Plus Interview

Pedagoog: ‘Begin het schooljaar juist niet met taal en rekenen’

De leraar rent zich rot. Nu de scholen weer beginnen, legt pedagoog Marcel van Herpen uit hoe het anders kan. ‘Weet eerst wie de kinderen zijn.’

Pedagoog Marcel van Herpen: ‘Geef kinderen vrijheid en verantwoordelijkheid.’ Beeld Olaf Kraak

De leraar werkt zich in het zweet, wil alle kinderen de aandacht geven die ze ­nodig hebben, maar heeft toch het gevoel nooit alles helemaal goed te doen. Dat kan anders, oordeelt pedagoog Marcel van Herpen, die veel basisschoolleraren helpt om goede rela­ties met kinderen aan te gaan. Juist aan het begin van het schooljaar is het belangrijk daarin te investeren. “De valkuil van leerkrachten is dat ze meteen aan het werk gaan. Ik denk dat ze eerst moeten weten wie de kinderen zijn. Daar hebben ze het hele jaar plezier van.”

Want?

“Als een leraar de kinderen goed kent, kan hij beter differentiëren en heeft hij minder werk. Sommige kinderen hebben lang niet zoveel instructies nodig als ze op dit moment krijgen. En andere kinderen hebben heel specifieke vragen die beantwoord moeten worden voordat ze kunnen beginnen.”

U zegt: leraren moeten meer investeren in relaties met de kinderen. Doen ze dat nu niet dan?

“Kinderen en leraren hebben altijd een relatie, maar die is niet voor iedereen positief, terwijl die relatie belangrijk is om op een juiste manier autonomie te verlenen. Is het een kind dat zelfstandig kan werken of dat juist hulp nodig heeft? Kijk eerst goed wie die kinderen zijn. Van daaruit kunnen leraren beter aansluiten bij wat die kinderen zelf kunnen en zelf meer achteroverleunen.”

Hoe lukt dat in een klas met soms wel dertig leerlingen?

“Je moet ’s morgens willen weten hoe het met de kinderen gaat en wat er die dag moet gebeuren. Zo wordt de klas gezamenlijk verantwoordelijk voor wat er speelt en gedaan moet worden. Veel kinderen komen belast binnen. Gedoe thuis, gebroken gezinnen, vormen van misbruik. Als jij dan met rekenen of taal wilt begin­nen, zitten die kinderen met hun gedachten nog ergens anders. Daar moet een basisschoolleraar iets mee. Dat is geen gesprek van een half uur, dat is geen therapie. Dat is gewoon zoals je dat normaal thuis zou doen.”

Wat gaat er nu dan mis bij het opbouwen van relaties tussen leraren en leerlingen?

“In veel trainingen leren leerkrachten nu volgens protocollen te werken: zoveel keer een waarschuwing is een schorsing. Kinderen die iets goed doen, krijgen een smiley. Plaskettingen bij de kleuters, vaste looproutes in klassen, verkeerslichten. Allemaal manieren waardoor het normale contact tussen leraar en leerling eruit is gehaald.”

Wat is er mis met een plasketting?

“Als je een plasketting hebt, heb je ordeproblemen. Omdat er één kleuter is die denkt: ik doe geen ketting om die een ander kind op de wc heeft omgedaan. Als dat kind dat zegt, vinden wij dat lastig.”

Hoe kun je dat dan anders regelen met kleuters?

“Een kind gaat gewoon naar de wc wanneer dat moet plassen. En als het daar hulp bij nodig heeft, krijgt het dat.”

En als een kind om de haverklap gaat?

“Dan heeft diegene of een blaasontsteking of het is met zijn gedrag iets aan het uitdrukken, waarvan we moeten begrijpen waarom het dat doet. Bijvoorbeeld omdat een kind bang is voor andere kinderen in de klas, of de klas is zo ontzettend saai dat hij de wc leuker vindt.”

Toch begrijp ik nog niet hoe leraren een rustigere werkdag kunnen krijgen.

“Door kinderen vrijheid en verantwoordelijkheid te geven. Als de kinderen precies weten wat er op een dag moet gebeuren, hoe lang ze daarover mogen doen en waar ze het moeten doen, kan de leraar zeggen: hoe pakken we dat aan? Dat vinden kinderen ontzettend leuk.”

Komt er dan wat uit?

“Natuurlijk. Iedereen die een kind van drie heeft gehad, weet hoe leuk kinderen het vinden om het zélf te doen. Dat vinden ze tien jaar later niet minder leuk. Behalve als jij ze hebt geleerd dat het toch geen zin heeft om het zelf te willen doen.”

Maar er blijven dertig kinderen in een klas die maatwerk nodig hebben. Waarom krijgen leraren dan minder werk?

“Omdat je veel preciezer luistert naar wat die kinderen nodig hebben en daarop anticipeert. Nu zitten leerlingen overwegend in een opgelegd programma. Als je het anders doet, kun je tegen de kinderen zeggen: waar ben ik voor nodig? Dan zit een kind of een klas op een leraar te wachten. Dat is geweldig. Daar krijg je energie van. Maar als zo’n leraar weer hard moet werken, wordt het een standaard riedeltje. Zit je net lekker te rekenen, moet je weer naar taal. Ben je net lekker met taal bezig, moet je naar buiten. Dus we werken ons kapot om kinderen betrokken te krijgen. En zijn ze betrokken, dan halen we ze uit hun werk.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden