Getuigenis van Jules Schelvis uit Sobibor ontdekt

De eerste Nederlandse getuigenis uit het vernietigingskamp Sobibor is opgedoken in een recente schenking aan het Verzetsmuseum in Amsterdam. Het gaat om een handgeschreven brief van de Joodse Amsterdammer Jules Schelvis (1921-2016), die als een van de weinigen Sobibor overleefde.

Jules Schelvis, een van de weinige overlevenden van Sobibor.  Beeld Dingena Mol
Jules Schelvis, een van de weinige overlevenden van Sobibor.Beeld Dingena Mol

“De brief aan zijn familie is bijzonder omdat dit de eerste Nederlandse getuigenverklaring is over wat zich in Sobibor heeft afgespeeld,” zegt onderzoeker Jos Sinnema van het Verzetsmuseum.

Schelvis werd op 26 mei 1943 tijdens een razzia opgepakt en kwam in zeven kampen terecht. Hij schreef deze brief op 7 mei 1945 in een ziekenhuis in Zuid-Duitsland aan zijn tante, oom en neef in Amsterdam. Hij was net bevrijd uit kamp Vaihingen, waar hij vanuit Sobibor in Polen naar toe was gebracht. Schelvis was een van de achttien Nederlandse overlevenden van Sobibor. Vanuit het ziekenhuis gaf hij de met potlood geschreven brief mee aan de Amsterdamse verzetsman Nico Staal, die tot de Vrij Nederlandgroep behoorde en als politiek gevangene Dachau had overleefd.

‘Het zal je wel pijn doen, dit alles te lezen. Maar ik moet het je toch schrijven,’ schrijft Schelvis in de brief. Van de zeven familieleden, onder wie zijn vrouw Rachel, die tegelijk in Sobibor aankwamen, zijn er vijf vermoord ‘naar ik aanneem (…) voor 99% direct bij aankomst in het SS Sonderlager – Sobibor -, bij Lublin, vergast. (…) Ik werd, als door een wonder, doorgestuurd als drukker.’ En: ‘Ik schrijf dit alles zo koud, daar het vele, wat ik heb gezien en zelf heb meegemaakt, mij hard heeft gemaakt.’

Tekst gaat door onder foto

De brief van Schelvis.  Beeld Het Verzetsmuseum
De brief van Schelvis.Beeld Het Verzetsmuseum

In Sobibor kwamen in totaal 34.000 Nederlanders terecht, van wie 33.000 direct zijn vergast. Sinnema: “Sobibor was een moordfabriek. Er zijn 170.000 tot 180.000 mensen, voornamelijk Joden, vermoord. Bijna iedereen werd na aankomst direct vergast.”

Schelvis kwam vanuit Westerbork op 4 juni 1943 in Sobibor aan. “Hij was slechts drie uur binnen de poort. Schelvis was drukker en werd geselecteerd voor dwangarbeid in kamp Dorohucza bij Lublin, zo’n zeventig kilometer van Sobibor. Hij heeft vreselijk geluk gehad,” zegt Sinnema, die de brief van Schelvis in de nalatenschap van Staal vond.

Geen goede schoenen

Nico Staal heeft de brief na terugkeer in Amsterdam nooit aan de familie van Schelvis overhandigd. Sinnema: “Daar zijn verschillende verklaringen voor. Staal had veel andere dingen aan zijn hoofd. Hij werd overspoeld met verzoeken van families die wilden weten of hun broer of zus of andere familieleden Dachau ook hadden overleefd. Bovendien woonde hij destijds op de Admiraal de Ruijterweg, die toen toch een eind lopen was naar de Nieuwe Prinsengracht van de familie van Schelvis. Er was geen tram en mensen hadden geen goede schoenen.”

Schelvis begon op latere leeftijd, na zijn pensioen, te schrijven over Sobibor. Hij richtte de stichting Sobibor op en wilde dat de wereld zou weten wat er zich had afgespeeld. In de brief aan zijn familie spreekt hij de wens uit dat zijn verhaal in de krant komt: ‘Alles wat hier geschreven staat is de naakte waarheid.’

Sinnema: “Inhoudelijk staat er niets nieuws in deze getuigenis van kamp Sobibor, dat met de grond gelijk is gemaakt. We weten inmiddels veel meer. Het is een snipper. Maar wel een bijzondere snipper.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden