PlusInterview

Kamerlid Kuiken: ‘Vrouwen zijn vaak te bescheiden’

Attje Kuiken over de politiek: ‘Ik zie steeds meer versplintering en polarisatie, de toon is hard.’ Beeld Hollandse Hoogte / Peter Hilz

Vijfduizend dagen is ze Tweede Kamerlid en PvdA’er Attje Kuiken heeft er nog altijd lol in. ‘Ik zit in de politiek omdat ik aan de knoppen wil zitten.’

Attje ­Kuiken (42), sinds ­november 2006 lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, komt uit een echt sociaaldemocratisch ­milieu. “Een politiek rood nest. Ik ben alleen met mijn ­moeder op­gegroeid. Thuis hadden we het niet heel breed. Mijn vader is weg­gegaan toen mijn ­moeder zwanger was van mij. Ik heb hem één keer ontmoet en that’s it.”

Wat deed dat met u?

“Ik heb niet zozeer een vaderfiguur gemist. Mijn moeder en ik hebben het ook heel fijn gehad. Er waren alleen wel veel financiële zorgen en dat doet wat met een mens. Niet zozeer met mij, maar je voelt die spanning of je het redt. Ik voel me wel erg verbonden met kinderen die er alleen voor staan in bepaalde wijken. Geldzorgen maken dat je nooit on­bevangen bent.”

Hoe was die ontmoeting met uw vader?

“Het was een prima gesprek, goed dat ik hem heb gezien. Op die leeftijd vraag je je af waar je vandaan komt. Die vraag kwam op toen een vriendin van mij stierf door een verkeersongeluk toen ik zeventien was. Daardoor besefte ik dat het leven eindig was en dat ik er werk van moest maken als ik mijn vader wilde ontmoeten. Na dat gesprek kreeg ik een brief van hem dat hij echt geen contact met me wilde, omdat hij niet voor me wilde zorgen. Daar moest ik om lachen, want dat had hij nooit gedaan. Ik was niet boos of verdrietig, maar vooral supertrots op mijn ­moeder dat ze het heeft gered. Het heeft wel mijn gevoel voor rechtvaardigheid versterkt. Het leven is niet eerlijk en lang niet iedereen heeft gelijke kansen.”

Heeft het iets te maken met uw drive in de ­politiek?

“Ik ben een enorme doorzetter. Niets komt je aanwaaien. Je hebt geen netwerk, geen voorbeeld in je omgeving. Niemand die zegt: ik ga je wel even helpen. Ik kan nog steeds enorm chagrijnig zijn en even uit het lood geslagen zijn, maar dat duurt bij mij nooit lang.”

Bent u anders gaan denken over dingen dan twintig jaar geleden?

“Als student was het vooral lang leve de lol. Ik kom uit een generatie die geloofde dat het vanzelfsprekend was dat alles beter zou worden. Ik zie nu toch wel dat het niet zo is. En als je dingen van waarde vindt, moet je daar heel erg voor staan en voor strijden. Ongelijkheid verdwijnt niet vanzelf, keuzevrijheid is er niet zo maar en een beetje prettig samenleven ook niet. Daar moet je echt voor gaan staan.”

Wat is het wezenlijke verschil tussen Kamerlid en departementaal ambtenaar zijn?

“Ik was ambtenaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dan denk je erg in processen en vooral in het dienen van de minister. Ik werkte voor de ministers Remkes (VVD), De Vries (PvdA) en Pechtold (D66). Op een departement was ik drie weken met een notitie bezig. Als Kamerlid heb je drie debatten in een week. Ik doe veiligheid, migratie, jeugdzorg, dat is een heel andere manier van werken.”

Kamervoorzitter Khadija Arib zei dat partijen zuiniger moeten zijn op hun Kamerleden.

“Nu worden mensen met een beetje pech meteen afgerekend op het eerste jaar dat ze er zitten. Dat doet de mensen geen recht, dat doet het vak geen recht: het is echt een ambacht. Iets wat je moet leren. Ik kreeg de kans om gewoon vier jaar in het vak te groeien en te gaan oogsten. Je bent een schaap met vijf poten, je moet je netwerk op orde hebben, kunnen debatteren, de mediadynamiek aankunnen, je moet een boodschap kunnen verkondigen. Je wordt geparachuteerd en de verwachtingen zijn meteen onmenselijk hoog.”

U werd in 2016 ineens fractieleider toen ­Diederik Samsom de strijd om het lijsttrekkerschap verloor van vicepremier Asscher.

“Het was een hectische tijd. Diederik ging weg en iemand moest het doen. Ik heb mijn vinger opgestoken omdat ik vind dat ik de juiste persoon was voor deze klus. En we zijn meteen aan het werk gegaan. We hebben tot en met de laatste fase nog onderhandeld over 275 miljoen euro extra voor het onderwijs. Als vicefractievoorzitter was ik eigenlijk overal al bij betrokken, het enige nieuwe was dat Mark Rutte er nu bij zat. Ik vond het fijn om besluiten te nemen, het was zeer leerzaam.”

Was het werkelijk menens dat de PvdA het demissionaire kabinet had kunnen laten vallen als er geen extra geld voor onderwijs kwam?

“Het was wel stevig. We waren heel serieus. En wie A zegt moet ook B durven zeggen. Wij vonden ook echt dat deze claim gerechtvaardigd was. Het waren pittige gesprekken. Als het had gemoeten was het kabinet hierop gevallen. Maar dat hebben we niet expliciet besproken.”

Hoe kijkt u naar de politieke cultuur in Den Haag?

“Ik zie steeds meer versplintering en polarisatie, de toon is hard. Mensen houden daar niet van. Die willen wel een duidelijk verhaal. Het zou voor de samenleving fijn als men zich meer realiseert dat je het van samenwerken moet hebben. Je hebt altijd een meerderheid nodig. En je moet beseffen dat niet alles hier en nu is, maar dat je ook vooruitkijkt. Dat vraagt visie en lef, dat mis ik.”

De kans is groot dat de PvdA volgend jaar gaat regeren. Is de partij er weer aan toe?

“Dat is eerst aan de kiezer. Maar ik zit in de politiek omdat ik aan de knoppen wil zitten en niet om de makkelijkste weg te kiezen. Het zal echt afhangen van de uitslag en met welke partij het kan. Kunnen we dingen die we hebben beloofd voldoende waarmaken? Zoals ik pas tegen een VVD-collega zei: als er nu weer in jullie verkiezingsprogramma staat: we gaan voor een kleine publieke sector, kleine overheid, hoe geloofwaardig ben je dan?”

Als Lodewijk Asscher zegt: Attje, ik heb je nodig in het kabinet, zou u daarvoor in zijn?

“Vrouwen zijn vaak te bescheiden. Je moet gewoon ja zeggen als je voor dat soort dingen wordt gevraagd. Zo ben ik ook in de politiek gekomen. Toen ik twijfelde of ik me kandidaat wilde stellen, zei Jeltje van Nieuwenhoven tegen me: ‘Als alle vrouwen zich zo opstellen, krijgen we nooit meer vrouwen in de politiek.’ Jeltje was voor mij als meisje uit de provincie een voorbeeld.”

U woont in Breda maar komt uit Friesland. Hoe werkt dat?

“Dat was moeilijk. De verschillen zijn groot. In Brabant moet je elkaar echt leren kennen via het netwerk. Maar ze zijn ook lief en bourgondisch en vertoeven in een warm nest. In Friesland lijkt het harder, maar als je bij een Fries het goede doet of je zet een potje bier neer, dan is het klaar. Het is direct, dat is wel een cultuurverschil. Friezen beschouwen zichzelf als één grote familie. Maar Brabant is thuis.”

Burgemeester

“Ik heb in mijn studententijd eens gezegd dat ik ooit burgemeester wil worden. Dat sluit ik nog steeds niet uit, dat ik over een jaar of tien burgemeester word. Ik vind me zelf er wel geschikt voor.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden