Plus

Een week meelopen in een hospice: 'Je moet door'

Het is vaak een eindbestemming, maar het kan er best gezellig zijn. Paul Teunissen liep een week mee in hospice De Schelp in Krommenie. Het ging er over fijne laatste dagen en goed sterven. "Maar het is ook een verhaal van poep, pies en menselijke ontluistering."

Hospice De Schelp Beeld Loek Buter

De mevrouw van kamer Duin komt met haar looprek naar de lunch. Ze hoeft niet meer in de rolstoel deze kant op geholpen te worden, zoals een paar weken terug. Coördinator Gerda (63) had haar thuis bezocht.

Toen kon de 91-jarige vrouw amper overeind komen, dronk ze alleen nog slokjes water. De huisarts had een verklaring afgegeven dat hij niet verwachtte dat ze langer dan drie maanden zou leven. Dan mag iemand naar het hospice.

Ach mensje, kom maar bij ons, dacht Gerda. Zo'n intake is een momentopname, want moet je haar nu zien babbelen met de vrijwilligers. Niet meer zo moe, zoals een paar weken terug, toen ze 's nachts aan het rommelen ging en aan de eettafel zei dat ze zo graag een beetje zou ­slapen.

Soms weet ze even niet dat ze in het hospice is. Denkt ze in haar flat te zijn en wil ze straks even naar haar zus, die een verdieping hoger woont.

Het is de eenzaamheid van thuis, meent ­Gerda. Hier komt er steeds iemand aan je bed. Krijg je drie keer per dag eten voorgeschoteld, wordt er gezorgd dat je de medicijnen inneemt. Na een tijdje zie je zo'n ten dode opgeschreven vrouwtje helemaal opfleuren.

Daar betaalt de zorgverzekeraar natuurlijk niet voor. Er zijn er genoeg die wel de laatste zorg nodig hebben, omdat ze snel zullen gaan. En dus moet Gerda's collega Anita (53) straks met de familie om tafel. Ze uitleggen dat hun moeder te goed is voor het hospice.

Daar ligt ze wel wakker van. Eerst zeg je zo'n familie dat de laatste fase is aangebroken. Naar een hospice ga je niet met vakantie. Dan wil je graag dat het zo loopt en niet dat hun moeder weer ergens anders heen moet.

Hetzelfde geldt voor de mevrouw op kamer Golf. Als je haar ziet, denk je: die kan elk moment gaan. Maar dat dachten ze vijf maanden geleden ook. Als het een dalende lijn is, kunnen ze hier wel blijven, maar het is een horizontale lijn, die net boven de grond loopt. Met die mevrouw heeft Anita al gesproken. "Dan hoeft het voor mij niet meer," zei ze.

Gaat Zeer Snel Dood
Vier gastenkamers hebben ze in hospice De Schelp in Krommenie. Eén logeerkamer voor ­familieleden. De kamers heten Golf, Zee, Strand en Duin. De tachtig vrijwilligers - 75 zijn vrouw - hebben een ezelsbruggetje om de volgorde van de kamers te onthouden: Gaat Zeer Snel Dood.

Het klinkt misschien raar, maar toen zijn schoonvader na een ziekbed aan longkanker overleed, miste vrijwilliger Jacques (70) het zorgen voor hem. Je denkt iemand goed te kennen, maar als ze zo ziek zijn verandert alles. Er hoeft geen theater meer te worden opgevoerd. Alles wordt eerlijk en intens.

Het liefst draait hij een vroege of een late dienst, als de mensen uit of in hun bed moeten worden geholpen. Help je iemand uit zijn kleren. Moeten ze misschien een incontinentie­luier om. Het gebit even gepoetst. Het echte zorgen.

Zijn collega vond dat in het begin heel moeilijk, zegt ze. Moest ze kokhalzen, toen een ­mevrouw onderweg naar de badkamer alles liet ­lopen.

"Je kunt denken dat het allemaal mooi, zacht en sereen is, maar uiteindelijk is het ook een ­verhaal van poep, pies en menselijke ontluistering."

De mensen zelf schamen zich, zeggen dat ze het vreselijk voor je vinden. Jacques zegt dan dat het niet erg is. Hij draait nooit een dienst met een andere man, want sommige vrouwen worden liever niet door een man geholpen. ­Anderen maken zich op weg naar het einde niet meer druk om die dingen.

De mevrouw in kamer Golf houdt vast aan haar gewoontes. Ze belt wel tien keer per dag met de vrijwilligers in de woonkamer. Zegt ze dingen als: "Ik wil graag vanmiddag om drie uur een haring hebben. Eentje van de visboer. Met een augurk erbij en daar moet het kontje vanaf."

O wee de vrijwilliger die dan komt met een augurk waar het kontje nog wel aan zit.

Sommige gastbewoners gedragen zich lastig en mopperen. Het is heus niet zo dat ze met de dood in zicht ineens het karakter van een engel krijgen. En dat hoeft ook niet, vindt Jacques.

Vanavond belt de mevrouw van kamer Golf. Zegt ze dat hij om negen uur moet komen om de gordijnen te sluiten. Om half tien geeft ze hem haar gebit, zodat hij het voor haar kan poetsen. Dat veeleisende is haar manier om een beetje grip te houden.

Een schim in de tuin
Om elf uur 's avonds gaan de vrijwilligers naar huis en blijft verpleegkundige Elly achter voor de nachtdienst. Laatst was er een invalster, die had de hele nacht geluiden gehoord. Voetstappen op de trap, ze zag een schim in de tuin. En dat met vier mensen in huis die lagen te sterven. Toen Jacques de volgende ochtend binnenkwam, was ze dolblij dat ze uit de spookachtige om­geving weg kon.

Het kraakt en het piept, maar dat is gewoon dit oude Zaanse huis.

Sommige bewoners vinden de stilte ook moeilijk. Kunnen niet slapen en vragen aan Elly of ze aan hun bed wil komen zitten. "Dan word ik rustig."

Beeld Loek Buter

Anderen zijn soms al ver heen. Als de familie 's avonds naar huis gaat, neemt Elly het waken van ze over. Houdt ze de hand vast. Fluistert ze wat woorden. Of ze er iets van meekrijgen, weet Elly niet.

Ze doet het ook voor zichzelf. Kan ze zien of ze pijn lijden. Je ziet het vaak aan de handen. Dat die samenballen, vingers die aan de lakens friemelen. Dan geeft ze een pijnstillende injectie.

Soms worden ze kortademig. Als ze longkanker hebben, blijft al dat vocht in de luchtpijp zitten. Dat is een naar geluid. Lijken ze te verdrinken in hun eigen slijm. Dan zie je echte doodsangst in het gezicht. Een mevrouw was zo van streek dat ze haar met zijn drieën in bedwang moesten houden, zodat ze een morfine-injectie kon krijgen.

"Ik wil niet stikken," zeggen ze. Elly legt ze dan uit dat ze medicijnen kan geven die minder ­benauwd maken. Dat ze hen eventueel in slaap kan brengen.
Soms doet ze wat ademhalingsoefeningen. Gewoon rustig in- en uitademen.

Ze overlegt veel met de familie en de arts. Bespreken ze samen welke medicijnen niet meer nodig zijn, omdat iemand zich er ellendig door voelt. Je hoeft ze niet meer beter te maken. ­Iemand moet zo rustig en aangenaam mogelijk naar zijn einde toe.
Vaak verzorgt ze iemand terwijl de familie erbij zit. Even wat vocht op de lippen doen. Een aai over de wang geven. Dat geeft ze het vertrouwen dat hun dierbare in goede handen is.

Sommigen gaan makkelijk. Zoals die voetballer van Ajax, Dick Helling, die kort voor de kerst kwam. Je voelde het al toen hij binnenkwam.

Iedereen de hand schudden en wat aardige woorden zeggen. Die had er vrede mee dat het niet lang meer zou duren. Het mooie was dat hij de andere bewoners ermee aanstak.

Soms ontstaan er vriendschappen tussen bewoners. Vier mannen begrepen dat ze lotgenoten waren. Die hadden aan tafel diepgaande gesprekken. Bespraken met elkaar hoe ze hun begrafenis wilden hebben. Daar hoefde geen verpleegkundige of vrijwilliger aan te pas te komen.

Jacques had Dick Helling nog een tijd gesproken. "Weet je dat jij de eerste bent die niet over de penalty is begonnen," zei die na een tijdje.

Zijn hele leven lang hadden mensen het hem gevraagd. Waarom hij in godsnaam die penalty had gemist waardoor Ajax in 1975 uit de Uefa Cup moest.
"Ik weet niet veel van voetbal," had Jacques gezegd.

Die Helling was sneller gegaan dan iedereen dacht. Na twee weken was het voorbij. Heel jammer, want hij bracht een warme sfeer in huis.

Jacques en zijn vrouw gaan vaak op reis. Dat is soms lastig combineren met zijn werk als vrijwilliger. Een bewoner vroeg of Jacques voor zijn vertrek langs wilde komen. Was hij met lood in zijn schoenen naar zijn kamer gelopen. De man pakte zijn hand en bedankte hem voor de zorg en de fijne gesprekken. Sinds die keer neemt Jacques geen afscheid meer. Het is hem te zwaar. Vorig jaar overleden er in het hospice 54 mensen.

Iets lekkers bij de koffie
Na tien jaar in De Schelp kan coördinator Gerda wel een onderscheid maken in de karakters van mensen en de manier waarop ze met hun einde omgaan. Er is ook onderzoek naar gedaan. Je hebt het sociale type, dat het vooral gezellig wil houden. Het bezoek moet iets lekkers bij de koffie krijgen en dan gewoon samen kletsen over dagelijkse dingen.

Dan heb je de proactieve, die zelf de uitvaartondernemer laat langskomen, precies weet wat voor kist hij wil en wat er tijdens de dienst moet worden gezegd en gedaan. Die houdt niet van te veel emoties.

De onbevangene doet tot aan het bittere eind alsof het allemaal wel meevalt. Die gaat nog met de familie op skivakantie als hij elk moment op de piste in elkaar kan zakken.

Veel vrijwilligers zijn van het vertrouwende ­type, meent Gerda. Die zijn aardser. Hebben een sterk besef dat als je wordt geboren, je op zeker moment ook zult sterven. Zo is het nu eenmaal. Die hoeven het er niet over te hebben.

Anita Gaal Beeld Loek Buter
Mevrouw van der Vlis Beeld Loek Buter

U kunt morgen komen," zegt Gerda bij een intakegesprek.

"Dan al?"

Liever willen ze een kamer voor over een paar maanden reserveren, maar dat kan niet. Tilt Gerda het over het weekend heen, zodat de nieuwe bewoner er een paar dagen aan kan wennen. Soms belt iemand af. "Ik ben op mijn knie gevallen."

Plankenkoorts. Vaak halen ze die dan een paar dagen later alsnog op.

Ze vraagt altijd naar het geloof. Of ze denken dat er nog iets is.

"Nee, het houdt gewoon op," krijgt ze tegenwoordig meestal te horen.

Een paar zeggen dat er iets moet zijn, maar wat weten ze niet.

Een enkeling is ervan overtuigd dat er iets is.

"Je hoeft niet bang te zijn. Het is er heel mooi," zei een bewoonster laatst. Die had een bijna-doodervaring gehad en zichzelf van bovenaf zien liggen. Waar ze was, zag ze ongelooflijk mooi licht en wonderlijke muziekklanken, mooier dan ze ooit had gehoord. Ze wilde eigenlijk niet meer terug, maar het was wel gebeurd.

In de mens geloven
Geestelijk ondersteuner Loekie (60) vraagt altijd bij de deur of ze mag binnenkomen. Je komt in iemands privéomgeving en die is al zo klein geworden. Soms zeggen ze dan dat het niet hoeft.

Dan zegt Loekie dat zij in de eerste plaats in de mens gelooft. "Dan mag je binnenkomen."

Vaak is een gesprek met een bewoner een soort evaluatie. Hebben ze het allemaal wel goed gedaan? Daar gaan de gesprekken met Loekie dan over.

Toen Gerda tien jaar geleden begon, wilde ze de dingen die binnen families speelden, mooi afronden. Ze was geschrokken van de ruzies die tot op het eind werden uitgevochten.

"Die komt er niet in," wordt er dan gezegd.

Moest ze naar de voordeur om tegen een zoon te zeggen dat zijn moeder hem niet wilde zien. Een man lag op sterven en ondertussen gingen op de gang zijn vrouw en vier dochters luidkeels tegen elkaar tekeer.

"Ik wil dit verdorie niet hebben in mijn hospice," had Gerda toen geroepen. Achter de kamerdeuren lagen andere mensen te sterven.

In hun ouderlijk huis liet ze de vrouwen om de beurt hun verhaal doen. Veel oud zeer natuurlijk. Over het gevoel niet gezien of gehoord te worden. Dat anderen werden voorgetrokken.

Loekie weet uit eigen ervaring hoe het is als dingen aan het eind niet worden opgelost. Ze verloor haar twee zussen negentien jaar geleden aan kanker.

"Als je niet praat, blijven mensen met denkbeelden over het verleden zitten en blijven nare jeugdervaringen onuitgesproken. Gaan relaties stuk. Niemand wil dat, maar het gebeurt."

Zelf heeft Loekie geen herkansing gekregen met haar zussen en dat blijft in zekere zin altijd voelbaar. Ze weet hoe belangrijk het is dat de gastbewoner en zijn dierbaren in rust en vrede afscheid van elkaar kunnen nemen.

Samen met een doodzieke vrouw schreef ze een kaart aan haar zoon, die ze al jaren niet meer had gezien. Het is toch je eigen vlees en bloed. Twee dagen later stond hij voor de deur. Bij hen was het aan het eind nog goed gekomen.

De wil van de gastbewoner is meestal wet, maar soms voelt Anita zo mee met een familielid dat ze toch wat probeert. Zoals bij dat meisje van veertien dat graag afscheid van haar opa wilde nemen. Die wilde eerst niet, omdat hij ­ruzie met haar moeder had, maar uiteindelijk zei hij: "Goed. Eén keer."

Zo'n jong meisje moet nog een heel leven ­verder. Het helpt dat mensen aan het eind vaak zachter worden. Het pantser dat ze altijd ­droegen, afgooien, omdat het er niet meer toe doet.

Een man had zijn hele leven een geheim met zich meegedragen en wilde dat aan het eind nog kwijt. Hij vertelde zijn vrouw en dochter dat hij nog een dochter had. Gerda herinnert zich de reactie van de vrouwen nog goed. Ze schrokken, maar waren vergevingsgezind. Die andere dochter was nog gekomen en samen hadden ze hem tot het einde liefdevol verzorgd.

"Daar leer je zelf weer van," zegt Gerda.

"Iedereen die hier werkt, komt iets brengen, maar komt ook iets halen," zegt Loekie. Het werk doet je anders kijken naar de dingen om je heen. Leert je onderscheid te maken tussen wat werkelijk belangrijk is en wat niet. Het werk maakt ze trouwens heus niet tot een Florence Nightingale, vinden de meesten. Elke maandag shirts wassen op de voetbalclub is net zo goed."

Loekie Verhijde Beeld Loek Buter

De meesten wandelen na hun dienst naar huis, zodat ze onderweg de indrukken kunnen laten bezinken.

Het is nog donker als vrijwilligers José en ­Barbara binnenkomen. De verpleegkundige vertelt hoe de nacht was. Allen zijn nog in leven.

Dat is altijd maar de vraag. Ze doen de lampen aan, dekken de tafel en lopen langs de kamers om de bewoners te begroeten. De meeste bewoners houden hun deur op een kier. Het geroezemoes van de vrouwen vinden ze aangenaam. Het klinkt vol leven.

De echtgenote van de man in kamer Zee komt in haar ochtendjas aangelopen. Ze slaapt naast haar man, op een stretcher. Ze wil hem zoveel mogelijk zelf verzorgen. De verpleegkundige, de vrijwilligers en de schoonmaakster vormen een kring om haar heen.

Ze luisteren naar de vrouw, die vertelt hoe haar gezonde man, hoofdbrigadier bij de politie, een maand geleden over pijn in zijn been klaagde. Toen was het begonnen en nu ligt hij, 1,93 meter groot, half verlamd in dat bed.

"Hij heeft een hersentumor als een kippenei."

"Dat zijn echte killers," zegt de verpleegkun­dige.

Een vrijwilligster slaat haar arm om de vrouw. Een ander maakt haar ontbijt en Elly zal zo even mee naar haar man lopen.

Geen schuldgevoel
Gerda ziet bij een huisbezoek hoe het zorgen voor een ernstig zieke iemand boven het hoofd kan groeien. Als de partner al weken of maanden niets anders doet dan de ander helpen met wassen, toiletbezoek, eten en tussendoor koffie zetten voor al het bezoek dat afscheid komt ­nemen.

Eenmaal hier zien ze iemand van mantelzorger weer geliefde, zoon of dochter worden. Kunnen ze het over andere dingen hebben dan de pijn en de medicijnen. Vaak voelen ze zich schuldig, omdat ze het niet volhielden. Dan zeggen Gerda en haar collega's dat ze het heel goed hebben gedaan. Dat is belangrijk, dat ze niet met een schuldgevoel blijven zitten.

Tien jaar geleden kwamen de mensen kalmer binnen, zegt Gerda. Alsof ze zich makkelijker konden verzoenen met wat komen ging. Misschien worden ze nu te lang doorbehandeld.

We kunnen dit nog proberen, of dat, wordt er in het ziekenhuis gezegd. Er kan zoveel tegenwoordig. Krijgen ze allemaal adviezen uit de omgeving, over nieuwe behandelingen in Amerika. En dan ineens wordt er gezegd: "U bent uitbehandeld."

Dan is het lichaam helemaal op van alle mogelijke behandelingen. Moeten ze wennen aan het idee. Moet de hele familie langskomen. Allemaal in sneltreinvaart. En ondertussen moeten ze ingesteld worden op pijn- en slaapmedicatie.

Een jonge man ging vloekend en tierend ten onder. Die vond het ontzettend oneerlijk dat hij aan de beurt was, net nu hij een paar ton op zijn rekening had staan.

Een man had in zijn jeugd de klappen voor zijn broers en zusjes opgevangen en dat kwam er aan het eind allemaal uit. Die had nachtmerries, zag de schim van zijn agressieve vader in zijn kamer en schreeuwde het uit. Die hadden ze over­geplaatst naar een verpleeghuis, omdat het te veel overlast gaf.

Sommigen durven aan het eind niet meer in bed. Die blijven in hun stoel, omdat ze zelf aanvoelen wat er zal gebeuren als ze in bed gaan liggen.

Een visje op de markt
Er zijn er die wegglijden als de familie even buiten een frisse neus haalt. Die wachten tot het moment dat ze alleen zijn. Laatst was er die oude dame waar ze de hele tijd bij hadden gezeten.

Kwam Jacques' collega aangesneld. "Ik geloof dat ze al weg is." Vonden ze haar op haar zij, de benen opgetrokken, knieën tegen haar buik. Heel vredig, alsof ze lag te slapen.

Er zijn er die langzaam afstand nemen. Eentje zei: het is net alsof ik onder een kaasstolp zit en de anderen erbuiten zijn.

Sommigen willen voor ze gaan nog een visje eten op de markt in Volendam. Anderen het ouderlijk huis nog een keer zien. Een oude man wilde op de valreep met zijn jongere vriendin trouwen, zodat ze zijn huis zou krijgen.

Zijn zussen waren faliekant tegen. Het moest allemaal heel snel, want lang had hij niet meer. De trouwambtenaar kon pas twee dagen later, maar dat was op tijd voor een feestelijke dienst in de hospicetuin, de dag voor hij overleed.

Beeld Loek Buter
Jacques Roberscheuten Beeld Loek Buter

Een vrouw wachtte alleen nog op de bevalling van haar dochter. Het was een moeilijke bevalling, helemaal in het ziekenhuis in Enschede. Maar haar dochter was met de vrijwilligers van de Wensambulance naar Krommenie gebracht, zodat de stervende vrouw haar pasgeboren kleinkind even in de armen kon houden.
Zie het dan maar eens droog te houden.

Of de vrouw die zo graag nog naar zee wilde. Haar familie was meegegaan en samen hadden ze op het strand gepicknickt. Verderop was een bruiloft. De muzikant was hun kant op gekomen en vroeg of hij een lied voor de stervende vrouw mocht spelen. Voor haar, van Frans ­Halsema. Een week later, op haar begrafenis, was hij weer gekomen en had het nog eens gespeeld.

De nabijheid van de dood haalt soms het beste in mensen naar boven. Misschien is die, in deze ­tijden van streven naar maximaal genot, te veel naar de achtergrond gedrukt.

Worden we wakker geschud zodra de dood zich aandient.

Het lichaam verzorgen
Als iemand is overleden, gaan ze het lichaam verzorgen. Soms wil de familie helpen. Kinderen vinden het vaak moeilijk om het naakte ­lichaam van hun vader of moeder te zien. Te zien hoe uitgemergeld ze aan het eind waren. Soms spreekt Elly af dat zij de ouder zal wassen. Daarna smeert ze een lekker ruikende crème op de huid.

Als de overledene weer een beetje toonbaar is, roept ze de familie. Vaak gaan die eerst in de hoek staan, maar komen ze na een tijdje dichterbij. Dan geeft ze een sok. Zo'n sok aan een voet is makkelijker dan een mouw van een overhemd om een onwillige arm. Alles is goed.

Ze dwingt ze tot niets natuurlijk. Ieder moet doen waar hij een goed gevoel bij heeft. Halverwege de kamer uitlopen mag ook. Soms wordt het iemand gewoon te veel.

Aan ouders met jonge kinderen zal Anita nooit wennen. Een doodzieke moeder bleef overeind zitten en probeerde naar haar jongens te glim­lachen, terwijl Anita zag dat die vrouw alleen nog maar dood wilde.

Haar zoons sliepen op de logeerkamer. Hoorde Anita hen 's avonds in het bubbelbad gieren van het lachen. Zo gaat dat. Kinderen schieten van ontroostbaar verdriet zo weer in vrolijkheid. En dat is maar goed ook.

Ze weten het nog precies, de vrijwilligers die erbij waren. Toen die moeder overleed, ging haar zoontje, die het syndroom van Down had, op haar liggen huilen. De andere zoon probeerde hem te troosten. Het was al donker toen de kist naar buiten werd gebracht.

De twee broertjes stonden arm in arm op de stoep te kijken, hoe de kist met hun moeder de wagen in werd geduwd.

Even de gordijnen dicht
Een week later is er veel veranderd. Kamer Zee staat weer leeg. De boomlange politieman is gisteren overleden. 's Middags kwam de rouwauto voorrijden. Als er bewoners in de woonkamer zitten, schuift Anita de gordijnen even dicht.

"Laat maar lekker open hoor," zegt er dan ­eentje.

Vandaag had ze een intake met een nieuwe ­bewoner. Twee uur later wordt ze gebeld dat het niet meer hoeft. Ze vertelt hoe Gerda meemaakte dat een aanstaande bewoner tijdens de intake zijn laatste adem uitblies.

Volgens de vrijwilligers kun je het zien als de dood eraan komt. Ze krijgen een spitse neus, zeggen ze. En de ogen gaan dieper liggen. "Als de voeten blauw worden, weet je dat het niet lang meer duurt."

De mevrouw van kamer Duin had vier maanden geleden misschien kenmerken die erop duidden, maar nu niet meer. Ze zit samen met de vrijwilligers aan het avondeten. Ze heeft om spruitjes gevraagd en ook gekregen.

Naast haar bord staan een paar sneeuwklokjes in een vaasje, die een vrijwilliger voor haar plukte. Ze houdt ze dichtbij zich en wil ze graag meenemen naar haar kamer.

Ze vindt het fijn om samen met anderen te eten. Sinds haar man vier jaar geleden is overleden, at ze altijd in haar eentje. Ze mist hem heel erg, zegt ze.

Vroeger heeft ze een druk leven geleid, maar nu hoeft ze alleen nog maar te eten en te slapen. Ze was zangeres. Ze begint een lied: "Daar aan de Middellandse zee."

De vrouwen reageren enthousiast. Wil ze niet het hele lied zingen?
"Alleen als ik op tafel mag staan."

Nog even en dan moet ze hier weg. Ze is een van de zeldzame gevallen die dat in verticale houding zal doen. "Je moet door."

Beeld Loek Buter
Beeld Loek Buter
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden