Plus Achtergrond

Hoe voorkomen beroemde musea dat ze bezwijken onder de drukte?

De Eregalerij van het Rijksmuseum aan het begin van de middag. Beeld Dingena Mol

Beroemde musea staan hoog op de to-dolijst van toeristen, maar sommige kunsttempels dreigen te bezwijken onder hun succes. Extra vleugels, uitgekiende tijdsblokken en virtuele exposities verlichten de druk wat. Maar moet de bezoeker niet ook zijn gedrag aanpassen? ‘Veel mensen lopen uitgeput naar buiten.’

Eigenlijk is het de schuld van Beyoncé en Jay-Z. Vorige zomer lanceerden zij hun hit Apeshit met bijbehorende ­video die in het geheim was opgenomen in het Louvre. Al rappend voor Théodore Géricaults Het vlot van de Médusa en dansend voor de 22 eeuwen oude Nikè van Samothrake bewogen zij zich door het Parijse museum. Voor het einde van het jaar was de teller van YouTube de 150 miljoen views al gepasseerd. Een hoop fans wilden vervolgens de kunstschatten waar de Carters aan refereren ook met eigen ogen zien en het Louvre sloot 2018 af met 10,2 miljoen bezoekers, ruim een kwart meer dan het jaar daarvoor. Een absoluut record voor de Parijse kunsttempel. En een totale ramp volgens velen.

“Wij weigeren ons neer te leggen bij de transformatie van ons museum tot een cultureel Disney­land.” De vakbondsleden die op 27 mei vooropgingen in de staking van het Louvre-personeel, gebruikten duidelijke taal. Het is druk, veel te druk in het grootste kunstmuseum ter wereld. De rij bezoekers die naar binnen willen, kronkelt op weekenddagen als een lange slang rond de glazen piramide op de binnenplaats. Bij de Mona Lisa staan de bewonderaars elkaar als in een rugbyscrum te verdringen om een foto, of liever nog: een selfie te maken. Suppoosten worden in het nauw gedreven door ongeduldige wachtenden en uitgemaakt voor rotte vis. Van de contemplatie en inspiratie die een museum idealiter biedt, blijft zo weinig over.

Lopendebandwerk

Het personeel ging na één dag weer aan de slag maar de drukte blijft onverminderd hoog, geeft ook de woordvoerder van het Louvre toe. “Daarom hebben alleen bezoekers die hun kaartjes hebben gekocht via de officiële museumwebsite gegarandeerd toegang.”

Maar het wordt waarschijnlijk alleen nog maar drukker. De zomer is altijd goed voor een stevige piek in bezoekersaantallen. En de grote Leonardo da Vincitentoonstelling, die op 24 oktober van start gaat, wordt een geheide hit. Volgens pessimistische voorspellingen gaat het Louvre binnen vijf jaar door de grens van 12 miljoen museumgangers.

Het Louvre met de Nikè van Samothrake. Beeld Getty Yaw-Ming Tsai

Het Louvre is zeker niet het enige museum dat aan zijn eigen succes ten onder dreigt te gaan. Op reisplatforms en sociale media wemelt het van de negatieve reacties van toeristen die zijn afgeknapt op grote musea. Vooral blockbustertentoonstellingen zijn een recept voor frustratie. Zo is iedereen het er over eens dat Late Rembrandt (2015) in het Rijksmuseum een unieke presentatie was die waarschijnlijk nooit meer zo zal plaatsvinden, maar de meer dan een half miljoen liefhebbers die langs de schilderijen schuifelden stonden elkaar regelmatig zo in de weg, dat het enige uitzicht bestond uit de achterhoofden van andere bezoekers.

Het kan achter altijd nog erger. Tijdens Yayoi Kusama: Infinity Mirrors (2017) in het Hirsh­horn Museum in Washington DC stonden medewerkers met een stopwatch bij de ingang van Kusama’s spiegelkamers. Wat een geestverruimende ervaring hoort te zijn, verwerd tot lopendebandwerk: naar binnen, vijftien seconden en hop, volgende!

Toch zullen musea niet snel een maximum stellen aan hun bezoek. Ze zijn veelal gefinancierd met publiek geld en willen niemand buitensluiten. Of zoals de Louvrewoordvoerder het stelt: “Op een bepaalde manier zijn we allemaal toeristen en iedereen heeft het recht om de schoonheid van de wereld te ontdekken.”

De drukte in musea is letterlijk een luxe­probleem. Het cultuurtoerisme is geëxplodeerd door toegenomen welvaart, in het bijzonder in Azië, Oost-Europa en het Midden-Oosten. De nieuwe middenklasse die daar is ontstaan, heeft haar geld eerst besteed aan consumptiegoederen. Maar nu ze behalve meer middelen ook meer vrije tijd krijgt, meet zij zich een levensstijl aan die vergelijkbaar is met die van de westerse middenklasse vanaf de jaren zestig. Reizen is daar een belangrijk onderdeel van en bezoek aan grote musea staat standaard op de bucketlist. Een recente enquête wees uit dat zestig procent van de bezoekers aan het British Museum uit het buitenland komt. Bij andere publiekstrekkers zal het niet veel anders zijn.

Niet dat die museumbezoekers allemaal verstokte kunstaficionado’s en fanatieke cultuurconsumenten zijn. Maar beroemde musea en iconische kunstwerken zijn door net iets te effectieve citymarketing tot symbool van steden geworden: geen beter bewijs van je reis naar Florence dan een pose naast de David. Bij de koffieautomaat op het werk scoort een cultureel uitje ook veel beter dan een luxueuze winkelexcursie of een middagje paragliding. Het verleent de museumbezoeker een flintertje cultureel kapitaal, de smaak en culturele kennis van de bovenklasse waar de opkomende middenklasse zich aan probeert op te trekken.

De Franse socioloog Pierre Bourdieu muntte de term in 1979, maar ‘cultureel kapitaal’ was al een belangrijke factor in de begindagen van het massatoerisme, eind negentiende eeuw. Voor die tijd waren cultuurtripjes voorbehouden aan adellijke jongelingen, die bij wijze van overgangsritueel een Grand Tour maakten langs de Europese kunstschatten. Met de komst van trein en stoomschip kwam het reizen binnen bereik van de opkomende burgerij en handige zakenlieden als Thomas Cook speelden daarop in. Deze oervader van het massatoerisme begon met georganiseerde dagjes naar het strand van Brighton, maar specialiseerde zich al snel in arrangementen om de antiquiteiten van Italië, Griekenland en Egypte te zien.

De Vaticaanse Musea met Michelangelo’s fresco’s in de Sixtijnse kapel. Beeld Getty/ Spencer Platt

De aantallen toeristen lagen toen echter veel lager dan tegenwoordig en dat geldt ook voor hun impact, die nu soms ronduit schadelijk is. In de Sixtijnse kapel, waar afgelopen jaar vier keer zoveel mensen doorheen liepen als in 1980, wordt op piekdagen de dubbele hoeveelheid CO2 uitgeademd die het klimaatsysteem aankan. De wereldberoemde fresco’s van Michelangelo worden sluipenderwijs vernietigd.

‘Gallery rage’

Er is ook direct zichtbare, fysieke schade door gedrang in museumzalen. Musea geven er niet graag ruchtbaarheid aan, maar ondanks alerte suppoosten en piepende sensoren gaat er nog wel eens wat kapot. De Townley Venus (tweede eeuw na Christus) in het British Museum is al meerdere keren vingers kwijtgeraakt.

Ook bij de bezoekers zelf kan er iets kapotgaan. Het is immers lastig concentreren, laat staan genieten, als je telkens positie moet kiezen om een werk te zien. De irritatie kan hoog oplopen als je veroordeeld bent tot het luidruchtige commentaar van medebezoekers of voor de voeten wordt gelopen door audiotourvolgers die als zombies de instructies uit hun koptelefoon volgen. En dan wil het zomers bij grote drukte ook nog eens behoorlijk warm worden in sommige musea.

Naar aanleiding van een uit zijn voegen barstende Gauguintentoonstelling in Tate Modern bedacht een Britse criticus de term gallery rage voor het gedrag dat dan ontstaat. Keurige meneren en mevrouwen stampvoetten naar buiten, verscheurden hun kaartje en riepen op hoge toon nooit meer terug te komen.

De makkelijkste oplossing voor al te drukke museumzalen is het bezoek verspreiden over meer vierkante meters. Wereldwijd worden musea dan ook onderkelderd, opgehoogd met verdiepingen of van nieuwe vleugels voorzien. In Londen is het tentoonstellingsoppervlak van Tate Modern meer dan verdubbeld door een kolossale aanbouw en wordt momenteel gewerkt aan een extra large ondergrondse entreehal en expositieruimte bij het Victoria & Albert Museum. Het Amsterdamse Rijksmuseum heeft nog geen behoefte aan dat soort ingrepen, maar stelt zomers de tuinen open met speciale sculptuurpresentaties om het bezoek wat te spreiden.

Het British Museum met de Lely Venus. Beeld Getty Richard Baker

Bij het British Museum zijn in 2015 de twee meter brede deuren vervangen door grotere exemplaren om opstoppingen bij de ingang te verhelpen. Om precies diezelfde reden liet het Louvre in 1989 de glazen piramide op het voorplein bouwen. Maar die constructie was toegerust op het toenmalige bezoekersaantal van ‘slechts’ 4,5 miljoen. Een kwart eeuw later werd nog eens 53 miljoen euro uitgetrokken om het aantal deuren te verdubbelen.

Behalve over de ruimte zijn bezoekersstromen ook uit te smeren over de tijd. Veel grote musea hebben tegenwoordig avondopenstellingen. Het Prado in Madrid is sinds 2012 zelfs alle dagen van de week open en sluit alleen op zondag voor 20.00 uur. In bijzondere gevallen worden openingstijden nog verder opgerekt. Tijdens de ­Matissetentoonstelling in 2014 was Tate Modern 36 uur achter elkaar open. Twee jaar later ging het Noordbrabants Museum daar met 39 uur non-stop openstelling overheen in het slotweekend van Jheronimus Bosch – Visioenen van een genie.

Verval van werken

Toch zijn verruimde toegangstijden niet altijd een optie. In het geval van schilderijen en tekeningen is de tentoongestelde kunst te kwetsbaar om meer dan 36 uur per week te worden blootgesteld aan licht, zelfs als dat maximaal 50 lux is en strikt gecontroleerd.

Het Van Gogh Museum zal om die reden niet langer openblijven. “Er is een maximum aan het aantal uren licht als we het verval van de werken niet willen versnellen,” stelt zakelijk directeur Adriaan Dönszelmann. “In het hoogseizoen zijn we wat langer open, in het laagseizoen wat korter. En er zit een beetje speling in, zodat we bijvoorbeeld bij Hock­ney wat extra’s konden doen.”

In plaats van de bezoektijd te verruimen probeert het Van Gogh Museum de kwaliteit van het bezoek te vergroten door middel van tijdsblokken. Het museum geldt als voorloper op dit gebied en deelt haar kennis met onder andere het Louvre, dat dit jaar het systeem van online kaartverkoop voor specifieke starttijden overneemt.

Het Hirshhorn Museum in Washington met werk van Yayoi Kusama. Beeld Getty The Washington Post

“Rond de opening van het nieuwe entree­gebouw, in 2015, zijn we begonnen te expe­ri­men­te­ren met tijdsblokken,” zegt Dönszelmann. “De eerste ervaringen waren positief maar met 200 kaartjes per twee uur hadden we de blokken wat ruim genomen. Zo stonden er alsnog 200 man tegelijk bij de garderobe om hun jas in te leveren. Staps­gewijs zijn we naar kortere intervallen gegaan, van een uur en zelfs een halfuur. Daar kunnen we mee spelen, afhankelijk van het moment van de dag, de tijd van het jaar en zelfs het weer. Vroeger hadden we een duidelijke piek tussen 11.00 en 15.00 uur en nu is het bezoek veel beter verspreid over de dag.”

Vanuit je luie stoel

Een veel radicaler middel tegen museumdrukte: stoppen met blockbustertentoonstellingen. De Britse kunstcriticus William Feaver heeft meermalig gepleit voor kleinere, minder hijgerige tentoonstellingen in plaats van ‘pelgri­mage­achtige evenementen waarbij bezoekers vastberaden zijn om waar voor hun duur betaalde ticket te krijgen’. De meeste museumdirecteuren voelen echter weinig voor zo’n koers­wijziging. Grote publiekstentoonstellingen zorgen immers voor publiciteit en inkomsten door kaartverkoop en subsidies, die doorgaans gekoppeld zijn aan bezoekersaantallen.

Wat wel gebeurt: het opsplitsen van publiekstrekkers. Het Smithsonian in de Amerikaanse hoofdstad Washington DC is met zijn verzameling specialistische instellingen een schoolvoorbeeld. Maar ook in Frankrijk wordt langs deze lijnen gedacht. Centre Pompidou heeft een dependance in Metz en sinds vorig jaar ook een in Brussel. Het Louvre exploiteert een zuster­organisatie op 200 kilometer afstand van Parijs in Lens, maar ook eentje 5200 kilometer verderop in Abu Dhabi. En in landen als Griekenland en Cyprus is decentralisatie van culturele instellingen al sinds het begin van deze eeuw officieel overheidsbeleid.

Tate Modern met Ai Weiweis Tree. Beeld Shutterstock

Het Google Cultural Institute draagt met zijn Art Project ook een steentje bij aan het afremmen van bezoekersstromen. In samenwerking met ruim 250 instellingen zijn tienduizenden kunstwerken van meer dan 6000 kunstenaars online gezet. Met Google Street View zijn ook tours samengesteld waarmee je een virtueel bezoek kunt brengen aan een museum naar keuze. Niks geen wachtrijen of klamme opstoppingen meer, alles is perfect zichtbaar vanuit de luie stoel thuis. Beter zelfs dan in het echt, want de hd-foto’s kunnen tot wel 12 keer inzoomen op details, waardoor je bijvoorbeeld de plafond­schildering van Marc Chagall op het 18 meter hoge plafond van de Parijse Nationale Opera in ongekende close-up kunt bekijken.

Voor bezoekers op zoek naar een selfie­souvenir zal dit echter niet volstaan. Die willen de kunstwerken fysiek meemaken. Aangezien het doorgaans geen puristen zijn en vooral de experience telt, kunnen replica’s soms uitkomst bieden. Wie het Rijksmuseum tijdens ­Alle Rembrandts te benauwd was, kan deze zomer ­terecht in de ruime hallen van de RAI, waar ­onder de titel Discover Rembrandt – His Life and All His Paintings digitaal opgepoetste reproducties van alle 350 bekende schilderijen van de meester worden getoond.

Ook als musea de drukte redelijk onder controle hebben, blijven ze studeren op verbetering. “Wij doen iedere dag bezoekersonderzoek,” zegt Hendrikje Crebolder, directeur development & media van het Rijksmuseum. “Na de Late Rembrandt hebben we onze bloktijden voor Alle Rembrandts geoptimaliseerd. En het werkte: het publiek gaf ons een rapportcijfer van 8,1. We proberen onze bezoekers zo goed mogelijk te begeleiden, met een app of rondleidingen, en stimuleren met ons reserverings­systeem bezoek op rustige tijden.”

Verloren rondlopen

Om management van groepsgedrag – crowdcontrol in het jargon van wetenschappers en beveil­igers – verder te verfijnen moet je meer weten dan hoeveel mensen er in het museum zijn en wanneer. Het Cobra Museum deed tijdens The Hidden Picture (2015) met behulp van bluetoothachtige techniek onderzoek naar gedrag op zaal. Bezoekers bleken gemiddeld 25 seconden bij elk werk stil te staan. 

Het langste bleven ze hangen bij het eerste en het laatste werk in de tentoonstelling: een nors zelfportret met zonnebril en bontmuts van arte-povera-kunstenaar Michelangelo Pistoletto en een leven­de kame­leon in een terrarium van Paul Geelen. De helft van de bezoektijd spendeerden ze in het eerste kwart van de presentatie. En in het middengedeelte liepen ze een beetje verloren rond.

Verwachtingsinflatie

Bij de Technische Universiteit Eindhoven zijn dit soort monitortechnologieën nog veel verder ontwikkeld. “We zijn begonnen met het volgen van massabewegingen op het treinstation van Eindhoven, daarna tijdens Koningsdag en vervolgens in musea als Naturalis,” vertelt Alessandro Corbetta, onderzoeker aan de natuurkundefaculteit. “We gebruiken bewegingssensors vergelijkbaar met de Kinectsensors uit Xbox-spelcomputers en hebben die gekoppeld aan een algoritme. Individuele personen komen niet herkenbaar in beeld maar hun bewegingen zijn precies te volgen, met een nauwkeurigheid van vijf millimeter.”

Door te testen in echte museumzalen met duizenden bezoekers per dag komen de bevindingen van Corbetta’s onderzoek dichter bij de realiteit en verzamelt hij veel meer data dan in een gecontroleerde laboratoriumsetting. Uit die data zijn met behulp van statistiek weer patronen te extrapoleren.

De Eregalerij van het Rijksmuseum voor openingstijd. Beeld Dingena Mol

Een daaropvolgende stap, de heilige graal voor crowdcontrol, is het controleren en beïnvloeden van die patronen. “Dat kan met licht of bebording maar ook door een zaal op een bepaalde manier in te richten. We zitten nu in de fase van intensief testen. Pas als we heel veel verschillende situaties hebben bekeken, kunnen we misschien algemene regels opstellen waardoor de doorstroom optimaal is en iedereen het maximale uit zijn museumbezoek haalt.”

De vraag is of nog grotere efficiëntie niet de aard van het museumbezoek aantast. “Het mooie van een klassiek museum is dat je zelf ­bepaalt wanneer je gaat, hoe lang en met wie,” vindt Ruben Smit, senior docent interpretation & learning aan de Reinwardt Academie, hogeschool voor musea en kunsten. “Of je nu tijdens de lunchpauze binnenwipt om ademloos naar één werk te kijken of een hele dag rondloopt, het museum is een reflectiepunt in het leven. Door de instelling van tijdsblokken en andere reguleringsmechanismen staat die vrijheid behoorlijk op scherp.”

Desondanks verwacht Smit dat musea de komende jaren nog volop aan de logistieke knoppen zullen draaien om groeiend bezoek in goede banen te leiden. “En dat komt in een stroomversnelling als de Chinezen en Indiërs echt gaan reizen. Rond 2030 zullen we de eerste 24/7-­musea zien, waar het licht nooit meer uitgaat.”

De echte grens waar we tegenaan zullen lopen, is volgens museoloog Smit geen praktische of technische, maar een mentale. “Blockbusters leiden tot verwachtingsinflatie, iedere volgende supertentoonstelling moet de vorige minimaal overtreffen. Dat zorgt voor een aangejaagde ­spiraal die mensen stimuleert zich helemaal vol te proppen met indrukken. En dat terwijl je vaak de helft van de werken uit een blockbuster ook gewoon op zaal kunt vinden, je moet alleen even zoeken. Veel mensen lopen uitgeput naar ­buiten, museummoeheid is een erkend verschijnsel.”

Er klinkt sinds een paar jaar een tegengeluid. Onder leiding van onder anderen Arden Reed, wiens boek Slow Art dit jaar postuum verscheen, pleiten oprechte kunstliefhebbers voor aandachtiger en vooral ook minder gehaast kijken. Niet drie musea in een dag doen, maar drie werken in twee uur en dan lekker nagenieten in de zon. En musea kunnen daarbij helpen. Bijvoorbeeld door de inzet van begeleiders die visible thinking-technieken gebruiken, waarbij kijkers zich keer op keer afvragen wat ze nou eigenlijk zien en zich zo ‘een weg uit het kunstwerk puzzelen’.

Vier jaar geleden adopteerde het Rijksmuseum het Britse idee van The Big Draw. Onder begeleiding van professionele tekenaars en cartoonisten wordt er getekend naar voorbeeld van tentoongestelde schilderijen. Met een vel papier en een paar potloden een paar uur geconcentreerd op één werk focussen: dat is een heel andere manier van kijken. Wie daarna naar buiten gaat, heeft echt iets gezien.

De nachtmerrie: priemende selfiesticks

Veel museumbezoekers beleven de tentoongestelde kunst via het scherm van hun smartphone en zien achteraf, al swipend langs hun foto’s, pas echt waar ze langs zijn gelopen. Al dat gekiek levert ook frustratie op, vooral in volle zalen. Op zoek naar de beste compositie wordt achterwaarts tegen medebezoekers aangelopen of over bankjes gestruikeld en selfieposes blokkeren het zicht op de kunst. En dan hebben we het nog niet over de schadelijke gevolgen van flitslicht.

Zelfs instellingen die het plaatjes schieten voor sociale media toelaten en zelfs aanmoedigen, zijn zich ­bewust van de overlast die een horde schermverslaafden kan veroorzaken. Het de Young Fine Arts Museum of San Francisco experimenteerde daarom met fotovrije toegangsuren. De reacties waren positief, bezoekers beschreven hun uren in het museum als bevredigender en minder stressvol.

Apparaat inleveren

De hardliners van het Prado in Madrid geloven niet in dit soort tegemoetkomingen. Elke vorm van fotografie is uit den boze. Wie het toch waagt een kiekje te maken, is zijn apparaat kwijt. In het Sir John Soane’s Museum in Londen krijg je een doorzichtig plastic zakje waar je je telefoon in kwijt kunt en zo zichtbaar voldoen aan het strikte antifotografiebeleid. Ook in het Van Gogh Museum is het expliciet verboden om te fotograferen op zaal.

Nog erger dan smartphones die boven hoofden worden gehouden om de Mona Lisa te fotograferen, zijn selfiesticks. Tijdschrift Time riep de selfiestick in 2014 uit tot een van de 25 beste uitvindingen van het jaar. De uitschuifbare steel om zelfportretten te maken was toen al een wereldwijde rage, vooral onder toeristen, en een nachtmerrie voor bewakings­personeel in musea.

Losgaan op Instagram

Bij plotselinge bewegingen verandert de stick in een slagwapen waarmee omstanders worden geraakt of – erger nog – een schilderij wordt doorboord.

Nederlandse musea, Kröller-Müller en de Hermitage voorop, waren er rap bij om de selfiestick te verbieden. Met een paraplu mag je ook niet naar binnen, is het argument, dat snel internationale weerklank kreeg. In Parijs is de ‘narcisstick’ niet welkom in Versailles en Centre Pompidou. Bij de ingang van het Albertina in Wenen staat een verbodsbord, net als bij vrijwel alle culturele instellingen in New York.

De neiging tot zelfvereeuwiging is echter moeilijk uit te roeien. Bij wijze van compromis hebben veel musea selfiewalls of selfiezones ­ingericht, waar Instagrammers los kunnen gaan zonder gevaar voor medemens of museumcollectie. Zolang die telefoon voor de rest van het bezoek maar in de broekzak blijft.

Drukste musea ter wereld

- Louvre, Parijs 10,2 miljoen bezoekers
- National Museum of China, Peking 8,6 miljoen
- Metropolitan Museum of Art, New York 7,4 miljoen
- Musei Vaticani, Vaticaanstad 6,7 miljoen
- National Air and Space Museum, Washington DC 6,2 miljoen
- British Museum, Londen 5,9 miljoen
- Tate Modern, Londen 5,8 miljoen
- National Gallery, Londen 5,7 miljoen
- Natural History Museum, Londen 5,2 miljoen
- American Museum of Natural History, New York 5,0 miljoen
Het drukst bezochte museum van Nederland, het Rijksmuseum (2,33 miljoen bezoekers in 2018), valt buiten de mondiale top 20.

Bron: Museum Index 2018v

Tips om museumdrukte te omzeilen

- Weekdagen zijn rustiger dan weekenddagen. Dinsdag is veelal de minst drukke dag.
- Vermijd schoolvakanties.
- Vermijd de openings- of slotweek van ­blockbusters.
- Koop je ticket online zodat je niet in de rij voor de kassa hoeft te staan.
- Piekdrukte ligt meestal rond het middaguur. Ga heel vroeg of laat in de middag; avond­openstellingen zijn ook een ­alternatief.
- Bij mooi weer is de kans groot dat andere ­potentiële bezoekers kiezen voor strand of terras.
- Ga naar een kleiner, minder ­bekend museum en ontdek dingen waar je niet al twintig ­reproducties van hebt gezien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden