Verslaggever Jop van Kempen heeft zich fulltime op het coronavirus gestort.

Achter de schermen

Hoe is het om corona-verslaggever te zijn? ‘Onmogelijk om alles te volgen’

Verslaggever Jop van Kempen heeft zich fulltime op het coronavirus gestort.Beeld Getty Images

Van de eerste bevestigde coronabesmetting in de regio tot de Amsterdamse aanpak van het virus: sinds maart houdt Paroolverslaggever Jop van Kempen zich fulltime bezig met de verslaggeving van alles wat met het coronavirus te maken heeft. Hoe beleeft hij deze periode?

Wat moeten lezers van Het Parool vandaag weten over het coronavirus? Hoe ontwikkelt het virus zich en hoe staat het met de maatregelen? Het zijn vragen die verslaggever Jop van Kempen, net als collega’s die ook over de gezondheidszorg schrijven, al ruim twee maanden dagelijks probeert te beantwoorden. Dat betekent: op de voet volgen wat er gebeurt, op afstand overleggen met collega’s en schrijven vanuit een eigen werkruimte. Wie niet op de redactie hoeft te zijn, blijft namelijk weg: meer dan vijf mensen tegelijk zijn daar inmiddels niet meer aanwezig.

De ontwikkelingen rond het coronavirus gaan razendsnel. Hoe blijf je voortdurend op de hoogte?

“Ik zit in diverse appgroepen waarin de hele dag het laatste nieuws wordt gedeeld. Verder heb ik regelmatig overleg met collega Bas Soetenhorst, met wie ik de laatste weken veel stukken samen schrijf, lees ik veel buitenlandse media en luister ik naar podcasts. Das Coronavirus-Update van de NDR, met de Duitse viroloog Christian Drosten, is bijvoorbeeld een heel interessante. Veel wetenschappelijke tijdschriften, zoals The Lancet en The New England Journal of Medicine, hebben nu gratis toegang zodat iedereen de nieuwste corona-onderzoeken kan inzien. Ik kijk ook weleens naar onderzoeken die nog geen peer reviews hebben gehad, zoals op medrxiv.org. Die zijn nog niet geselecteerd om in wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd te worden, maar dat kan nog gebeuren.”

Veel verslaggevers werden de laatste weken opgeslokt door het nieuws. Geldt dat ook voor jou?

“Soms wel, ja. Als ik ’s nachts weleens wakker lig, pak ik al snel mijn telefoon erbij om te zien of The New York Times nog iets interessants heeft geschreven, of CNN. Vanwege het tijdsverschil verschijnen in Amerikaanse media dan veel berichten. Over de rol die kinderen spelen bij de verspreiding van het coronavirus is nu veel te doen: hoe groot is die nou eigenlijk? Hoe ziek worden kinderen, en hoeveel kinderen krijgen iets wat lijkt op een ernstige infectieziekte als de ziekte van Kawasaki? Daar komt telkens nieuw onderzoek over.

“In het begin van de coronacrisis werkte ik steevast in de weekenden door, maar het is onmogelijk om alles te volgen. Daar moet je je zo snel mogelijk bij neerleggen. Ik ben ’s avonds nog altijd veel aan het werk, maar ik heb gelukkig een aparte werkplek waar ik met de fiets naartoe kan. Daardoor heb ik nog een beetje het idee dat ik naar mijn werk ga, nu ik niet meer naar de redactie kan. Het is een drukke, maar journalistiek heel interessante tijd.”

Is het lastig om nieuwe invalshoeken voor verhalen te bedenken, nu er zo veel over corona wordt geschreven?

“Soms wel, soms helemaal niet. De briefings van RIVM-directeur Jaap van Dissel en de brieven van minister Hugo de Jonge aan de Tweede Kamer leveren vaak nieuwe invalshoeken op, en als je met andere mensen kunt overleggen kom je vaak op nieuwe ideeën. In het begin van de coronacrisis schreef ik veel punt-voor-puntstukken, waarin je een vraag stelt en beantwoordt. Als je veel informatie wilt overbrengen, kun je dat met zo’n stuk vrij gestructureerd doen zonder dat het langzaam leest, hopen we.”

Welke verhalen maakten de afgelopen weken indruk op je?

“Het verhaal dat Bas Soetenhorst en ik vorige week maakten, over een vaccintechnologie die ooit in Nederland is ontwikkeld en uiteindelijk voor bijna drie miljard euro is verkocht aan een Amerikaans bedrijf, Johnson & Johnson. Dat bedrijf werkt nu hard aan een coronavaccin dat begin volgend jaar klaar moet zijn. Nederland komt waarschijnlijk niet versneld in aanmerking voor het vaccin, ook al baseert dat bedrijf zich op fundamentele wetenschappelijke kennis die al in de jaren zeventig aan de Universiteit Leiden werd ontwikkeld.”

“Nederland heeft weinig gedaan om die vaccinkennis in het land te houden, of om een afspraak tot versnelde vaccintoegang te krijgen in geval van nood. We spraken de ontwikkelaar van de technologie, Lex van der Eb, in de jaren zeventig een jonge onderzoeker en nu een kalende, 86-jarige emeritus hoogleraar. Hij hoopte dat hij en zijn vrouw Titia nog gebruik konden maken van het vaccin waarvoor hij zelf ooit de basis heeft gelegd. Tja.”

Wat maakte nog meer indruk?

“De persconferenties van premier Rutte. Vooral de eerste, op 16 maart, toen hij het ook had over groepsimmuniteit en de lange weg die Nederland te wachten staat. De oproep tot eenheid om dit te kunnen doorstaan kan me ontroeren.”

“Wat me ook zal bijblijven: de paniek onder artsen. Die kon je in het weekend van 15 en 16 maart bijna proeven. De artsen waren – terecht – bang voor het inktzwarte scenario dat Nederland net als Italië en China de stroom ziekenhuispatiënten niet aankon. Zonder lockdown hadden artsen op niet-medische gronden moeten beslissen wie op de ic kwam. Dat gebeurt normaal gesproken alleen in oorlogssituaties.”

Heb je ook verslag gedaan vanuit ziekenhuizen?

“Ik niet, collega Malika Sevil wel. Ze is bij de spoedeisende hulp van het ziekenhuis geweest. Verder hadden we veelvuldig contact met Amsterdamse zorgverleners. In het begin van de coronacrisis wilde ik graag van dichtbij zien hoe het eraan toeging op de ic van het AMC, maar daar werkte het ziekenhuis niet aan mee. Wat de reden was? Er was discussie in Brabant ontstaan omdat familie van patiënten het ziekenhuis niet in mocht, maar verslaggevers wel. Dat wrong, denk ik, en dat is begrijpelijk.”

“Bovendien was er een tekort aan beschermende kleding, die noodzakelijk is als je de ic op gaat. Ik had op een plek willen kijken waar ic-personeel luncht en even bijkomt, zodat ik geen beschermend pak nodig had. Bij schaarste moet je bescherming niet aan een verslaggever geven. Maar ook dat ging helaas niet.”

Jop van Kempen.Beeld Hilde Harshagen

Je hebt de afgelopen weken verhalen gemaakt over volle ic’s, het draaglijk houden van de maatregelen en oversterfte. Zakt de moed je weleens in de schoenen?

“Nee, dat heb ik meer bij de economische en maatschappelijke aspecten van de coronacrisis, waar ik nauwelijks over schrijf. Misschien omdat ik vrees dat die me persoonlijk meer zullen raken. Hoe beïnvloedt de aankomende recessie de toekomst van mijn jonge zoon? Ik bof dat mijn ouders relatief gezond zijn en zelfstandig wonen; dat schept meer afstand tot het onderwerp oversterfte in verpleeghuizen dan wanneer je moeder in een verpleeghuis zit. Al raakt deze crisis iedereen, op welke manier dan ook.”

In hoeverre is de coronaverslaggeving voor Het Parool echt Amsterdams?

“Die is deels Amsterdams. Maar vaak spelen onderwerpen zich ook af buiten de stadsgrenzen, zoals nieuwe wetenschappelijke inzichten of dat stuk over het coronavaccin. Dat heeft te maken met de aard van het onderwerp, al hebben mensen die we voor zo’n stuk spreken vaak wel een link met de stad: onderzoekers van het Amsterdam UMC, bijvoorbeeld. En soms is een onderwerp juist heel Amsterdams. Zo schrijf ik ook over het testbeleid van de Amsterdamse GGD, nu de lockdown stapje voor stapje wordt afgebouwd.”

“Hoewel de tweede Nederlandse persoon bij wie het coronavirus officieel werd vastgesteld een vrouw uit Diemen was, is het aantal besmettingen in Amsterdam trouwens relatief laag gebleven. Waarschijnlijk omdat de timing van de krokusvakantie relatief gunstig was, vermoedt de GGD. Toen Amsterdammers in Noord-Italië op vakantie waren, was de infectiehaard daar nog beperkt. Bij terugkomst konden ze het virus niet grootschalig overdragen. Brabantse vakantiegangers streken een week later neer in de Noord-Italiaanse sneeuw, kregen daar het coronavirus onder de leden en verspreidden het daarna grootschalig in Brabant. Al dan niet in carnavalspak.”

Wanneer verwacht je weer naar de redactie terug te kunnen?

“Het zou weleens lang kunnen duren. Misschien in september of oktober, misschien dit jaar niet meer. Incidenteel ga ik nog weleens naar de redactie. In de weekends, of ’s avonds, als er niemand is. Dat deed ik voor de coronacrisis ook al. Ik mis mijn collega’s, en de dynamiek van de werkvloer. Ook de grappen die het onderwerp luchtig houden mis ik enorm. Laatst hadden we een werkborrel via Zoom. Leuk, maar het blijft toch een beetje zwemmen met droog haar.”

“Verder vind ik het jammer dat ik minder op pad kan. Het is veel bellen, vooral. Maar het werk gaat gelukkig gewoon door. Dat biedt ook afleiding. Er is elke dag weer iets interessants te vinden over corona. Er zijn onderwerpen genoeg die van belang zijn voor de lezers, denken we.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden