Utrechtse tramschutter radicaliseerde al voor de aanslag, maar niemand greep in

Politie en justitie hebben onvoldoende aandacht gehad voor de vele problemen die tramschutter Gökmen Tanis had. Voor zijn aanslag op de Utrechtse tram hebben zij zijn problematiek niet goed met elkaar besproken en aangepakt. Ze hadden daarmee de risico’s voor de samenleving kunnen verkleinen.

Bij de tramaanslag kwamen vier mensen om het leven.  Beeld Arie Kievit
Bij de tramaanslag kwamen vier mensen om het leven.Beeld Arie Kievit

Deze conclusies trekt de Inspectie Justitie en Veiligheid in haar vandaag verschenen rapport over de terroristische aanslag op 18 maart 2019. Gökmen Tanis schoot op die dag bij de aanslag op het 24 Oktoberplein in Utrecht vier mensen dood, twee anderen raakten zwaargewond. Hij werd dezelfde dag nog opgepakt en zit nu een levenslange celstraf uit.

Kort na de aanslag werd al bekend dat Tanis drie weken voor zijn fatale daad een cipier mishandelde in de gevangenis in Lelystad. Hij kreeg daarvoor een ‘disciplinaire straf’, maar werd enkele dagen later toch vrijgelaten. Minister Grapperhaus kondigde daarop een onderzoek aan naar mogelijk eerdere signalen van radicalisering van Tanis.

Dat onderzoek is nu gereed. Daaruit blijkt dat overheidsdiensten onvoldoende samenwerkten om signalen over radicalisering van Tanis niet aan elkaar doorgaven. Tanis zat een aantal keer, telkens voor een korte duur, in de gevangenis voordat hij de aanslag pleegde.

Vuurwapengevaarlijk

Hij was onder meer veroordeeld voor vuurwapenbezit, kreeg in 2013 van de politie de kwalificatie vuurwapengevaarlijk, vertoonde in 2016 en in 2017 in de gevangenis radicaal gedrag, bleek daar meerdere keren agressief (waaronder in 2019) en was zowel in 2014 als in 2018 aangemerkt als een criminele veelpleger (iemand die zijn problemen met de samenleving vertaalt in veelvuldig crimineel gedrag).

Het Openbaar Ministerie (OM), de politie en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) kenden elk een ander deel van zijn problematiek. Maar zij gaven hun informatie slechts beperkt door waardoor er geen compleet beeld was.

De informatie werd in ieder geval niet gedeeld met de gemeente Utrecht of de reclassering. Delen met hen was logisch geweest omdat de gemeente en de reclassering hem na zijn gevangenschap moesten helpen bij zijn terugkeer in de samenleving. Zijn gedrag werd hierdoor ook niet besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis waar de partijen met elkaar samenwerken.

Zorgmijder

Doorgeven van die informatie had het beeld van zijn vele problemen en de aanpak ervan mogelijk completer gemaakt. De gemeente kende hem immers als zorgmijder.

Daarmee zegt de Inspectie Justitie en Veiligheid niet dat de aanslag voorkomen had kunnen worden. Risico’s zijn nooit uit te sluiten maar ze moeten wel zo klein mogelijk worden gemaakt. Dat hebben politie, OM en DJI hier onvoldoende gedaan.

De inspectie concludeert ook dat op de dag van de aanslag de crisisorganisaties niet goed samenwerkten. Relevante opsporingsinformatie werd te laat gedeeld. Was dat op tijd gebeurd, dan had onder meer de gemeente Utrecht haar inwoners mogelijk eerder en duidelijker kunnen adviseren.

‘Extreem geweld zoals dat van tramschutter niet te voorkomen’

Extreem geweld zoals de tramaanslag in Utrecht, is niet te voorkomen. Maar de politie belooft samen met het Openbaar Ministerie en de gemeente alles op alles te zetten om het risico voor een volgende keer zo klein mogelijk te houden. “Dat verdient onze maximale, gezamenlijke inzet,” zegt Johan van Renswoude, hoofd operatiën eenheid Midden-Nederland in een reactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over de tramaanslag in Utrecht.

De inspectie benadrukt in haar rapport dat het delen van informatie bij mensen met complexe, diverse problemen van groot belang is. De politie onderschrijft dat. Vooral partijen uit de strafrechtketen moeten beter samen overleggen, maar vaak merken ook andere, lokale instanties op dat iemand zich anders gaat gedragen. Iemand komt bijvoorbeeld in contact met de gemeente, zorginstellingen, schuldhulpverlening of GGZ.

“Het is cruciaal om een zo compleet mogelijk beeld van iemand te krijgen. Daarbij is de aansluiting tussen strafrecht, zorg en sociaal domein steeds belangrijker geworden. Als politie krijgen wij steeds vaker te maken met mensen die strafbare feiten plegen, maar ook hulp of zorg nodig hebben. Net als in het geval van T. gaat het vaak om mensen die de zorg zoveel mogelijk mijden. Voor de aanpak van die complexe, multi-problematiek is alleen strafrecht niet de oplossing.”

Ook bij het vroegtijdig herkennen van signalen van radicalisering bij mensen die vastzitten, is het delen van informatie tussen betrokken partijen van groot belang, zo onderstreept de inspectie in haar analyse. De politie erkent dit. Het uitwisselen van informatie over radicalisering staat inmiddels in de statuten van de Dienst Justitiële Inrichting (DJI) en de speciale recherchedienst voor de gevangenissen. Ook is er recentelijk een meldpunt opgericht. “De aanpak van radicalisering verdient onze maximale, gezamenlijke inzet. We kunnen een aanslag niet voorkomen, maar moeten er samen wel alles aan doen om het risico zo klein mogelijk te houden,” aldus korpschef Henk van Essen.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden