Plus Analyse

Moet het salaris van onze ministers omhoog?

Met nog geen twee ton per jaar steken salarissen van ministers schril af bij die van de top van het bedrijfsleven. Minister Ollongren kijkt of er iets bij kan.

Minister Kajsa Ollongren laat onder­zoeken of salarissen van politieke ambts­dragers niet ‘onder de grens van het redelijke komen’. Beeld ANP

Mark Rutte wiebelt ongemakkelijk heen en weer. Hij worstelt met de vraag die hij zojuist kreeg: of het écht nodig is om te onderzoeken of Kamerleden, wethouders, ministers en staatssecretarissen meer zouden moeten verdienen.

Dus zegt de premier eerst: “Ik verdien een waanzinnig salaris en ik ben heel tevreden.”

En dan: “Het is een ongelofelijk teer onderwerp. En de ophef gaat verder dan wat gedoe op Twitter als die salarissen zouden stijgen.”

Toch, zegt hij, is het ‘goed’ om te kijken hoe de beloning van benoemde en gekozen politici ‘zich verhoudt tot andere beroepen’. En in de hoop verdere vragen voor te zijn: “Maar voor mij hoeft het niet.”

Hete aardappel

Minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken) zet ondanks de terughoudendheid van haar collega behoedzame stappen om te laten onderzoeken of salarissen van politieke ambtsdragers niet ‘onder de grens van het redelijke komt’. Zo’n discussie ligt maatschappelijke gevoelig, zeker als het om bewindslieden gaat, weet ze uit het verleden. Voor je het weet word je publiekelijk als graaier weggezet. Bovendien: de timing is niet optimaal, nu de loonstrookjes van ‘gewone mensen’ ondanks economische groei maar niet willen blinken.

Vandaar dat Ollongren een commissie de hete aardappel laat oppakken. En om elke schijn van belangenverstrengeling te voorkomen, zou een loonsverhoging pas in een volgend kabinet moeten ingaan.

Met 50 procent omhoog

Het klinkt riant, 194.000 euro bruto – inclusief pensioen, vakantiegeld, eindejaarsuitkering en onkostenvergoedingen. Maar daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen, zegt hoogleraar Teun Dekker van de universiteit Maastricht. Hij deed onderzoek naar het inkomen van toppolitici. “In Europa zit Nederland aan de onderkant van de middenmoot.” Maar ook Dekker weet dat een loonsverhoging vragen om kritiek is. “Ga een middenstander maar eens vertellen dat 194.000 euro te weinig is.”

Voor wie deze discussie bekend in de oren klinkt: dat klopt. In 2004 nam een commissie onder leiding van oud-minister Hans Dijkstal de salarissen van politici en topambtenaren uitgebreid onder de loep. De conclusie toen: de honoraria van ministers moeten met wel 50 procent omhoog. Vooral omdat ministers méér zouden moeten verdienen dan hun ondergeschikte ambtenaren. 

“Het kabinet durfde het uiteindelijk niet aan,” zegt Dekker. Toenmalig minister Johan Remkes van Binnenlandse Zaken was bang voor kritiek. Politici behoren nu al niet ‘tot de meest populaire diersoorten’, aldus Remkes destijds.

Canadees model

Sterker: eigenlijk deed het kabinet daarna het tegengestelde met de introductie van de zogenoemde balkenendenorm. Vanaf de jaren tachtig waren de beloningen van ambtenaren meer gestegen dan die van ministers en staatssecretarissen. Soms verdienden ambtenaren meer dan hun politieke baas. “Het kabinet verzon een dak op de salarissen en propten die van ambtenaren eronder. Dat is best raar, want we stellen het plafond dus arbitrair vast en houden vervolgens het salaris van misschien wel erg belangrijke ambtenaren daar kunstmatig onder.”

Gevolg is wel dat de salarissen steeds meer uit de pas lopen met het bedrijfsleven, ziet Dekker. Ceo’s van Nederlandse beursgenoteerde bedrijven ontvingen in 2017 een gemiddeld jaarsalaris van 6 miljoen euro. Praat Rutte in het Catshuis met Ben van Beurden over de vennootschapsbelasting van Shell, dan staat hij tegenover een topman die met 20,1 miljoen vorig jaar 103 keer zo veel verdient als hij.

Rutte zegt nooit te malen om die enorme inkomensverschillen. Maar ceo’s zullen toch even slikken als ze horen wat politici en topambtenaren voor werkweken van 70 uur ontvangen, nog afgezien van alle media-aandacht en het bijbehorend afbreukrisico dat zij lopen.

Geen topsalaris

Te veel zuinigheid, meent Dekker, is ook niet goed. “Stel dat een heel slim en goed kabinet met fantastische ambtenaren de economie een half procent extra doet groeien, dan levert dat honderden miljoenen op voor een land. Zo haal je het geld er dubbel en dwars uit. Zo wordt bijvoorbeeld in Singapore geredeneerd.” De hoogleraar erkent dat de invloed van een minister ‘moeilijk te meten is’. “Toch is dat in het bedrijfsleven niet heel anders.”

Dekker voelt veel voor het ‘Canadese model’ van het belonen van toppolitici. “De redenering is daar: gelijk werk, gelijke betaling. Iemand in de politiek heeft een vergelijkbaar inkomen als iemand uit het bedrijfsleven.”

De Canadezen nemen een middelhoge ambtenaar als uitgangspunt en betalen die gelijk naar een directeur op dezelfde hoogte in het bedrijfsleven. Van daaruit berekent Canada wat een hogere ambtenaar zou moeten verdienen. En van daaruit het salaris van de minister. Het levert Ruttes collega Justin Trudeau nog steeds geen topsalaris op – hij verdient zo’n 50.000 euro meer per jaar dan Rutte – ‘maar er zit in elk geval een gedachte achter’, aldus Dekker.

Dapper

De SP staat alvast in de aanvalslinie. De salarissen van de bewindslieden moeten niet omhoog, maar omláág. Omdat Rutte III meer bewindslieden telt, zouden hun inkomsten naar beneden moeten, aldus de socialisten. “Het gaat om gemeenschapsgeld!” zegt SP-Kamerlid Ronald van Raak.

De fractieleden weten wat het is om rond te komen van een bescheiden salaris. SP-Kamer­leden dragen een fors deel van hun 7700 euro per maand af aan de partij. Ze houden 2750 euro over. Meer dan genoeg, zegt Van Raak. Het argument dat politici beter worden naarmate ze meer verdienen, wil er bij de partij niet in. 

“De SP trekt nog steeds goede mensen aan om Kamerlid te worden.” Bovendien, zegt hij, leven bestuurders met een vet salaris in een andere wereld dan gewone burgers. “Dan haal je geldwolven binnen.”

Dekker waarschuwt voor onverwachte consequenties. “Lagere salarissen kunnen er ook voor zorgen dat alleen rijke mensen de politiek in gaan. Die kunnen het zich veroorloven.” Dit doet zich in Noorwegen voor, weet hij.

Voor hoogleraar economie Coen Teulings is de discussie een ‘echo uit het verleden’. Hij zat in de commissie-Dijkstal, die zich in 2004 over vraagstuk boog. De fout die men toen maakte? Dat juist ex-minister Dijkstal de commissie voorzat. 

“Dijkstal voelde zich nog politicus en wilde zichzelf matigen. Netjes natuurlijk, maar het pakte verkeerd uit. Ambtenaren vielen daarna onder een salarisplafond van de balkenendenorm, maar met de aanbeveling het salaris eerst te laten stijgen, deed het kabinet niets.”

Ook hij ziet dat de salarissen van topambtenaren en ministers de laatste tien jaar ‘zijn achtergebleven bij de markt’. “Maar ga dat maar eens zeggen.” Dat Ollongren toch een poging waagt, waardeert Teulings: “Ik kan niet anders zeggen dan dat ik het dapper vind.”

Europa

Jaarsalaris premiers in euro’s in 2018/2019 (zonder variabele onkosten) Bron: Parlement.com

Duitsland 342.000
België 291.000
Oostenrijk266.614
Denemarken205.748
Zweden190.465
Ierland  185.350
Frankrijk181.680
Finland 172.871
Verenigd Koninkrijk 168.491
Nederland 157.287
Portugal 98.028
Malta 94.000
Griekenland 82.405
Spanje 79.458
Hongarije 77.869
Slovenië 65.034
Slowakije 60.587
Polen47.656
Roemenië 38.890
Kroatië 35.669

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden