PlusAchtergrond

Naar Nederland gevluchte Afghanen: ‘Ik maak me zorgen’

Huma (l), Javid (m) en Ali Mehri wonen nu ongeveer twee maanden in Eemnes. 'Mijn land is nu Nederland, zegt mijn moeder tegen me.' 
 Beeld Marlies Wessels
Huma (l), Javid (m) en Ali Mehri wonen nu ongeveer twee maanden in Eemnes. 'Mijn land is nu Nederland, zegt mijn moeder tegen me.'Beeld Marlies Wessels

Precies een jaar geleden namen de Taliban de macht over in Afghanistan. Naar Nederland gevluchte Afghanen vertellen hoe het ze sindsdien vergaat. De één vanuit een eigen huis dat net is toegewezen, de ander vanuit de opvang.

Carla van der Wal

Een jaar geleden zag Javid Mehri (30) dat zijn vrouw Huma en zoontje Ali amper konden ademen in de mensenmassa die wanhopig het vliegveld in Kabul probeerde in te komen. Hij nam een besluit: ze zouden omkeren. Javid wist niet wat dat voor zijn leven zou betekenen. En of hij en zijn gezin ooit het veilige Nederland zouden bereiken.

Nu vertelt hij vanuit een rijtjeshuis in Eemnes, waar het gezin kortgeleden is ingetrokken, over die ene dag waarop de Taliban de macht grepen. Niemand zag aankomen dat de internationale gemeenschap Kabul zou laten vallen. Toch gebeurde het. Toen Javid toch maar naar zijn werk ging op de ambassade bleken alle Nederlanders gevlogen. Thuis huilden hij en zijn vrouw.

Goed leven

Ze hadden een goed leven in een mooi appartement, in Kabul. Javids familie ging vrij met de vrouwen in hun familie om. Zijn vrouw had een salon voor bruiden en bruidegommen, werkte ook als zangeres en presentatrice. “Ze kan prachtig zingen.” Voordat Javid in de keuken van de ambassade aan de slag ging, had hij een baan bij een grote hotelketen.

Dat leven eindigde toen de Taliban de macht overnamen. Javid liet het definitief achter toen hij de modderige rivierbedding betrad, naar de overkant, het hek erachter over. Javids moeder, die nog in Aghanistan is, moet nu gesluierd over straat. Hij mist haar. Maar zij vertelt hem altijd niet achterom te kijken. “Mijn land is nu Nederland, zegt ze tegen me.”

En wat een land is dat, verzucht Javid. “Het paradijs, dat kan ik uit de grond van mijn hart zeggen. Nederland is prachtig. Sommigen zijn het niet met me eens, dat weet ik, maar nergens kan je zo vrij zijn. Als ik mijn baard laat staan of rondloop in Afghaanse kleding kijkt niemand me daarop aan. Er wordt hier niet gekeken naar stijl, niet naar geslacht.” In Afghanistan dachten Javid en zijn vrouw dat hun zoon het beste maar dokter kon worden, of ingenieur. Nu vinden ze dat de 3-jarige later zelf maar moet kiezen.

Vertrapt

Elders in Nederland ziet het leven van een andere Afghaanse vader er heel anders uit. Ook Sabir stond een jaar geleden in een rivier tussen al die anderen, die net als hij vluchtten voor de Taliban, die het vliegveld op wilden. Te midden van het vieze water stak hij zijn paspoort in de lucht, om te laten zien: hij moest mee. Al meerdere keren had hij geprobeerd de Nederlanders op het vliegveld te bereiken. Hij had gevreesd dat zijn vrouw en zeven kinderen in de verdrukking zouden komen, dat ze vertrapt zouden worden. Daarom was hij omgekeerd, kwam hij steeds niet verder. Nu had Sabir zich voorgenomen: als het weer niet lukt, probeer ik het niet nog een keer.

Maar ditmaal had Sabir, die als voormalig tolk vanwege de veiligheid van zijn familie in Afghanistan niet met zijn echte naam in de krant kan, terecht afscheid genomen van zijn dierbaren. Hij tilde zijn kinderen omhoog, de baby, zijn vrouw ook. Ze hadden dagen niet geslapen. Nu kregen ze eten, drinken. Ze zochten veiligheid, vrede en rust. Maar dat laatste heeft hij na een jaar in de opvang in Huis ter Heide nog niet kunnen vinden. “We voelden ons vereerd, toen we in Nederland welkom werden geheten met voedsel en cadeautjes voor de kinderen. Nu maak ik me zorgen om hun toekomst.”

Vier, vijf maanden

“Toen we in deze opvang aankwamen, kregen we eerst te horen dat we tien dagen zouden blijven. Later werd een half jaar genoemd. Daar schrokken we van, maar we stelden ons in op vier, vijf maanden. Nu, een jaar later, zitten we nog altijd op dezelfde twee kamers. Mijn zeven kinderen slapen in die tegenover de onze. Ze gebruiken hier de badkamer, ook al is er een deur naar de kamer naast ons, daar zit nu een ander gezin. Ik heb vaak gevraagd of de kinderen daar niet kunnen slapen. Maar er wordt niet geluisterd.”

In de opvang kan hij niet de vader zijn die hij zou willen, zegt Sabir. Hij wil zijn kinderen netjes opvoeden, regels stellen. Maar er zijn honderden andere kinderen, die volgens andere regels worden opgevoed. “Als ze buiten anderen zien spelen, kan ik ze niet op die ene kamer houden.” Zijn vrouw huilt elke avond, ook om hun pleegkind van 22, dat in Pakistan zat toen de Taliban de macht grepen, en daar nu nog altijd zit. Het lukt Sabir ook niet zijn gezin compleet te maken.

Soms voelt het alsof hij niet serieus genomen wordt, omdat hij uit een arm land komt. Zoals toen hij blindedarmontsteking had, en met paracetamol naar huis werd gestuurd, en bij een tweede opname de operatie op zich liet wachten. Zijn blindedarm bleek op twee plekken gescheurd. “Ik was bijna dood. We zijn Nederland dankbaar, dat we hier konden komen. De mensen zijn vriendelijk. We hebben veiligheid gevonden. Maar we hebben er onzekerheid bij gekregen, die zorgt dat het mentaal niet goed gaat. We hebben een huis nodig, zodat we kunnen integreren, vrienden kunnen maken in een andere cultuur, een gezin kunnen zijn dat aan een nieuw leven begint.”

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden