Essay

Hoe de coronakoorts gedurende de week hoger opliep

Er valt niet meer te schamperen om de ‘coronahype’. Het virus is los. En raakt ons nu allemaal. ‘Ik heb zelf nu dus die hoest. Moet ik thuisblijven?’

Beeld Jip van den Toorn

Het is wakker worden in een nieuwe wereld, ­bedenk ik vrijdagmorgen als ik in bed naar mijn telefoon tast om het laatste coronanieuws te ­lezen. Heb ik het gedroomd of stond Gerri Eickhof donderdagavond echt in het Journaal voor het Concertgebouw te beklemtonen dat Er Niemand Was? Die rijen bij de supermarkt – een nachtmerrie toch?

Nee, het is echt.

We zijn rang-klats-bam tot stilstand gekomen. En de scholen mogen dan nu nog openblijven, de rector van de school van mijn zoon liet donderdagavond een brief uitgaan waarin hij meldde dat er veel lesuitval zal komen en dat achter de schermen wel maatregelen worden getroffen voor sluiting.

Vorige week zou ik daar schamper over hebben gedaan. Ha ha, gekkies.

Maar nu is alles anders.

Het is echt.

De kentering zette begin van de week in. Ik merkte het om me heen, ik merkte het bij mezelf. Het coronavirus was nog niet officieel tot pandemie uitgeroepen. Trump had nog geen ban op Europese vluchten uitgesproken. Het alarm over de vrije val van horeca, reisindustrie, economie moest nog komen. Ja, Brabant was op slot. Maar dat was Brabant.

Maandag kuchte ik tijdens een redactievergadering. In mijn hand. Het leverde me een vernietigende blik op van een collega. In de rij bij de drogist nieste ik – netjes in de elleboog ditmaal, maar wel een zeer gedecideerde nies. De man vooraan, net begonnen met pinnen, sprintte de winkel uit. Onbedaarlijke lachbui van de caissière: “Corona hè.”

Gewoon een koutje, bezwoer ik. Een hoest en een nies. Maar toen ik ’s nachts badend in het zweet wakker werd uit een nogal woeste droom, schrok ik toch even: o nee, koorts! Het zal toch niet? Tot ik me realiseerde dat ik het met de nieuwe sprei op het bed gewoon te warm had gehad.

De volgende dag stond ik in de supermarkt in mijn hand met een beurtbalkje. Zo heet het, ik heb het even opgezocht, dat plastic balkje dat je bij de kassa achter je boodschappen legt. Ineens dacht ik: jakkes! Door hoeveel handen is dat balkje vandaag gegaan? Door hoeveel víeze handen?

Kwam natuurlijk door dat ‘gij zult geen handen schudden’ van Mark Rutte. Ik huiverde ineens ook bij het intoetsen van mijn pincode, bij het idee van de hengsels van dat boodschappenmandje. Bij alles wat was aangeraakt door handen van andere mensen.

Roekeloos enthousiasme

Eenmaal thuis schrobde ik op de voorgeschreven wijze mijn handen met desinfecterende zeep. En ging toch maar eens uitzoeken of je ­besmet kunt raken via beurtbalkjes/liftknoppen/trapleuningen/deurkrukken. (Nee dus, het coronavirus is alleen van mens op mens overdraagbaar en dat had ik kunnen weten als ik alle stukken over adviezen en richtlijnen niet had overgeslagen want zover zou het allemaal toch niet komen.)

Voorgaande wek­en had ik gesneerd over de (media)hype. Ik had mijn schouders opgehaald over de eerste besmettingen in Nederland want ja, die waren te verwachten. Ik had gelachen om geruchten dat het Boekenbal niet door zou gaan. Het was ook niet in me opgekomen om níet naar het Boekenbal te gaan, vorige week vrijdag.

Dat Boekenbal, waar alle aan de genodigden vooraf gemailde RIVM-richtlijnen – want drank erin en zo’n vaart zou het allemaal niet lopen – opzichtig werden genegeerd. Een week later en het zou afgelast zijn. Een week later en ik zou zelf hebben besloten er niet heen te gaan. Een week later.

Beeld Jip van den Toorn

Het virus was los en in de stad en ineens hadden we het er allemaal over. De ene collega zag zijn vakantie naar Sicilië geannuleerd, de andere somberde over zijn hoogbejaarde moeder. Moest je nog wel naar de sportschool willen? James Bond was al uitgesteld, maar kon je eigen­lijk überhaupt nog naar de bioscoop? Moesten we al gaan hamsteren?

Het begon ons te raken. Het begon mij te ­raken. Ik ving in het redactiegebouw een verontwaardigd gesprek op tussen vier vrouwen met extreem harde stemmen; de vriend van een van hen was door zijn werkgever naar huis gestuurd vanwege een hoestje en mocht pas terugkomen als hij een week hoestvrij is – en hij was ‘geen­eens’ ziek!

Ik had zelf dus die hoest, en die nies. Moet ik thuisblijven om mijn collega’s te beschermen? Zoals Ilja Leonard Pfeijffer de Nederlandse ­lezers door zijn tournee deze Boekenweek af te zeggen? “Ik zou het mijzelf nooit vergeven als ik de gezondheid van mijn lezers ongewild en ongemerkt door roekeloos enthousiasme in gevaar zou brengen.”

Dystopische aanblik

Welnee, ik was gewoon een beetje verkouden. Ik waste gewoon nog heel veel vaker mijn handen, in het besef hoe vaak ik inderdaad mijn gezicht aanraak. En ik was niet de enige, want de prullenbakken in de wc’s puilden uit van de papieren handdoekjes. “Hand voor je mond,” zei ik ‘vroeger’ als de kinderen hoestten. “In je elleboog,” riep ik nu. Het wende snel.

En toen werd het donderdagmiddag en zou niets meer hetzelfde zijn. ‘Volgens Rutte moet ik thuisblijven,’ app ik wat lacherig naar mijn chef na de grote persconferentie. Maar er valt niets te lachen: ik moet thuisblijven. Echt. En ik ben niet de enige, want thuiswerken is nu het devies.

Beeld Jip van den Toorn

Eerder deze week maakten we grappen; hoe we nu de musea voor onszelf hebben, hoe de Bijenkorf nu een dystopische aanblik biedt maar wel weer voor ‘ons’ Amsterdammers is, hoe lekker rustig het is op Schiphol. Ik maakte me vrolijk om een vriendin die aan het hamsteren was geslagen, de tassen vol wc-papier, shampoo, tandpasta en vitaminepillen om het gebrek aan groente en fruit op te vangen.

Nu zie ik hoe op mijn tijdlijn Shaffy’s Het is stil in Amsterdam wordt gedeeld. En besef: het is pas net begonnen. Ilja Leonard Pfeijffer beschrijft in HP De Tijd hoe hem in Genua de schellen van de ogen zijn gevallen. ‘Ik dacht, zoals zovelen, dat het virus een soort griepje was dat alleen voor ouderen en zieken een serieuze bedreiging vormde en ik meende dat alle maatregelen tegen verdere besmetting nodeloos ­paniek veroorzaakten.’

Maar die eerdere laconieke reactie was vol­komen ongepast, was hij de afgelopen twee ­weken gaan inzien, de relativerende denktrant is ingehaald door een uiterst zorgwekkende realiteit. En de draconische maatregelen die Italië heeft genomen, waarschuwt hij, kwamen twee weken te laat – terwijl Nederland nog twee ­weken achterloopt op Italië.

Begin deze week kreeg ik de opdracht voor een vrolijk stuk over de beginnende impact van het coronavirus op ons dagelijks leven in de stad. Deze vrijdag schrijf ik versie 4.0 – een verhaal waarvan ik een week geleden nooit gedacht had het te zullen schrijven.

Maar als Gerri Eickhof voor het Concert­gebouw staat, dan moet het wel echt zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden