Helft van 12- tot 14-jarigen vindt de democratie onbelangrijk

Slechts de helft van de tweedeklassers in Nederland vindt het belangrijk om in een democratie te leven, blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam. 65 procent van deze leerlingen vindt dat zij in een democratie leven; 12,7 procent denkt van niet, en de rest weet niet of dit het geval is.

Een klas in de Stichtse Vrijeschool in Zeist.  Beeld Hollandse Hoogte / Werry Crone
Een klas in de Stichtse Vrijeschool in Zeist.Beeld Hollandse Hoogte / Werry Crone

De bevindingen komen voort uit het Adolescentenpanel Democratische Kernwaarden en Schoolloopbanen (ADKS). Het betreft een meerjarig onderzoek waarbij duizenden Nederlandse leerlingen in tientallen scholen worden gevolgd om de ontwikkeling van democratische kernwaarden bij jongeren in kaart te brengen. Het laatste rapport is gebaseerd op data uit het leerjaar 2019-2020, nog vóór de coronacrisis.

De onderzoekers vinden het niet zozeer opmerkelijk dat veel tweedeklassers nog weinig van de democratie afweten. Tom van der Meer, onderzoeker en politicoloog: “Als puber ben je nou eenmaal nog niet zoveel bezig met politiek. Wat ons wel zorgen baart, is de kloof die je ziet tussen vwo-leerlingen en vmbo-leerlingen.”

71 procent van de vwo-leerlingen in de tweede klas hecht waarde aan het leven in een democratisch land, tegenover 34 procent van de vmbo-leerlingen en 54 procent van de havo leerlingen. De grootste groep vmbo’ers (45 procent) heeft hier geen mening over. Vwo-leerlingen hebben ook sterkere voornemens om later te gaan stemmen en hebben meer vertrouwen in ambtsdragers zoals rechters, politie en politici.

Burgerschap begint thuis

Zulke verschillen langs opleidingsniveau zien we terug onder volwassenen, zegt Van der Meer. “Uit veel onderzoeken blijkt dat de democratie beter werkt voor hoger opgeleiden dan voor praktisch opgeleiden. Dat zie je bijvoorbeeld aan wie er in de politiek komt te werken, en aan de mate van steun voor de democratie. De stemopkomst onder hoogopgeleide jongeren is hoger dan onder praktisch opgeleide jongeren. Nu zien we dat die kloof eigenlijk al heel vroeg ontstaat. Uit het onderzoek van vorig jaar zagen we dat de verschillen zelfs al vóór de middelbare schoolperiode beginnen.”

Afkomst speelt een grote rol, zegt Van der Meer: vwo-leerlingen krijgen vanuit huis meer mee over politiek en maatschappij, simpelweg omdat er meer over wordt gepraat. Over het algemeen praten 12- tot 14-jarigen weinig over politiek: 60 tot 70 procent zegt hier zowel met ouders als met leraren hooguit een paar keer per jaar over te praten. Kinderen zeggen het meeste te leren over de maatschappij van hun ouders en van de media.

Burgerschapsonderwijs

Ze krijgen dan ook pas vanaf de bovenbouw maatschappijleer of –kunde. Het zou daarom kunnen dat het verschil tussen vwo- en vmbo-leerlingen kleiner wordt, zegt Van der Meer, maar het is te vroeg om daar iets over te zeggen. “Ons onderzoek is juist bedoeld om te zien hoe jongeren zich ontwikkelen tijdens de schoolperiode.” Bovendien moet deze zomer een wet in werking treden waarin regels over burgerschapsonderwijs worden vastgelegd.

Overigens ondersteunen de meeste leerlingen wel de ‘kernwaarden’ van de democratische rechtsstaat, schrijven de onderzoekers, zoals vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Wel lijkt de solidariteit met mensen die het minder goed hebben, te dalen ten opzichte van de brugklas, vooral onder jongens en onder leerlingen zonder migratie-achtergrond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden