PlusInterview

Ivo Opstelten: ‘Ook nu kan ik niet verklaren waarom ik het toen zo deed’

Rasbestuurder Ivo Opstelten (75) was een gevierd burgemeester, maar sneuvelde als minister over de bonnetjes­affaire. Hij blikt terug en voelt geen spijt. ‘Ik heb geblunderd, maar had er niets van willen missen.’

Beeld Marco De Swart

Na zijn aftreden was het stiller dan ooit in huize Opstelten te Rotterdam. Geen chauffeur om hem op te halen, geen continu getelefoneer. Al belde nu en dan iemand. “De clubjes waar ik altijd al in stilte in had gezeten belden: nu heb je tijd en nou kóm je ook.”

Hij is de vleesgeworden bestuurder, geboren burgemeester misschien, law-and-orderman.

Maar ook: geen ideoloog. Wel iemand met een onwrikbare mening. Maar als deze toch verandert, verdedigt hij zijn nieuwe mening even vurig. Altijd ging zijn vertrek gepaard met applaus en lovende woorden. Eerst in het nietige Dalen, waar hij de jongste burgemeester tot dan werd. Later in Doorn, Delfzijl, Beerta, Tilburg, Utrecht en natuurlijk ‘zijn’ Rotterdam.

Wanklanken klonken zelden. Tot zijn val als minister, maar daarover zo meer.

Opstelten verkoos sinds zijn aftreden in maart 2015 de luwte, maar nu ligt er een boek met en over hem. Al twijfelde hij eerst wel of dat er moest komen. Angst voor ‘ijdeltuiterij’. “Of het is net alsof ik iets recht wil zetten, maar dat is mij vreemd.” Toch kwam het er, voor de geschiedschrijving. Hij schreef het niet zelf, maar liet dat aan oud-journalist Ron Meerhof. “Iedereen die mij kent, weet dat ik niet kan schrijven.”

Uw carrière was ineens gedaan. Dat moet toch pijn hebben gedaan.

“Toch niet. Al voelde ik ook geen opluchting. Een moment van ‘verdomme’ heb ik natuurlijk ook gehad. Maar geen droefgeestig gedoe. Het hoort erbij.”

Toch was uw aftreden als minister de eerste keer dat u ergens werd weggestuurd.

“Ik heb me vaak een zondagskind gevoeld. Het marcheerde altijd wel, maar op dat moment niet. Het irriteert wel, maar ik had fouten gemaakt.”

Zijn loopbaan als burgemeester krijgt in 2010 een Haags vervolg wanneer Mark Rutte hem vraagt als minister. Opstelten en Fred Teeven – eerder officier van justitie– zullen het ministerie van Justitie bestieren als ware crimefighters. Om die reden wordt het departement ook omgedoopt tot Veiligheid en Justitie. Iets waar Opstelten zich als informateur binnenskamers tegen verzette, stelt hij. “Ik vond dat té. VVD, CDA en PVV wilden het eerst alleen het ministerie van Veiligheid noemen, maar ik heb zelf op het strategisch juiste moment ingebracht dat het verstandig was om het woord justitie in de naam op te nemen. Vanwege gezag, maar ook zodat het in het buitenland duidelijk zou zijn. Daar stemden zij mee in, maar ik ging één stap te ver door ook nog voor te stellen Justitie eerst te noemen, zoals het nu weer is. Ze zeiden: je hebt nu wel genoeg, het is klaar.”

Op het departement loodst Opstelten er de oprichting van de Nationale Politie doorheen, iets waar hij zelf juist tegen was in zijn tijd als burgemeester. “Maar ik ben daarvan teruggekomen.”

Even gaat het crescendo. “In Rutte I leek mijn ministerschap een foutloze operatie.” Daarna, stelt hij, kwam er ‘een momentum’ van kritiek, die met ‘dat bonnetje manifest is geworden’. “Zo voel ik dat.”

En dan te bedenken dat hij in 2012 bijna niet was doorgegaan als bewindsman toen het kabinet Rutte II een feit werd. Rutte belt hem als Opstelten net een praatje houdt in het Drentse Dalen, waar hij ooit burgemeester was. “Ik zei: heren, deze moet ik even aannemen. Met mijn achterwerk naar de zaal en het hoofd tussen de gordijnen nam ik op. Mark zei: ‘Ik wil even laten weten dat we nog een keer met je door willen gaan, samen met Fred’. Ik zei: laten we daar nog even over praten. ‘Dat vind ik goed’, zei Rutte. ‘En fijn dat we dat nu even hebben gedaan’. En paf, toen hing hij op. Later heeft hij nog wel gebeld en gezegd dat niemand het gek zou vinden als ik halverwege zou opstappen.”

In Rutte II heeft Opstelten het zwaarder. Nieuwsuur verhaalt in maart 2014 van een deal die Teeven in zijn tijd als officier sloot met crimineel Cees H.. Teeven probeerde in de jaren negentig het criminele vermogen van H. af te pakken, maar toen dat spaak liep, maakte hij een deal waar H. geld aan overhield, zonder medeweten van de Belastingdienst. Als de Kamer na de Nieuwsuur-onthulling vraagt om welke bedragen het ging, doet Opstelten, zo zegt hij nu, ‘iets enorm stoms’ tijdens een debat. “Ik ging daar staan rekenen. Totaal improviseren.”

Op het ministerie weet men namelijk niet wat de deal exact was. Want: het onderliggende document, het bonnetje, was onvindbaar. Toch noemt Opstelten bedragen, afgeleid uit een rekensom van de bedragen die wél bekend zijn van de schikking. “Maar dat deed ik dus compleet uit het hoofd, zonder te weten of ik dat zo kon berekenen. Abominabel stom.”

U was al een ervaren bestuurder. Waarom deed u dat?

“Ik heb geblunderd in dat dossier. Dat vind ik echt. Ik was daar veel meer als burgemeester aan het opereren. Ik dacht de boel met mijn rekensom te bezweren. Maar er is geen excuus voor: het was een keiharde blunder.”

Dat is toch onverklaarbaar.

“Dat ben ik helemaal met u eens. Ik had gewoon tien keer achter elkaar moeten zeggen: ik weet het niet en het bonnetje is zoek. En ik kreeg die aanbeveling ook wel van ambtenaren, maar dat deed ik gewoon niet. Ook nu kan ik niet verklaren waarom ik dat zo deed.”

In het debat houdt hij de Tweede Kamer zelfs voor dat het ‘een kwestie van vertrouwen’ is of de parlementariërs hem willen geloven dat het bedrag dat hij noemt correct is. “Nou dat heb ik thuis moeten weten.” Zijn altijd kritische vrouw Mariëtte is die avond helder: “Die zei: ‘Nou Stelten. Dat was wel ongeveer het stomste wat je zeggen kon’.” Opstelten: “Dat was mij inmiddels ook gewaar.”

Wat de situatie precair maakt, is dat Teeven die als officier van justitie de deal met Cees H. sloot, dan zijn politieke partner is. Maar Opstelten weigert bekend te maken wat diens herinneringen aan de deal zijn. “Hij noemde een hoger bedrag aan mij dan waar we toen aan dachten en ik vond dat dit bijdroeg aan de verwarring, omdat wij niet beschikten over andere documenten waarin dat was onderbouwd. Daarom zijn z’n herinneringen niet openbaar gemaakt. Dat was ook een fout. Had ik wel moeten doen. Dat was ook fair geweest naar de Kamer. Nu was het net of we iets wilden verbergen, maar dat was het niet. Ik heb daar veel te formalistisch geopereerd.”

Ondertussen loopt hij verdere malheur op in een debat over de aanpak van jihadisten. De statuur van Opstelten loopt deuken op. Hij zegt vaak ‘euh’, moet antwoorden schuldig blijven, of antwoordt onnavolgbaar. “Ik heb toen aan Rutte gevraagd of het tijd was voor mijn aftreden, maar hij wilde er niet van weten.”

Een half jaar voor zijn vertrek, denkt VVD-fractieleider Halbe Zijlstra daar anders over. Die stuurt VVD-voorlichter Henri Kruithof naar het departement om duidelijk te maken dat Opstelten wellicht beter kan gaan. Maar Opstelten vat ‘dat signaal’ niet zo op. Pas bij het schrijven van het boek begrijpt hij dat er werd gehint op zijn vertrek. Maar eind 2014 staat hij nog in een andere modus. Liever richt hij zich nog één keer op. Debatten bereidt hij nu en dan zelfs voor met Rutte als ze gezamenlijk moeten optreden. “Dat ging respectvol, maar wel duidelijk. We gaven dan antwoorden op vragen die de Kamer zou kunnen stellen. En dan zei Mark gerust: ‘Nee Ivo, dat was niet goed genoeg. Nog een keer!’ Dat hielp. Ik wilde mij revancheren. Daarna ging het ook beter.”

Onderweg naar een Kamerdebat legt een camera in die tijd vast hoe Opstelten in zichzelf power, power, power mompelt. Nu lacht hij er om. “Ik heb mezelf daar ook over verbaasd. Ik snap dat mensen dachten: heeft hij zichzelf nog wel onder controle als hij power tegen zichzelf moet roepen. Maar het waren soms spannende momenten in de Kamer en dan doe je ineens zoiets.”

Opstelten heeft onderwijl opdracht gegeven tot een zoektocht naar het bonnetje. Die levert niets op. De minister legt zich daarbij neer. “Weer een fout. Ik had met alle beschikbare ambtenaren naar het paleis van justitie moeten gaan en de dozen ondersteboven moeten houden. Maar ik ben niet scherp genoeg geweest. Daar begrijp ik zelf ook helemaal niets van, want het is tegen mijn natuur in.”

Als het bonnetje dan alsnog opduikt, is Opsteltens aftreden onvermijdelijk. “Ik had de Kamer onjuist geïnformeerd en wist, het is klaar.” Het wrange is wel: met vrouw Mariëtte en zijn kinderen heeft hij dan al op twee momenten gesproken over een vroegtijdig vertrek. Zowel in de zomer van 2014, na het jihaddebat, als in het najaar. Jeugdliefde Mariëtte is hem zijn hele werkzame leven gevolgd, terwijl ze in de luwte werkte aan haar eigen carrière als rechter, maar ook zij weet dat het eind een keer in zicht komt. Opstelten: “Maar ik wilde mij herstellen. Ik vond geen natuurlijke reden om af te treden. En dan ga ik door. Zo zit ik in elkaar.”

Toch heeft de hele affaire ook het beeld opgeleverd dat informatie is achtergehouden.

“Dan zeg ik: nee. Dat is niet zo. Dat heeft de commissie die de zaak heeft onderzocht ook vastgesteld. Ik vind dat beeld niet terecht. Ik heb gewoon fouten gemaakt, het dossier totaal onderschat. Vanaf het begin door er veel te laconiek in te zitten en vervolgens toen het scherp werd niet scherp genoeg te zijn.”

Men zal over zijn aftreden geen spoor van verbittering bij hem vinden, stelt hij. “Je zit er voor je club, je zit er voor het land. En als je geen toegevoegde waarde meer hebt, moet je weg. Zo simpel zie ik dat. Mijn koffer heeft mijn hele carrière gepakt bij de deur gestaan.”

U wilde als twintiger al burgemeester worden. Bent u oud geboren?

“In mijn Leidse studententijd dachten mijn vrienden dat ik het bedrijfsleven in zou gaan, bankier, mijn vader achterna. Maar ik wilde de veelzijdigheid van het vak van bestuurder. De hele dag dingen op je bureau, beslissingen nemen. De politieke component en de onzekerheden die erbij horen. Dat sprak mij aan.”

Zijn carrière raakte uiteindelijk vervlochten met die van Rutte. Het was immers Opstelten die voor Rutte vocht toen deze het om het VVD-lijsttrekkerschap opnam tegen Rita Verdonk. Toen er twijfel was in de partij, hield Opstelten – inmiddels partijvoorzitter – zijn protegé in het zadel.

Wat bezielde u destijds?

“Ik had al snel geloof in Mark. Toen hij voorzitter van de jongerenpartij was gaf hij eens een speech. Ik tikte iemand op de schouders en zei: dat is hem! Voor een aantal periodes zitten we goed. Hij is gewoon een lid van de familie, meer dan Rita was. En hij maakte het waar. Mark is de vader, de leider, de pappie, zeg ik dan.”

Uw eigen nalatenschap is ook dat er, volgens uw opvolger minister Grapperhaus, in uw tijd een drugsmaffia is ontstaan.

“We hebben daar ook dingen tegen gedaan, zoals de regionale taskforce Brabant, maar met de kennis van nu blijkt dat niet genoeg. Tijdens de oprichting van de Nationale Politie hebben we ingezet op wat mensen direct merkten: overvallen, inbraken. Die resultaten liggen er.”

Toch is de hand van de drugsmaffia nu ook merkbaar.

“Dat zeg ik: we hadden misschien meer moeten doen. De minister wijst daar terecht op. Ik vind het niet erg dat hij dat zegt.”

U heeft al met al geen aanleg voor rancune, lijkt het.

“Nee, nog niet het begin. Mijn hele carrière, ook het einde: Ik had er niets van willen missen.”

Ron Meerhof: Opstelten, een leven in het openbaar bestuur, De bezige bij, 27 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden