PlusInterview

Khadija Arib: ‘Je kunt niet halverwege zeggen: het bevalt me niet’

Deze zomer gaat Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib (PvdA) nadenken of ze nog een keer op de lijst voor de Tweede Kamer wil. Ze zegt alvast: ‘Wees zuinig op zittende Kamerleden.’

Khadija Arib: ‘Voor bewinds­personen is het lastiger zich te ver­weren.’Beeld Corné van der Stelt / Lumen

De Amsterdamse Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib (59) kwam als 15-jarige met haar moeder naar Nederland. Haar vader was hen als gastarbeider een paar jaar eerder voorgegaan. Ze kreeg één opdracht van haar moeder: studeren. “Mijn moeder heeft dat altijd gemist. Ze was altijd afhankelijk van anderen als ze een brief of een rekening kreeg. Daar wilde ze me voor beschermen.”

Hebben uw ouders iets van u geleerd?

“Zeker! Mijn vader leeft niet meer, maar mijn moeder is ontzettend met me meegegroeid, ze is bijna 78. Ze is traditioneel en spreekt nog steeds onvoldoende Nederlands. Ze volgt alles en staat open voor politieke discussies. Ook over homoseksualiteit of extremisme. Dan denk ik: goh, ze is ook veranderd. Vroeger waren die thema’s nooit bespreekbaar.”

Het is al een paar keer gebeurd dat een politicus op het spreekgestoelte omvalt terwijl Arib de Tweede Kamer voorzit. Dat overkwam niet alleen minister Bruno Bruins, maar ook Tom van der Lee, Tweede Kamerlid voor GroenLinks, en PvdA-Kamerlid Attje Kuiken.

Wat kunt u doen op het moment dat iemand onwel wordt?

“Het is instinctief. Ik zag het gebeuren bij ­Bruno Bruins. Dan schors je onmiddellijk, ­uiteindelijk is het allemaal goed gekomen. Hij heeft een zware periode achter de rug. Laatst gebeurde het met GroenLinks-Kamer­- lid Tom van der Lee. Ik zag aan zijn blik dat er iets niet goed was. Tegelijkertijd probeer je rust uit te stralen. We zijn allemaal mensen, het kan ons allemaal overkomen. Ik ging tussen hem en de camera staan, zodat hij niet werd gefilmd.”

Kamerleden raken overspannen of stappen om privéredenen voortijdig op. Is het te zwaar?

“Het Kamerwerk is zwaar, dat is gewoon zo. Het is niet van 9 tot 5. Je moet altijd reageren, je moet altijd je telefoon opnemen. Niet iedereen is daartegen bestand.”

Aan de ene kant hebt u de afgelopen vier jaar 83 Kamerleden tussentijds zien vertrekken, anderzijds lopen zich er nu weer een paar honderd warm om volgend jaar te worden gekozen. Wat adviseert u de nieuwkomers?

“Je kunt niet halverwege zeggen: het bevalt me niet. Het is een verantwoordelijkheid naar je kiezers, dat moet je waarmaken. Je moet echt in staat zijn met een bepaalde druk om te gaan. Als je twijfelt: doe het niet als je niet sterk in je schoenen staat.”

Is het verloop van Tweede Kamerleden niet veel te groot?

“We hebben na de verkiezingen 83 nieuwe Kamerleden gekregen, dat is echt veel. Je ziet dat we in een overgangsperiode zitten. SGP-Kamerlid Van der Staaij, PVV’er Wilders en ik zijn de oudgedienden. Ik zou partijen willen oproepen: wees zuinig op zittende Kamerleden. Zij zijn nodig om de nieuwe generatie te helpen het ‘vak’ te leren.”

U hebt contact met voorzitters van andere ­parlementen. Wat wisselen jullie uit?

“Het Engelse parlement is een arena waar de emoties enorm hoog oplopen. Iedereen was ontzettend onder de indruk van John Bercow. Ik ook. Daar ben ik geweest, heb met hem meegelopen. Hij is ook hier geweest. In gesprek met anderen realiseer ik me vaak dat we een ont­zettend sterk parlement hebben. We mogen er trots op zijn dat er zoveel partijen en geluiden vertegenwoordigd zijn. De Engelse regering bepaalt daar welke debatten wel en niet worden gevoerd. Tegelijkertijd zijn ze heel streng als het gaat om taalgebruik, het woord leugenaar mag bijvoorbeeld niet.”

U moest onlangs stevig ingrijpen: Thierry Baudet noemde de minister van Landbouw ‘een sluipmoordenaar’.

“In 2018 deed hij het ook bij minister Ollongren over het referendum. Toen zei ik er ook wat van. Een paar weken geleden deed hij het weer. ­Baudet noemde Schouten een sluipmoordenaar en zei: ‘Dáár zit zij…’ Dat vind ik te ver gaan. Zij doet haar werk. Inhoudelijk kun je haar beleid afkeuren, maar je speelt het niet op de persoon.”

“Daarna krijg ik op Twitter al die racistische trollen over me heen: mijn accent wordt erbij gehaald, mijn afkomst, dat ik niet snap dat het overdrachtelijk is. Ik snap de context niet… Nou, het zal wel, maar één ding is zeker: dit mag je niet zeggen. Kamerleden kunnen onderling makkelijk terugmeppen, maar voor bewindspersonen is het lastiger zich te ver­weren.”

Wat valt de parlementsvoorzitters uit andere landen op als zij hier zijn?

“Ze vinden Nederland anders. Een minister-president die gewoon op het Binnenhof rondloopt of door de stad fietst. Dat geldt ook voor mij, ik loop gewoon los rond. Andere parlementsvoorzitters komen met een gigantische hofhouding, met camera’s en journalisten. Ze zijn verbaasd hoe informeel wij het doen. Zo’n bezoekende parlementsvoorzitter gaat mij van te voren googelen of krijgt van de staf informatie over mij. Het fascinerendst vinden ze dat ik een migrantenkind ben dat Kamervoorzitter is geworden.”

Dat is toch ook een bijzonder verhaal?

“Het is prachtig. Dan willen ze alles weten. Dan denk ik: dat is toch ook mooi om te ­vertellen over Nederland.”

Danseressen

“Ik vond het altijd fascinerend naar Marokkaanse volks­danseressen te kijken, omdat ze altijd dingen deden die niet mochten. Ze dansten, ze zongen tussen mannen, bewogen zich met nagellak en lippenstift op. Dat wilde ik ook! Maar dat mocht ik niet van mijn moeder. Korte rokken en blote armen ­corrigeerde ze al. Die waren voor vrouwen die dingen deden die niet mochten.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden