PlusInterview

Historicus Gert Oostindie: ‘We zullen over het kolonialisme blijven praten’

Meer dan veertig jaar deed historicus Gert Oostindie onderzoek naar het koloniale verleden van Nederland. Was het eerst een onderwerp waar vrijwel niemand interesse in had, nu staat met name het slavernijverleden in het brandpunt van de belangstelling.

Sander van der Horst en Patrick Meershoek
Gert Oostindie: ‘Het aanbieden van excuses is een politieke keuze, niet een vanzelfsprekend gevolg van onderzoek.’ Beeld Lin Woldendorp
Gert Oostindie: ‘Het aanbieden van excuses is een politieke keuze, niet een vanzelfsprekend gevolg van onderzoek.’Beeld Lin Woldendorp

“Aan het begin van een lezing voor een groot publiek begin ik soms met de vraag wie vindt dat slavernij geen misdaad tegen de menselijkheid is. Dan gaat er geen vinger de lucht in. Logisch. Wat mij interesseert is dat bij diezelfde vraag enkele eeuwen geleden honderden handen waren opgestoken. Wat is er veranderd?”

De geschiedenis begrijpen, zegt Gert Oostindie, daar is het hem altijd om te doen geweest. De 66-jarige Oostindie, voormalig directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en hoogleraar koloniale en postkoloniale geschiedenis aan de Universiteit Leiden, is net met emeritaat. Meer dan veertig jaar was de prominente historicus betrokken bij onderzoek naar het koloniale verleden van Nederland, een onderwerp waarbij een moreel oordeel doorgaans snel wordt geveld.

U neemt afscheid als hoogleraar op het moment dat het kolonialisme in het middelpunt van de aandacht staat. Steden laten onderzoek doen naar hun koloniale verleden; zo zijn er plannen voor een slavernijmuseum in Amsterdam.

“Toen ik begon, was het onderwerp marginaal, binnen en ook buiten het vakgebied. Dat is nu heel anders. Het koloniale verleden is onderdeel geworden van een maatschappelijk debat, dat op gang is gekomen met de komst van migranten uit de voormalige koloniën. Daarnaast versterken Europese eenwording en mondialisering de roep om een antwoord op de vraag: wat is onze natie? Ook in dat debat komt de koloniale geschiedenis steeds meer aan de orde.”

Die grote belangstelling maakt dat het onderzoek van historici onder een vergrootglas is komen te liggen. Heeft dat uw werk bemoeilijkt?

“De onderzoeker is vooral duider. Die moet de geschiedenis begrijpen, de bronnen kennen en daar een goed verhaal van maken. De historicus is echter ook speler geworden. Als hij daarvoor kiest, kan zij of hij deelnemen aan het debat. Toen in de jaren negentig in Nederland smalend werd gedaan over de Duitse omgang met het Holocaustmonument, heb ik er publiekelijk op gewezen dat we in Nederland nog steeds geen slavernijmonument hadden. Dat werd toen opgevat als activistisch.”

In de krant nemen collega’s als Piet Emmer en Karwan Fatah-Black elkaar geregeld de maat. In uw afscheidsrede liet u weten geen voorstander te zijn van polemieken.

“Vaak gaan dergelijke discussies meer over de mensen die ze voeren dan over de inhoud. Als je het slavernijverleden ingang wilt laten vinden in de samenleving, dan moet je voorzichtig zijn met de toon. Die collega’s weten waar ze het over hebben, maar ze leggen andere accenten en trekken andere conclusies. Het grappige is dat betrokkenen aan beide kanten geregeld vragen om hun wetenschappelijke publicaties vooraf te lezen. Dat is de positie die ik het liefste inneem. Het is wel een nadeel van de huidige tijd dat, naarmate je meer de nuance opzoekt, je verhaal al snel als minder nieuwswaardig wordt gezien.”

De historicus wordt nu ook ingeschakeld om het pad te effenen voor excuses, bijvoorbeeld bij onderzoeken naar het koloniale verleden van steden. Is dat geen lastige positie?

“Die onderzoeken komen voort uit een activistische politieke agenda. Dat kan wringen. Kijk, het is duidelijk dat de hoofdrolspelers zonder scrupules betrokken waren bij slavernij en dat de stedelijke economie daarvan heeft geprofiteerd, maar daarmee is niet gezegd dat steden vooral floreerden omdat ze waren verbonden met de slavenhandel. Het is de rol van de historicus om ook dát aspect te laten zien. Je moet het hele verhaal vertellen.”

“Het omgekeerde komt trouwens ook voor. Ik werd ooit benaderd door ABN Amro, dat net een bank had overgenomen in Chicago. De gemeenteraad daar wilde geen zakendoen met banken die ooit verbonden waren met de slavernij. Zat ik opeens aan tafel met een half dozijn advocaten, die een onderzoek wilden financieren, maar wel vertrouwden op een voor ABN Amro positieve uitkomst. Ze wilden niet garanderen dat ze een afwijkende conclusie ook zouden publiceren. Dat weigerde ik dus. De opdracht is uiteindelijk gegaan naar een commercieel Amerikaans onderzoeksbureau, dat concludeerde dat de bank niks te maken had met de slavernij. Dat onderzoek was ontoereikend.”

In Amsterdam en Rotterdam was er eerst een politieke wens om excuses te maken. Daarna kwam de opdracht voor een historisch onderzoek.

“Amsterdam heeft allerlei partijen gecontacteerd, onder wie mijzelf, maar ik gaf toen al leiding aan het onderzoek over het Rotterdamse koloniale en slavernijverleden. Ik heb toen wel, schertsend, aangeboden om twee A4’tjes aan te leveren waarop wordt samengevat wat de Amsterdamse betrokkenheid was – groot dus. Dat kun je op één avond doen. Op basis daarvan kan een stad besluiten tot het aanbieden van excuses, maar dat is een politieke keuze, niet een vanzelfsprekend gevolg van onderzoek.”

“De stad wilde een breed en serieus onderzoek en dat is er ook gekomen; ik maakte deel uit van de begeleidingscommissie en heb van nabij gezien dat er keihard is gewerkt. Er waart wel een geest van verontwaardiging door het boek, maar dat hoeft niet haaks te staan op gedegen onderzoek. Voor alle duidelijkheid: je kunt honderd boeken schrijven over slavenhandel en slavernij, maar het beslissende argument om wel of geen excuses aan te bieden, ga je daar niet in vinden. Dat is een politieke afweging.”

Hoe ziet u die excuses? Volgens critici zou het slechts een symbolisch gebaar zijn.

“Het is belangrijk dat een stad als Amsterdam kritisch naar het eigen verleden wil kijken. Ik vind het goed dat de verantwoordelijkheid wordt geaccepteerd voor dat deel van de geschiedenis. De tegenstand komt vaak van mensen die zeggen zich persoonlijk niet verantwoordelijk te voelen voor dat verleden. Dat begrijp ik heel goed, maar daar gaat het ook niet om. Het is wel belangrijk dat instituties, zoals de gemeenteraad, het koningshuis of de universiteiten, hun verantwoordelijkheid nemen. Een probleem is dat de verwachtingen vaak zo hoog gespannen zijn. Met excuses los je een vraagstuk als racisme niet op.”

Er wordt nu vaak wel een direct verband gelegd tussen slavernijverleden en racisme.

“Er is geen twijfel dat de koloniale geschiedenis en zeker ook de slavernij een verhaal van racisme is, maar hoe dat vandaag doorwerkt, is een vraag apart. En ook daar is het belangrijk onderscheid te maken tussen het wetenschappelijke en het maatschappelijke debat. Een goed voorbeeld is Zwarte Piet. Zonder dat die figuur geworteld hoeft te zijn in het slavernijverleden, is er wel degelijk een relatie met de neerbuigende, kwetsende manier waarop witte Nederlanders lang tegen zwarte mensen hebben aangekeken. Voor die laatsten versterkt de confrontatie met Zwarte Piet het gevoel niet welkom te zijn. Dan is er veel voor te zeggen om die figuur aan te passen.”

U bent een witte historicus. Is dat ooit tegen u gebruikt?

“Ja, dat is onvermijdelijk. Mij is bijvoorbeeld in een debat weleens voor de voeten geworpen dat een nazi toch ook niet de geschiedenis van de concentratiekampen schrijft. Het kleurbesef is sterker geworden, ook in de indertijd nog erg witte bastions als de historische gemeenschap en ook de media. Toen ik 25 jaar geleden werd uitgenodigd op televisie iets te vertellen over een mogelijk slavernijmonument, werd er expliciet bij gezegd dat het voor de kijker aannemelijker zou zijn als een witte professor het verhaal deed. Tegenwoordig is het net andersom. Men kiest eerder voor iemand van kleur om te komen spreken. En dat lijkt mij prima.”

Uw afscheidsrede droeg de titel De toekomst van het koloniale verleden. Hoe gaat die toekomst eruitzien?

“Het koloniale verleden wordt blijvend erkend als een belangrijk onderdeel van onze geschiedenis en identiteit. Het onderwerp heeft een eigen dynamiek gekregen, mede door de pressie van postkoloniale migranten. Vervolgens zijn ook de tegengeluiden sterker geworden, in de hoek van de PVV en Forum voor Democratie. Die dynamiek houdt nog wel even stand. Zolang racisme een belangrijk issue is in de Nederlandse samenleving, zullen we ook over kolonialisme blijven praten.”

Onderzoek en excuses

Verschillende steden in Nederland hebben historisch onderzoek gedaan naar hun eigen koloniale verleden of laten dat doen. De resultaten van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht zijn in 2021 gepresenteerd, die van Den Haag volgen eind 2022. Ook Eindhoven en Tilburg hebben aangekondigd onderzoek te laten doen.

Soms vormen onderzoeken de opmaat naar officiële excuses van gemeenten voor het koloniale verleden. Zo maakte burgemeester Halsema op 1 juli 2021 – tijdens Keti Koti, de dag dat in 1863 de slavernij in Suriname en op de Antillen officieel werd afgeschaft – excuses namens het stadsbestuur voor de rol van de stad in de slavenhandel. Op 10 december jongstleden volgde Rotterdam met excuses van burgemeester Aboutaleb.

De vier grootste steden van Nederland hebben het kabinet gevraagd om van Keti Koti een nationale feestdag te maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden