PlusInterview

Ministers Hoekstra en Wiebes: ‘Het doel van het fonds is dat we het stráks beter hebben’

De officiële naam mag dan het Nationaal Groeifonds zijn, in politiek Den Haag spreekt iedereen over het WopkeWiebes-fonds. ‘Het doel van het fonds is dat we het stráks beter hebben. Zodat ook onze kinderen nog in een aangenaam land leven.’

Ministers Wopke Hoekstra (Financien) en Eric Wiebes (Economische Zaken) presenteren een investeringsfonds waarmee het kabinet onder meer geld in vergroening, infrastructuur en onderzoek willen steken.Beeld ANP

Het groeifonds werd vorig jaar al aangekondigd door de ministers Eric Wiebes (Economische Zaken) en Wopke Hoekstra (Financiën). Dit voorjaar zou de lancering zijn, tot de coronacrisis de planning in de war schopte. “Toen hadden we wel even iets anders aan ons hoofd,” vertelt Wiebes. Maar nu is het dan alsnog gepresenteerd.

Waarom is dit nieuwe fonds nodig?

Wiebes: “Als je de verwachte economische groei van de komende jaren afzet tegen wat er nodig is voor collectieve voorzieningen als zorg, onderwijs of de krijgsmacht, dan zie je dat bijna elke euro die we straks extra verdienen daarnaartoe moet. Huishoudens houden amper iets extra’s over. Dus moeten we zorgen dat we als land meer geld verdienen en ook op een andere manier.”

Hoekstra: “Daar komt bij: we willen onze voorzieningen behouden. Iedereen wil veilige straten en goede ziekenhuizen. Ook voor de volgende generaties. Maar door de vergrijzing zal de druk op de voorzieningen toenemen, terwijl er relatief minder mensen aan het werk zijn. En dan zitten we ook nog eens in een wereld die snel verandert. Dus moeten we de bakens verzetten.”

Hoeveel extra moet onze economie groeien door dit fonds?

Wiebes: “Dat hebben we al eens in potlood geschetst: als de groei jaarlijks een half procentpunt hoger ligt dan de 1 procent die we nu verwachten, dan gaat het over twintig jaar om 100 miljard euro aan extra bruto binnenlands product. Maar ook los van de extra groei moeten we op een andere manier dan nu ons geld verdienen. Zoals we het nu doen, is niet langer houdbaar.

Neem onze petrochemische industrie. We hebben het grootste complex van Europa. Daar worden allemaal producten gemaakt die we nodig hebben, maar wel gemaakt van olie. En we weten dat dat niet lang meer door kan gaan. Dus moeten we die producten op een andere manier maken. Doen we dat niet, dan kijken onze kinderen ons straks boos aan en zeggen: waarom hebben jullie niet eerder ingegrepen?”

De staatsschuld loopt al zo hard op en dan gaat het kabinet nog meer geld lenen.

Hoekstra: “De overheidsfinanciën zijn aanzienlijk verbeterd de afgelopen jaren. Natuurlijk zitten we nu midden in een coronacrisis, maar ondanks die klap staan we nog steeds aan de goede kant van de streep. Kijk, in de jaren 80 moest het kabinet uitkijken met geld lenen. Toen betaalde je over elke geleende euro – of gulden toen – 6 tot 8 procent rente. Maar zelfs nu in coronatijd betalen we negatieve rente op staatsleningen met een looptijd tot tien jaar. We krijgen dus geld toe. Natuurlijk moeten de leningen worden terugbetaald. Maar er is niet de verwachting dat de rente op korte termijn stijgt. We kunnen ons dit veroorloven.”

Maar als de rente wél fors stijgt, zitten we dan vast aan dit fonds?

Hoekstra: “Vorig jaar toen we dit fonds bedachten, dachten we aan een fonds met 100 miljard euro voor een periode van twintig tot dertig jaar. Juist omdat we in een onzekere tijd leven nu, komen we nu niet met een fonds voor de lange, maar alleen voor de middellange termijn. Twintig miljard voor vijf jaar. Het is aan een volgend kabinet om verder naar de toekomst te kijken.

Nogmaals: de situatie nu is echt niet vergelijkbaar met die van de jaren 80. De rente daalt al 25 jaar. Maar ik snap de argwaan. Daarom hebben we de plicht dit geld verstandig en doelmatig uit te geven.”

Wat gaat u met het geld doen dan?

Wiebes: “We moeten ons uit de crisis investeren. Als we nú geld uittrekken, hebben we het straks weer goed. Door te investeren in kennis, innovatie en infrastructuur, dingen waar we op de langere termijn iets aan hebben. Maar we gaan er geen dingen mee betalen die op een andere manier betaald dienen te worden. Dus het is niet bedoeld voor lerarensalarissen bijvoorbeeld, dingen die uit de reguliere overheidsbegroting moeten worden betaald. Als we dus bijvoorbeeld meer geld willen voor het huidige onderwijs, is dat aan de minister van onderwijs. Het gaat juist om eenmalige investeringen die anders niet op tafel zouden zijn gekomen. Als we er dingen mee gaan betalen die ook op de gewone manier kunnen worden betaald, blijft er niets over voor vernieuwing.”

Hoekstra: “De reguliere begroting van de overheid is zo’n 300 miljard euro per jaar. Dat is van een totaal andere orde en concurreert niet met het fonds.”

Maar waar gaat het geld uit het fonds naartoe? Dat blijft zo vaag.

Wiebes: “Hoekstra en ik hebben elkaar diep in de ogen gekeken en geconcludeerd dat wij daar niet zelf over moeten gaan beslissen. Uit het fonds worden projecten betaald die éenmalig geld kosten, een toegevoegde waarde hebben voor onze economie en niet op een andere manier betaald kunnen worden. Als het bedrijfsleven het zelf kan, doen wij het niet. Een onafhankelijke commissie met tien zwaargewichten die ervaring hebben in wetenschap, politiek en het bedrijfsleven gaat ideeën beoordelen. Daarin zitten mensen als voormalig DSM-topman Feike Sijbesma, wetenschapper Robbert Dijkgraaf, AFM-voorzitter Laura van Geest, prins Constantijn (StartupDelta) en oud-minister Jeroen Dijsselbloem. Wij mogen ‘nee’ zeggen. Maar als zij een idee afkeuren, mogen wij als kabinet niet alsnog ‘ja’ zeggen. Nog voor de verkiezingen moeten de eerste projecten worden aangewezen.”

Hoekstra: “Natuurlijk hebben Wiebes en ik ook ideeën over kunstmatige intelligentie en biotechnologie. Maar toch gaan we ons er niet mee bemoeien. We moeten voorkomen dat er uit het fonds allerlei hobbyprojecten worden gefinancierd, waarbij de onderbuik of de politieke wens van een partij de voorrang krijgt. Dat moeten we juist níet doen. Wel blijven wij verantwoordelijk. En uiteraard moet de Tweede Kamer toestemming geven, het gaat tenslotte om publiek geld. Maar dat gaat alleen over het lenen van het geld, niet over waaraan het besteed wordt.”

In het verleden hadden we al zo’n fonds, het FES. Dat is gestopt. Waarom gaat dit fonds wel werken?

Hoekstra: “Dat was een voorbeeld van een fonds waar de politiek zich te veel mee bemoeide. Het is ingezet voor projecten die de politiek graag wilde, maar niet per se voor projecten die het beste waren om Nederland klaar te stomen voor de toekomst. In de commissie die er nu komt zitten echt mensen die kunnen beoordelen of iets zinvol is of niet.”

U legt zo de nadruk op ‘anders’ ons geld verdienen. Is het niet gewoon een vergroeningsfonds?

Wiebes: “Nee. Maar met geld uit het fonds kunnen wel dingen worden betaald die te maken hebben met de vergroening. Als we werkgelegenheid willen behouden, kan ik me voorstellen dat we investeren in waterstofenergie. Maar ik sluit niets uit. Ook de aanleg van wegen niet of investeringen in digitalisering van het onderwijs. Niet zozeer om het klassieke onderwijs te verbeteren, maar juist om nieuwe vormen van onderwijs te stimuleren waarbij werknemers hun hele leven bijscholing kunnen krijgen. Zo lang het maar gaat om een project waarmee we als land een extra stap zetten en wat echt niet op een nadere manier van de grond kan komen.”

Hoekstra: “Overigens hebben we ons verbonden aan het klimaatakkoord van Parijs. Dus het geld zal niet worden besteed aan de bouw van een nieuw petrochemisch complex. We moeten leren van wat er in het verleden al succesvol is gebleken. Kijk naar Brainport Eindhoven, dat is opgezet na het vertrek van Philips door samenwerking tussen universiteit, bedrijfsleven en overheid. Zulke projecten zijn echt zinvol voor de langere termijn. Of kijk naar Silicon Valley in de Verenigde Staten.”

Hadden we er nu beter voorgestaan als jullie vorig jaar dit fonds al hadden ingesteld zoals de bedoeling was?

Wiebes: “Dat is wel erg kras gesteld. Dit soort investeringen hebben aanlooptijd nodig. Het zou wellicht geholpen hebben, maar het doel van het fonds is dat we het stráks beter hebben. Zodat ook onze kinderen nog in een aangenaam land leven.”

Wat te doen met 20 miljard?

Het fantaseren is begonnen. Kunnen we straks eindelijk via gloednieuw spoor over de Lelylijn naar Groningen? Krijgt Amsterdam alsnog een metroverbinding die doorloopt tot aan Schiphol? Of worden dagdromen over een nieuwe luchthaven in zee opeens werkelijkheid? Aan ideeën geen gebrek, maar welke projecten er straks met de hoofdprijs vandoorgaan is moeilijk te zeggen.

Investeringen in fysieke infrastructuur spreken al gauw het meest tot de verbeelding. Denk aan de bouw van de Oosterscheldekering of de Afsluitdijk, die uitgroeiden tot nationale iconen. Maar veel belangrijke infrastructuur ligt onder de grond en is daardoor niet zo zichtbaar, zoals glasvezelkabels voor supersnel internet. Investeringen zouden kunnen worden gedaan in ontwikkeling van de groene waterstofeconomie, waarvoor bijvoorbeeld het oude gasnetwerk aangepast moet worden.

Maar behalve infrastructuur mikt het investeringsfonds ook op kennisontwikkeling en innovatie. Universiteiten en andere kennisinstellingen zullen ongetwijfeld om middelen gaan vragen waarmee Nederland wetenschappelijke topinstituten kan realiseren, of nieuwe ‘brainports’, zoals die in Eindhoven. Tegelijkertijd is de arbeidsmarkt door de opkomst van robotisering snel aan het veranderen. Door bijvoorbeeld om- en bijscholingsprogramma’s moet de beroepsbevolking klaar worden gemaakt voor de toekomst. Ook valt te denken aan investeringen in biotechnologie en artificial intelligence.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden