Plus Klapstoel

Voorzitter Auschwitz Comité Jacques Grishaver: ‘Het is ze niet gelukt, we zijn er nog’

Jacques Grishaver (1942) is voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité en initiatiefnemer van het Namenmonument. Deze week bepaalde de rechter dat het gebouwd mag worden aan het Weesperplantsoen.

Jacques Grishaver op de Klapstoel Beeld Harmen De Jong

Amsterdam-Oost

“Ik ben geboren in het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis op de Nieuwe Keizersgracht. Het was een zware winter; mijn vader heeft voor mijn moeder een looppaadje door de sneeuw gemaakt vanaf de taxi naar de ingang. Hij was rijwielhersteller, mijn moeder naaister. We woonden in de ’s-Gravesandestraat, tegenover Hotel Arena. Dat was nog een klooster. Als jongetjes klommen we over het hek om te gluren naar de novieten. Mijn ouders kwamen uit de Transvaalbuurt, van het Krugerplein, op zoek naar een groter huis. We hadden een badcel, dat was pure luxe in die tijd.”

Onderduik

“Toen ik een jaar oud was ben ik met mijn opa, de vader van mijn vader, terechtgekomen in de Linnaeusdwarsstraat. Dat is nu een yuppenstraat, maar vroeger noemden ze het het Schillenboerenstraatje. We zaten ondergedoken bij een niet-Joodse vrouw, met drie buitenechtelijke kinderen van een oom van mijn moeder. Het viel niet op als ik erbij kwam. Later konden we weer thuis wonen, omdat mijn vader illegaal een hervormd doopsbewijs had kunnen bemachtigen.”

“Ik kan mij de bevrijding herinneren: dat de mensen dansten en op de Andreas Bonnstraat vrouwen kaal werden geschoren. In mijn hoofd zit het beeld dat ik in een kast opgesloten zat met mijn vader, die een hand voor mijn mond hield, omdat de Duitsers Joden aan het zoeken waren. Of het echt is gebeurd weet ik niet, maar het is na de oorlog naar boven gekomen, toen ik een kast van de Ikea in elkaar zette. Ik begon opeens te zweten en te stinken, terwijl ik nooit transpireer. Het was pure doodsangst.”

Hollandsche Schouwburg

“Daar zat mijn familie opgesloten: mijn grootouders, mijn vader en moeder en haar twee jongste zussen. Twee andere zussen waren al afgevoerd naar Auschwitz. De vijfde zus was ­gemengd gehuwd en sprak vloeiend Duits, dus die had weinig problemen. Mijn ouders zijn via de tuin aan de achterkant ­bevrijd door Jacques van der Kar, een Joodse verzetsstrijder en een vriend van mijn opa. Die zei tegen hem: haal mijn dochter en schoonzoon er maar uit, want die hebben nog een kleintje. Dat was mijn ­geluk. De rest van de familie heeft de oorlog niet overleefd. Alles is weg.”

Loes

“We zijn 54 jaar getrouwd. We kenden elkaar van dansschool Wim van Beek in de Sarphatistraat. Altijd als ik een moeilijk moment had, heeft zij mij opgeraapt. Ik ben flink ziek geweest, de eerste keer vlak na ons huwelijk. Ik wilde niet meer leven. Maar toen ze zwanger was, zat ze ’s nachts naast mijn bed met haar dikke buik. Na de geboorte van onze dochter ben ik opgeknapt. Weet je wat het is: thuis ging het altijd over de oorlog. Altijd. Al heel jong heb ik mij verborgen, dan trok ik mij met een boek terug in mijn kamer. Ik heb nog een broer en een zus, die zijn er echt aan onderdoor gegaan. Ik niet, ik had Loes.”

Kleinkinderen

“Ik heb een dochter en een zoon en vier kleinkinderen. De oudste is net klaar met het gymnasium en gaat Nyenrode doen. Hij is heel erg geïnteresseerd in de oorlog en in de familie­geschiedenis. Hij heeft er op school werkstukken over geschreven. Een ander schuift het weg. Er is één keer een tijd geweest dat ze me dood konden maken, maar dat is ze niet gelukt. We hebben niet verloren. We zijn er nog.”

Kapper

“Via Werkspoor, waar mijn vader was gaan werken als machinebankwerker, kon ik een studiebeurs krijgen om waterbouwkundig ingenieur te worden. Maar ik wilde weg, de wijde wereld in. Via via kwam ik terecht bij een kapsalon op zo’n groot passagiersschip. Ik had nog nooit ­iemand geknipt, maar ik had het snel onder de knie. Ik zat op de ms Oranje van de Stoomvaartmaatschappij Nederland. Het was fantastisch, maar op een gegeven moment dacht ik: als ik nu nog langer blijf, kom ik nooit meer van die boot af. Alles was geregeld, je kon lekker eten, ’s middags lag je aan dek in het zonnetje. Ik ben ermee gestopt. Mijn laatste reisje was het feest van koningin Juliana en Bernhard voor hun ­25-jarig huwelijk.”

Loe Lap

“Die was na de oorlog een handeltje begonnen in dumpgoederen van het leger. Mijn zusje was met een neefje van Maup Caransa, het eerste compleet Joodse koppeltje dat na de oorlog was getrouwd. Ze dachten: goed idee, wij gaan ook een Loe Lapwinkeltje beginnen in Arnhem. Dat liep zo goed dat Loes en ik in 1970 een dumpstore openden in de Eerste Van Swindenstraat. Een gouden handel. Ik heb vooral veel geld verdiend in de tijd van de Vietnamoorlog. Iedereen moest een legerjekkie en zo’n legertas, een pukkeltje. Ik heb toen ook mijn vliegbrevet gehaald. Vloog ik met vrienden op zondagochtend naar Londen om koffie te drinken.”

Daniel Libeskind

“De wereldberoemde architect. Hij is vlak na de oorlog geboren in Polen, zijn ouders kwamen uit de kampen. In 2011 kwam hij naar Amsterdam om de Nooit Meer Auschwitz Lezing te houden. Ik haalde hem en zijn vrouw van het Centraal Station. Wij zijn ongeveer dezelfde types: niet zo groot, een beetje dikkig en bijna net zo oud. We vroegen ons af hoe we ervoor konden zorgen dat er niet wordt vergeten. Ik vertelde hem over ons plan voor een Namenmonument. Hij zei onmiddellijk dat hij dat wilde maken. Ik zei: ‘Maar voor jou heb ik geen geld.’ Waarop hij zei: ‘Heb je mij over geld horen praten?’ Het is prachtig: hij en zijn vrouw hebben het hele pad met ons meegelopen.”

Jan Wolkers

“Een vriend van het Auschwitz Comité en de maker van het spiegelmonument in het Wertheimpark. Ik ben met het Comité nog lekker ­wezen eten bij hem op Texel. Heerlijk: zalm. Hij kookte zelf voor ons. We hadden bedacht dat het Namenmonument achter het monument van Wolkers zou komen, bij wijze van verdieping. Dat had Libeskind prachtig bedacht. Hij had echter ook voorgesteld om de spiegels aan één kant twee centimeter op te hogen, zodat het regenwater ervan af kon stromen. Daar begon het misverstand met Karina Wolkers, de weduwe van Jan. Die dacht dat we de spiegelplaten helemaal rechtop wilden zetten.”

“We hebben er een clash over gehad, maar dat is helemaal over. We zitten nu op het Weesperplantsoen. Eigenlijk is dat een betere plek, tussen de synagoge, de Dokwerker en het Joods Historisch Museum in. Het mooie is ook: in het nieuwe ontwerp staan de namen niet in een betonnen muur, maar krijgt iedereen zijn eigen steen. Als er eentje breekt, wordt die niet weggegooid, want het is een grafsteen.”

Auschwitz Comité

“In januari 2023 ben ik 25 jaar voorzitter. Dat is een mooi moment om afscheid te nemen, maar ik wacht in elk geval tot het Namenmonument er staat. Het Comité is een instituut geworden. We zijn een nationale herdenking, de jaarlijkse lezing staat als een huis. We zijn de laatste jaren alleen wel eens tekortgeschoten. We waren zo druk bezig met het monument dat we soms vergaten in protest te komen tegen opkomend ­antisemitisme.”

Zoni Weisz

“Een erudiete man. En een goede vriend. Hij is bij het Auschwitz Comité gehaald door Max Arian, oud-journalist van de Groene Amsterdammer. Die maakte zich druk over de Sinti en Roma, die hetzelfde hebben meegemaakt als de Joden. Zoni stond in Assen op het perron en zag zijn vader, zijn moeder en zijn broertjes en zusjes met de trein wegrijden. Hij heeft ze nooit meer gezien. Ik was net voorzitter van het Comité toen hij erbij kwam. Niet iedereen was er blij mee. In die tijd hadden we het nog over zigeuners. Ik was gids op de eerste reis van de Sinti en Roma naar Auschwitz. Toen heb ik gezien hoe het is om gediscrimineerd te worden. We gingen een restaurant binnen en de hele zaak liep leeg. Ik moest bij de kassa gaan staan, omdat ze er niet op vertrouwden dat iedereen zou afrekenen. Dat is pas tien jaar geleden.”

Burgemeester

“Femke Halsema was na de uitspraak van de rechter de eerste die mij belde. Een dag later liet ze bloemen bezorgen. Er hebben zich heel wat burgemeesters met het monument bezig ­gehouden. Job Cohen wilde het niet. Die vond de wand met Joodse familienamen in de Hollandsche Schouwburg wel genoeg. Hij is een man die dingen al snel overdreven vindt. Eberhard van der Laan was onze steunpilaar. Een rechtschapen man, zijn hele familie zat in het verzet. Hij is bij mij thuis geweest. Als burgemeester kwam hij in die grote auto van hem voorrijden bij een vergadering van het Comité. Alle buren stonden te kijken. Maar hij heeft het te snel willen doen, hij heeft steken laten vallen in het proces. Daar hebben we van geleerd.”

Nikolai Nerling

“Ik werd benaderd door iemand die zei dat hij van de stadszender in Berlijn was. Het was een heel aardige kerel. Hij vroeg me: moeten we de Duitsers niet vergeven? Ik zei: de jonge Duitsers reik ik een hand, maar de oude Duitsers hoeven we niet te vergeven. Een paar weken later hoorde ik dat hij een neonazi was, die zich Der Volkslehrer noemde. Op een filmpje toonde hij de Hollandsche Schouwburg, het Holocaust Museum, het Spiegelmonument, de Portugese Synagoge, het Joods Historisch Museum, het Anne Frank Huis en Anne Frankmonument om bij mij te eindigen: hebben de Joden nog niet genoeg? Het geeft maar aan dat wij nog steeds hard nodig zijn.”

Maarten Ducrot

“Een wielrenner? Sorry, ik ken hem niet. Ik heb meer met voetbal.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden