PlusNieuws

Voor het eerst sinds 1931 worden automobilisten gematst met een accijnsverlaging

De verlaging van de accijns op benzine en diesel, die vrijdag ingaat, mag gerust een unicum worden genoemd. Sinds de introductie van de belasting op brandstof in 1931 ging deze altijd omhoog, met als bekendste voorbeeld het ‘kwartje van Kok’.

David Bremmer
Archieffoto van het pompstation aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam (30 juli 1963). Beeld Hugo van Gelderen / Stadsarchief Amsterdam
Archieffoto van het pompstation aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam (30 juli 1963).Beeld Hugo van Gelderen / Stadsarchief Amsterdam

Als automobilisten vrijdag ontwaken, is het even alsof we weer in 2004 leven. Toen hief de overheid evenveel accijns op benzine als nu: 65 cent op een liter euro 95. Dieselrijders zijn terug op het accijnsniveau van 2009. Daar houdt de vergelijking overigens wel op, want de pompprijzen liggen nu minstens een euro hoger.

Een substantiële accijnsverlaging – 17 cent op benzine en 11 cent op diesel – kwam niet eerder voor, bevestigt het ministerie van Financiën. Nooit werden automobilisten gematst, op zijn best werden ze gespaard door niet te indexeren. Het kabinet-Balkenende II hield de accijnzen in 2006 gelijk, nadat de brandstofprijzen fors waren gestegen.

Socialistische inslag

Onderzoeker Maarten Smaalders – in 2012 schreef hij een proefschrift over de politieke strijd rond autobelastingen – weet wel waarom accijnzen alleen maar stijgen. ‘‘Dat is mede doordat de kabinetten uit de jaren 60 en 70 veelal een socialistische inslag kenden. Om de welvaartsstaat met alle sociale voorzieningen te betalen is véél geld nodig.”

De onderzoeker legt uit hoe de benzineaccijns in 1931 de derde belasting op automobiliteit vormde. Die begon in 1909 met een weeldebelasting op motorvoertuigen, de heffing geschiedde op basis van het aantal paardenkrachten. In 1926 volgde de wegenbelasting en vijf jaar later dus de accijns op brandstof.

Belangrijke aanleiding is de Grote Depressie, het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck III (1929-1933) had dringend inkomsten nodig. Een echte accijns was het overigens nog niet, de ‘Benzinewet 1931’ spreekt van ‘een bijzonder invoerrecht op benzine’.

Meteen onmisbaar

Hoewel er begin jaren dertig slechts 80.000 auto's in Nederland rondreden, bleek de belasting meteen onmisbaar. De eerste jaren bracht deze 32 miljoen gulden in het laatje, een bedrag dat gelijkstaat aan een kleine 336 miljoen euro nu. Het was al snel genoeg reden om de belasting te verlengen tot 1944. ‘‘Het zal wel geen betoog behoeven dat de schatkist voor zoover thans is te voorzien, in de eerste jaren de opbrengst van meer dan fl 32.000.000 niet kan missen,” citeert Het Leidsch Dagblad op 6 juli 1938 de Memorie van Toelichting.

De decennia erna blijft de benzineaccijns een centrale pijler van de autobelastingen. Zelfs als de olieprijzen in 1973 door de oliecrisis verviervoudigen, met hoge pompprijzen als gevolg, verlaagt het kabinet Den Uyl de brandstofaccijnzen niet. Alleen de komst van ongelode en zwavelarme benzine leidde rond de eeuwwisseling tot een zeer minimale, kortdurende verlaging.

Inmiddels hengelt de overheid jaarlijks circa 8,5 miljard euro (2019) aan brandstofaccijnzen binnen. Tijdens afgelopen twee coronajaren lag dat bedrag overigens lager. Protesten zijn er zelden geweest, hoogstens gemor. ‘‘Nederlanders zijn gewend aan hoge belastingen en betalen trouw,” verklaart Smaalders. Hij wijst op Amerika, waar belastingen een vloek zijn. ‘‘Benzine is er mede om die reden niet duur.” We krijgen bovendien wat terug voor die torenhoge accijnzen. ‘‘Vergelijk onze wegen eens met die in de VS.”

Kwartje van Kok

Eén accijnsverhoging is wel berucht: het befaamde ‘kwartje van Kok’. De verhoging die op 6 juli 1991 inging, maakte deel uit van de forse bezuinigingen van het derde kabinet Lubbers. ‘‘Nederlanders hebben veelvuldig geklaagd over het kwartje,” weet Smaalders. ‘‘Politici als Geert Wilders gebruiken het al jaren als voorbeeld van hoe automobilisten worden uitgeknepen.”

Opmerkelijk genoeg is Kok’s kwartje geen echt kwartje. De verhoging bedroeg ‘slechts’ 18,3 guldencent, of 8,3 eurocent. De dieselaccijns steeg 7 cent (3,18 eurocent). Minder gaan rijden zijn we echter niet door het kwartje van Kok, en ook niet door andere autobelastingen. Smaalders is benieuwd wat de accijnsverlaging betekent voor het rijgedrag. ‘‘Dit is een zeer interessante proeftuin.”

Hoewel de accijnzen in absolute zin steeds omhoog zijn gegaan, zijn ze in relatieve zin al lang niet gestegen. Het aandeel van de benzineprijs dat naar de overheid gaat, ligt al sinds het kwartje van Kok rond de 70 procent. Door de accijnsverlaging en de gestegen olieprijzen daalt dit naar 60 procent.

Autobelastingen-expert Smaalders is benieuwd of de accijnsverlaging tijdelijk blijft en de discussie over de kilometerheffing versnelt. Of beter, een tweede kilometerheffing. ‘‘In feite is de accijns namelijk een belasting op gebruik. Hoe meer je rijdt, hoe meer je afdraagt. En met een dikke Jaguar betaal je weer meer dan in een zuinige Toyota Yaris.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden