Nieuws

Geen vergoeding voor familie doodgeschoten treinkapers

De Nederlandse staat hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de nabestaanden van twee Molukse jongeren die in 1977 een trein kaapten bij De Punt in Drenthe.

De treinkaping door Molukkers bij De Punt. Beeld anp
De treinkaping door Molukkers bij De Punt.Beeld anp

Dat heeft het gerechtshof in Den Haag vandaag besloten. De zaak rond de beruchte kaping van 44 jaar geleden liep al jaren.

Volgens het hof was het primaire doel van de bevrijdingsactie om de gegijzelde passagiers te beschermen en de kapers te arresteren. Er mocht niet worden geschoten als de kapers zich duidelijk overgaven. Het hof kan niet vaststellen wat er in 1977 is gebeurd en daardoor blijft onzekerheid bestaan. Omdat de nabestaanden zeggen dat er onrechtmatig is gehandeld, moeten zij dus bewijzen dat dat is gebeurd. Anders kunnen zij, aldus het hof, niet in het gelijk worden gesteld.

Het hof kan niet achterhalen hoe Papilaja precies is gedood, van welke kant de dodelijke kogel kwam. Datzelfde geldt voor de dood van Uktolseja. En die bewijslast ligt volgens het hof bij de eisers, de nabestaanden dus van beide kapers. Daarnaast noemde het hof de feiten dat de kapers bewapend waren, hadden gedreigd passagiers te doden en dachten de mariniers dat er op hen werd geschoten. “We kunnen niet vaststellen dat de mariniers de beide kapers doelbewust en zonder noodzaak hebben doodgeschoten. Of er werkelijk op de mariniers is geschoten, weten we niet. Maar we weten wel dat hij het dacht.”

Volgens het gerechtshof was het ‘minder gelukkig’ dat de mariniers die de kaping hebben beëindigd gezamenlijk zijn voorbereid op het zo belangrijke getuigenverhoor in deze zaak. Maar het mag wel, aldus het hof. Het hof is van oordeel dat het niet zo gek is - ruim 40 jaar later - dat de getuigenverklaringen elkaar soms tegenspreken. Bovendien was de bevrijding een hectische gebeurtenis. De verklaringen zijn dus wel in het oordeel van het hof betrokken en dat probeerden de nabestaanden te voorkomen.

Hoger beroep

De civiele zaak was aangespannen door nabestaanden van treinkapers Max Papilaja en Hansina Uktolseja tegen de Nederlandse staat. Bijna drie jaar geleden had de rechtbank in Den Haag de nabestaanden laten weten dat de staat niet aansprakelijk is voor de dood van Pailaja en Uktolseja bij de gewelddadige beëindiging van de kaping. Daarna gingen de nabestaanden in hoger beroep.

Papilaja en Uktolseja kaapten samen met zeven andere Molukse jongeren een trein met meer dan vijftig inzittenden bij De Punt in Drenthe.Op 11 juni 1977 maakten mariniers en de luchtmacht met geweld een einde aan de treinkaping (met 54 gijzelaars) die toen al drie weken duurde. Bij die bevrijdingsactie, op last van de staat, kwamen twee gegijzelde passagiers en zes kapers om het leven. Volgens de familie van Papilaja en Uktolseja werden de twee van dichtbij geëxecuteerd. Zij zouden bij de beëindigingsactie in de trein door mariniers zijn doodgeschoten terwijl ze al zwaargewond waren, zich niet verzetten en aangehouden hadden moeten worden. De staat heeft altijd met klem ontkend dat er sprake was van executies en onrechtmatig toegepast geweld.

‘Menselijke beweging’

Papilaja en Uktolseja werden doodschoten door mariniers. Tijdens getuigenverhoren enkele jaren geleden zei een marinier dat hij blind door de deur van een compartiment schoot op ‘iets wat onder een deken bewoog’. Dat bleek Papilaja te zijn. Een andere marinier vuurde blind een salvo op een ‘menselijke beweging’. Dat was Uktolseja. Beiden waren ongewapend.

De nabestaanden voelden zich gesteund door verklaringen van andere oud-mariniers. Volgens hen hadden commandanten gezegd dat geen kaper krijgsgevangen mocht worden gemaakt en dat ze ‘allemaal dood hadden gemoeten’. Dat zou een opdracht van de regering zijn. Dat is echter nooit aangetoond. De Nederlandse staat bestrijdt dat de regering de opdracht had gegeven alle treinkapers te doden.

De rechtbank oordeelde in juli 2018 dat het gebruikte geweld niet onrechtmatig was. De rechtbank bepaalde dat de mariniers in de ‘achteraf gezien onjuiste, maar oprechte en daarom verschoonbare’ veronderstelling waren dat het geweld nodig was.

De Zuid-Molukkers kwamen in 1951 voor een tijdelijk verblijf naar Nederland, met de belofte van de Nederlandse regering dat zij op de Molukken hun eigen staat zouden kunnen stichten. Nadat zij ruim 25 jaar hadden gewacht op de inlossing van de beloften, pikte een deel van de jongere generatie het niet meer en ging over tot gewelddadige acties.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden