er overigens niet. Op de FBI-lijst staat dat Al Faransi gebruikmaakt van een stuk of zeven aliassen. Naast Abu Hajar is dat ook de naam Moncif Shuh.

De naar verluidt in 2017 omgekomen Franse jihadist Abu Abdoellah al Faransi op een IS-propagandefilm uit 2014.

Daar wordt het verhaal nog opmerkelijker, want die naam, Moncif Shuh, speelt uitgerekend een cruciale rol in een andere geruchtmakende Nederlandse terrorismezaak die in dezelfde periode speelt. In juni 2018 worden in Rotterdam twee Marokkaanse mannen opgepakt op verdenking van het voorbereiden van een aanslag. De twee hebben onder meer foto’s gemaakt van een politiebureau in Rotterdam en een nasheed (door justitie gezien als een afscheidslied) opgenomen op de Erasmusbrug in die stad. Het politieonderzoek begint, net zoals de Arnhemse zaak, met een ambtsbericht van inlichtingendienst AIVD.

Ook deze Moncif Shuh benaderde een van de Marokkaanse verdachten via Facebook en deed zich voor als iemand met veel kennis van de islam. Maar waar de FBI de naam linkt aan Al Faransi (een strijdnaam doorgaans gebruikt door Fransen), blijkt uit het dossier dat waarschijnlijk een Nederlander achter hem schuilgaat: het verificatienummer van het account begint met 06, soms gebruikt hij het woord okee in plaats van okay of moeder in plaats van mother.

Er is nog een belangrijke overeenkomst tussen beide zaken: de beide hoofdverdachten stellen te zijn uitgelokt, in het ene geval door Abu Hajar, in het andere geval door Moncif Shuh.

Hardi N., de hoofdverdachte in de Arnhemzaak stelt: “Abu Hajar was professioneel, wist precies waar ik zwak was en heeft een zaadje in mijn hart geplant.”

Activerend bezig

Hardi stelt ook: “Abu Hajar bleef pushen dat er meer mensen bij de groep moesten komen, ook toen ik al contact had met de politie-infiltranten.” Tamara Buruma, advocate van de Marokkaanse hoofdverdachte in de andere zaak, zegt het zo: “Moncif Shuh was best activerend bezig, ik heb teksten op Facebook gezien waarvoor andere mensen misschien vervolgd zouden worden.”

Het zijn ook Buruma en haar collega Serge Weening, advocaat van Hardi N., die ontdekken dat mogelijk dezelfde persoon een rol speelt in twee grote terrorismezaken. Beide advocaten hebben een cliënt in beide zaken. Weening: “Tamara had het op een gegeven moment over die Moncif Shuh; toen dacht ik: die naam heb ik vaker gelezen.” Als ze de dossiers van beide zaken verder doorwerken, raken ze er steeds meer van overtuigd dat het in beide gevallen om een AIVD-actie gaat. Maar pogingen om die dienst te mogen horen in de rechtbank, worden door de rechters niet gehonoreerd.

De naar verluidt in 2017 omgekomen Franse jihadist Abu Abdoellah al Faransi op een IS-propagandefilm uit 2014.

Dus wie is nu Abu Abdoellah al Faransi? Een internationale jihadist die toch niet dood is of een ambtenaar achter een bureau in het AIVD-hoofdkantoor die dezelfde naam gebruikt?

In de zaak tegen de twee Marokkaanse verdachten heeft de politie geprobeerd te achterhalen wie achter de alias Moncif Shuh zat. Het spoor liep dood in Hongarije, op anonieme gegevens van een computerserver.

Het Openbaar Ministerie wil, voor het begin van de zitting, niet zeggen of het een poging heeft gewaagd te achterhalen wie achter de namen Abu Hajar of Abu Abdoellah al Faransi schuilging. Ook wil het niet verder ingaan op het FBI-document in het dossier. De AIVD zelf zegt, zoals gebruikelijk, niets over zijn mogelijke activiteiten.

Meer openheid

“De AIVD is vaak een black box in het strafproces,” stelt Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht aan de Open Universiteit. Hij deed onderzoek naar het gebruik van AIVD-informatie in strafprocessen. “De inlichtingendienst heeft de wettelijke plicht om niets te zeggen over de inzet van informanten en agenten. Maar er zou soms meer openheid kunnen en moeten zijn. Een AIVD-medewerker kan als afgeschermde getuige worden gehoord, maar in de ene terrorismezaak waarin het gerechtshof Amsterdam dat jaren geleden toestond, heeft de AIVD geweigerd.” Uitlokking, of het vermoeden ervan, is een serieuze zaak, stelt Brinkhoff. “Het Openbaar Ministerie kan er zelfs niet-ontvankelijk door worden verklaard.”

Volgens de Arnhemse hoofdverdachte Hardi N. is hij uitgelokt. Het zou te zien zijn in berichten die hij via zijn telefoon uitwisselde met Abu Hajar, de vermeende AIVD-agent. In eerdere pro-formazittingen stelde justitie dat ze het apparaat nog aan het onderzoeken zou zijn, maar die telefoon is de politie kwijtgeraakt, zegt zijn advocaat Weening nu. “Tijdens een verhuizing. Dat vind ik gek. Maar als je er vragen over stelt, word je neergezet als een complotgekkie.”

Ook hierop wil justitie niet reageren. Officier van justitie Ferry van Veghel zei tijdens een eerdere pro-formazitting wel, toen het kwijtraken van de telefoon nog niet bekend was: “De verdediging werpt stofwolken op. Er is werkelijk geen snipper in dit dossier die wijst op uitlokking.”

Maar dat er geen snipper is, is precies het probleem, stelt de verdediging. Advocaat Buruma: “De undercoveractie van de politie is uitvoerig gedocumenteerd. Maar wat daarvóór is gebeurd niet. Als er geen sprake van uitlokking was, laat ons dan zien wat er precies is gezegd.”

Het proces tegen de zes verdachten begint woensdag, er zijn elf zittingsdagen ingepland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden