PlusTen Slotte

Louis Andriessen (1939-2021) was als componist koel en berekenend, sentimenteel werd het nooit

Louis Andriessen was de beroemdste Nederlandse componist van zijn generatie. Donderdag is hij op 82-jarige leeftijd overleden. Hij leed aan vasculaire dementie en de ziekte van Alzheimer.

Louis Andriessen, componist en een van de grondleggers van de Haagse School. Beeld ANP
Louis Andriessen, componist en een van de grondleggers van de Haagse School.Beeld ANP

Wie de stamboom van de familie Andriessen overziet, hoeft niet verbaasd te zijn dat Louis als zesde en jongste telg van Hendrik Andriessen en Tine Anschütz componist werd. Zijn vader was het ook, net als zijn oudere broer Jurriaan. Iedereen in het gezin was vaardig op de piano, waardoor er thuis heel veel quatre-mains werd gespeeld. Zo raakte Louis al vanaf zeer jonge leeftijd vertrouwd met een breed repertoire, dat varieerde van kwartetten van Mozart en Beethoven tot sinterklaas- en kerstliedjes en chansons van Charles Trenet.

In Utrecht, waar Louis in 1939 werd geboren in de Herenstraat, zat hij als kind elke zondagmorgen in de kerkbanken van de kathedraal, de Catharijnekerk, waar zijn vader op het Maarschalkerweerd-orgel speelde. De kathedraal was ook de plek waar de rooms-katholieke mystiek, het theater, de rituelen, de eenstemmigheid van het gregoriaans en de klank van de kerkklokken zich diep in Louis’ ziel nestelden en bepalend zouden worden voor de muziek die hij later zou schrijven.

Het boek Gestolen Tijd

Componeren leerde hij thuis, spelenderwijs, eerst van zijn moeder, daarna, vanaf zijn dertiende, van zijn vader en van zijn veertien jaar oudere broer ‘Jur’. “Die lessen zijn veruit de beste die ik ooit heb gehad,” zegt Andriessen in het boek Gestolen Tijd. “Als ik zelf een goede leraar ben, dan komt dat door die lessen van Jur.”

In 1951 verhuisde het gezin naar Den Haag. Daar bezocht Louis de middelbare school, waar hij in het eerste jaar van het gymnasium bleef zitten en in het derde jaar toelatingsexamen deed voor het conservatorium. “De heren willen het met je proberen,” grapte vader Hendrik, die toen directeur van het Haags Conservatorium was.

Van 1954 tot 1962 studeerde Louis er piano, compositie en theorie, eerst bij zijn vader en vanaf 1956 bij Kees van Baaren. Tot zijn studiegenoten behoorden Peter Schat, Misha Mengelberg, Jan van Vlijmen, Reinbert de Leeuw en Hans van Sweeden. De Leeuw zou later als dirigent bijna alle grote stukken van Andriessen in première brengen. Door Van Sweeden, die op zijn 24ste zelfmoord pleegde, leerde Andriessen de muziek van Schönberg, Berg en Webern waarderen, in wier atonale technieken hij bij Van Baaren werd geschoold. “Er ging een nieuwe wereld voor me open,” zei hij daar later over.

De taal van de avant-garde

Vanaf 1962 ging hij in Milaan en Berlijn studeren bij de Italiaanse meester Luciano Berio, die ‘muzikaler en feestelijker’ omging met de taal van de avant-garde dan de scholastiekere grootheden Stockhausen en Boulez. In 1965 kwam hij terug naar Nederland en ging in Amsterdam wonen. Daar dompelde hij zich onder in de revolutionaire ontwikkelingen die zich onder aanvoering van Peter Schat in het Nederlandse muziekleven voltrokken.

De markantste momenten waren de Actie Notenkraker, in november 1969, en de première van de collectieve opera Reconstructie, waaraan Andriessen een knappe Mozart-pastiche bijdroeg.

In 1972 was hij met rietblazer Willem Breuker de oprichter van Orkest De Volharding, vernoemd naar Andriessens stuk voor een blaasensemble. In 1976 stichtte hij met studenten van het Haags Conservatorium, waar hij inmiddels als docent compositie werkzaam was, het ensemble Hoketus. Dat jaar ging ook zijn werk De Staat in première, dat het begin markeert van de rijpe en invloedrijke Andriessenstijl – een amalgaam van alle muziek die hem heeft geïnspireerd, van bigbandjazz, chansons, Ravel en Zappa tot Machaut, Bach, Stravinsky en het Amerikaanse minimalisme.

Tussen de ernstige bedrijven door maakte hij ook theatermuziek voor Toneelgroep Baal, veelal uit de losse pols geschreven, zonder diepgaand onderzoek vooraf, wat hij als bijzonder prettig ervoer.

Lange reeks indrukwekkende stukken

In de jaren tachtig en daarna schreef hij een lange reeks indrukwekkende stukken, met als hoogtepunten De Tijd, Hout, Tao, Dances en de opera’s Writing to Vermeer, La Commedia, La Passione en Theatre of the World, die hem wereldberoemd maakten. Toen was inmiddels ook het typische Andriessenorkest tot volle wasdom gekomen, dat met de toegevoegde basgitaar en de nadruk op blazers meer op een bigband lijkt dan op een symfonieorkest.

In 1997 was hij kort bijzonder hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, waarmee hij in de voetsporen trad van vader Hendrik, die deze zogeheten Anton van Duinkerken-wisselleerstoel een handvol decennia eerder mocht bekleden.

De faam van Andriessen als docent was toen zo hoog gestegen dat aspirerende componisten uit alle delen van de wereld bij hem wilden studeren. Oud-pupillen Cornelis de Bondt en Martijn Padding roemen zijn intuïtie. “Hij voelt direct of iets echt is” (Padding). “Daar werden de studenten op geselecteerd. Ze moesten ‘iets’ hebben. Een gekte, een bezetenheid. Anders kwam je er niet in” (De Bondt).

Grote held Igor Stravinsky

Andriessens grote held was Igor Stravinsky, over wie hij samen met Elmer Schönberger het briljante boek Het Apollinisch Uurwerk schreef. Aan Stravinsky ontleende hij het inzicht dat muziek altijd ‘over andere muziek gaat’ en dat gevoelens geobjectiveerd moeten worden, omdat je als componist anders een weke sentimentalist wordt.

Sentimenteel werd Andriessen dan ook bijna nooit. Als componist was hij eerder koel en berekenend. Aan operastemmen had hij een bloedhekel. Hij eiste van zijn vocalisten dat ze zongen als Barbra Streisand; strak, poppy, zonder overbodig vibrato.

In 2013 kreeg hij van het Concertgebouworkest de vraag of hij een orkest­werk wilde schrijven ter gelegenheid van het 125-jarig jubileum. Hoewel hij sinds Anachronie I uit 1969 nooit meer iets voor die bezetting had geschreven, omdat hij het symfonieorkest ‘niet meer van onze tijd’ vond, stemde hij toch toe, na aanmoedigingen, in een dagdroom, van zijn vader.

“Dus toen dacht ik: ik doe het voor hem.” Zo ontstond het schitterende Mysteriën, waarvoor hij het programma ontleende aan Hendriks lijfboek Over de navolging van Christus van de Augustijner mysticus Thomas van Kempen, na de Bijbel de grootste hit in de middeleeuwen. In het derde deel, Wat de waarheid ons zegt zonder het lawaai van woorden, citeerde hij een melodie uit zijn vaders orkestlied Magna res est amor. Net zoals hij in zijn opera Writing to Vermeer een melodie had gebruikt van zijn broer Jurriaan, uit diens Magnificat.

Kersverse chef Jaap van Zweden

Na Mysteriën volgde in 2018 nog een orkestwerk, Agamemnon, een opdracht van de New York Philharmonic en zijn kersverse chef Jaap van Zweden. Het stuk eindigt geheel onverwachts met een gesproken tekst ontleend aan Aeschylus, vertaald door Ted Hughes, van de onheilszieneres Cassandra. Die tekst komt vanwege zijn profetische lading zeker achteraf hard binnen: ‘Then luck turns its back –/ And everything’s wiped out/ Joy was not less pathetic/ than the worst grief.’

Want inderdaad keerde het geluk voor Andriessen. In 2019 begon hij in opdracht van het Orkest van de Achttiende Eeuw aan een eerbetoon voor Frans Brüggen, May, op basis van Herman Gorters Mei, maar halverwege het werk ging opeens de componeermachine haperen. Artsen stelden een combinatie van vasculaire dementie en alzheimer vast, aandoeningen waaraan ook Andriessens vader Hendrik en zus Cecilia waren overleden.

Hij ging sneller achteruit dan gedacht. Daardoor zou May, dat met hulp van Martijn Padding, een van zijn meest geliefde oud-leerlingen, moest worden voltooid, het laatste stuk zijn van de grootste Nederlandse componist sinds Jan Pieterszoon Sweelinck.

De wereldpremière, gepland in juni van 2020, moest vanwege de coronacrisis worden uitgesteld, maar vond uiteindelijk in december plaats. Het is het enige stuk in zijn oeuvre dat hij zelf nooit live heeft gehoord.

Hij bracht de laatste jaren van zijn leven door in een verpleeghuis, waar hij dagelijks op de piano improviseerde en volgens intimi ‘heel gelukkig was’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden