Humphrey Lamur, oud-hoogleraar culturele antropologie aan de UvA: ‘In de jaren zeventig kon je de mensen die zich serieus met het onder­werp slavernij  bezighielden, tellen op de vingers van één hand.’

PlusAchtergrond

Humphrey Lamur verdiepte zich in de praktijk van de slavernij

Humphrey Lamur, oud-hoogleraar culturele antropologie aan de UvA: ‘In de jaren zeventig kon je de mensen die zich serieus met het onder­werp slavernij bezighielden, tellen op de vingers van één hand.’Beeld Ernst Coppejans

Humphrey Lamur verdiepte zich als een van de eerste wetenschappers in Nederland in de praktijk van de slavernij. Het onderzoek maakte hem verdrietig en boos.

Het koloniale verleden is Humphrey Lamur (86) niet met de paplepel ingegoten. Thuis in Suriname werd in elk geval nooit over slavernij gesproken. “Het was bij ons geen onderwerp van gesprek,” zegt Lamur. “Ik was er achteraf wel blij mee dat ik een onbezorgde jeugd heb gehad. We gingen met het gezin geregeld naar de plantage Alliance, waar een oom directeur was van het lokale ziekenhuis. Dat waren heerlijke uitstapjes. Ik ontdekte pas later dat mijn voorouders als slaaf hadden gewerkt op dezelfde plantage.”

In de jaren zeventig was socioloog Lamur een van de eerste onderzoekers in Nederland die zich stortte op het onderwerp slavernij. “Ik was in Amsterdam gepromoveerd op de demografie van Suriname en kreeg een aanstelling als wetenschappelijk docent. Het onderwerp slavernij was in die tijd nog braakliggend terrein. Je kon de mensen die zich er serieus mee bezighielden, tellen op de vingers van één hand. Er was gewoon weinig belangstelling voor.”

Lamurs nieuwsgierigheid ging uit naar de dagelijkse praktijk van de slavernij. Hoe ging het er toe? “Ik had als kind in Suriname een overgrootmoeder die de slavernij nog had meegemaakt. Ik zag haar af en toe in het huis van mijn groot­vader. Ik herinner me dat ze mij en mijn broers een keer toeriep dat wij alleen maar konden spelen. ‘Ik ben slaaf geweest,’ voegde ze er aan toe, ‘ik moest werken’. Ik weet nog dat ik een beetje verbolgen was. Ik poetste toch zelf mijn schoenen?”

Tot in detail beschreven

Met die overgrootmoeder in gedachten dook de volwassen socioloog in de geschiedenis van de plantage Vossenburg in Commewijne. Lamur verdiepte zich in de registers en de rapportages van de zendelingen over hun werk in Suriname. “Ik heb er oud-Duits voor moeten leren lezen, maar de brieven waren een fantastische bron. De zendelingen registreerden de slaven op de plantages, maar ze noteerden ook hun impressies van het dagelijks leven.”

Deze zogenoemde specialiën voerden Lamur terug in de tijd. Dat was geen onverdeeld genoegen. “Het wordt allemaal in detail beschreven: het straffen van slaven, het ophangen van slaven, het mishandelen van slaven. U moet zich voorstellen: u wordt door de planter afgeranseld, maar niet voordat uw kinderen erbij zijn gehaald om toe te kijken hoe hun vader wordt afgestraft. Het was een verschrikkelijke tijd.”

Lamur moet er even over nadenken wat al die bevindingen met hem deden en zegt dan: “Ik werd boos, ik was verdrietig, ik was woedend en eerlijk gezegd: ik begreep het niet. Ik begrijp nog steeds niet hoe de ene mens de andere mens zo slecht kan behandelen. En dan heb ik het nog niet eens over het seksueel misbruik van meisjes van amper veertien jaar. Dat kwam op veel plantages voor. De kinderen die uit zo’n relatie voortkwamen, waren eigendom van de eigenaar van de plantage.”

Na een korte pauze. “Tijdens mijn studie raakte ik goed bevriend met Gerhard Durlacher, de latere schrijver. Hij vertelde me over zijn tijd in Auschwitz en hoe hij als jongetje van twaalf zonder ouders terugkeerde uit het kamp. Het ouderlijk huis in Amsterdam was ingepikt. De mensen die daar woonden, riepen dat hij moest ophoepelen. Het is een andere geschiedenis, maar ik zie toch parallellen met de slavernij. Hoe haal je het in je hoofd een ander zo te behandelen?”

Lamur schreef uiteindelijk drie boeken over Vossenburg. Dat ging niet zonder slag of stoot. “Mijn eerste artikel had ik aangeboden bij een wetenschappelijk tijdschrift. Ik kreeg te horen dat het onderwerp niet relevant was en niet interessant. Maar een Amerikaanse socioloog kreeg het stuk bij toeval onder ogen. Die wilde het graag opnemen in een bundel. Er verscheen een stuk over mijn onderzoek in een Britse krant. Toen ging het balletje ook hier rollen.”

Standaardwerk

Daarna volgde ook de wetenschappelijke erkenning. Van 1984 tot 1998 werkte Lamur als hoogleraar aan de UvA. Na zijn emeritaat begon hij samen met zijn echtgenote aan een enorme klus: een boek met de namen en familieverbanden van de 35.000 tot slaaf gemaakten die bij de afschaffing van de slavernij in 1863 in Suriname leefden. “Het was een vreselijk karwei. Ik viel vaak ’s avonds om negen uur in slaap van vermoeidheid. Maar het was een belangrijk boek voor mij.”

Het in 2004 gepubliceerde boek is een standaardwerk geworden voor de Surinamers die nieuwsgierig zijn naar hun voorouders. “Het gaf nog een hoop gedoe hoor. Op een gegeven moment kreeg ik geen stukken meer op het Nationaal Archief. Het bleek dat een paar Nederlandse onderzoekers hetzelfde wilden doen en de leiding van het archief aan hun kant hadden gekregen. Gelukkig kende ik iemand die nog hoger in de boom zat. Die heeft een einde gemaakt aan de tegenwerking.”

Altijd die economie

De publicatie van Familienaam & Verwantschap van Geëmancipeerde Slaven in Suriname viel samen met een nieuwe belangstelling voor het onderwerp slavernij. Er kwamen een monument en herdenking in het Oosterpark, het slavernij-instituut Ninsee werd opgericht, er verschenen veel boeken over de duistere kanten van het koloniaal verleden.

Lamur is blij met elk boek, maar voegt er wel aan toe dat het in Nederland nog steeds vaak gaat over de economische aspecten van de slavernij. “Ook nu draait het vooral om de economie. Wie hebben er van de slavernij geprofiteerd? Mijn belangstelling gaat toch meer uit naar wat het voor de mensen heeft betekend, toen en nu.”

Op excuses voor het slavernijverleden zit hij niet te wachten. “Ik ben er niet tegen hoor, maar ik zal er zelf nooit om vragen. De slavernij heeft 200 jaar geduurd. Om daar 150 jaar later excuses voor aan te bieden… Het wekt bij mij de indruk dat er vooral behoefte is om iets af te sluiten.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden