Plus Achtergrond

Een oer-Hollands fenomeen: Chinees-Indische restaurants

Het Chinees-Indisch restaurant moet worden beschermd als cultureel erfgoed, vindt Julie Ng, die werkt aan haar documentaire Meer dan babi pangang. 

Julie Ng: ‘Het Chinees-Indisch restaurant is misschien een verzamelplaats van stereotypen, maar heeft voor beide kampen goed gewerkt.’ Beeld Marc Driessen

Kroepoek, papieren tafellakens, de kalender, het aquarium en het luikje naar de keuken: allemaal ingrediënten die onlosmakelijk verbonden zijn met het Chinees-Indisch restaurant. Als het aan de Amsterdamse documentairemaker Julie Ng ligt, wordt het hoog tijd om de Chinees officieel vast te leggen als immaterieel cultureel erfgoed. Nederlands erfgoed, wel te verstaan, want het Chinees-Indisch restaurant is een oer-Hollands fenomeen.

Meer dan babi pangang is de werktitel van de documentaire die over een jaar klaar moet zijn. De film vertelt het persoonlijke verhaal van de veertigjarige maker die opgroeide in het Chinees-Indisch restaurant van haar ouders in Sint-Oedenrode, gecombineerd met een verslag van haar poging om het culinaire fenomeen als immaterieel cultureel erfgoed toe te voegen aan onder meer het bloemencorso van Zundert, het schaatsen op natuurijs en de Nijmeegse Vierdaagse.

Jaarlijkse babipangangdag

Over die status moet in de komende maanden duidelijkheid komen. Ng heeft het vereiste erfgoedzorgplan ingeleverd. Dat voorziet onder meer in een jaarlijks terugkerende babi­pangangdag. “Het is spannend, maar ik denk dat we een goede kans maken,” zegt ze. “Er staat een Chinees-Indisch restaurant in het Openluchtmuseum in Arnhem. Dat is impliciet ook een erkenning dat het restaurant deel uitmaakt van de Nederlandse cultuur. Het is ook uniek. Je komt het elders nergens tegen.”

Het Chinees-Indisch restaurant is een culinair rollenspel dat in de jaren na de oorlog populair werd. Ng: “Er waren al Chinese restaurants in het land, maar die waren authentiek Chinees. Zij kregen na de oorlog veel repatrianten uit Nederlands-Indië over de vloer die vertrouwd waren met de Aziatische keuken. De restaurants speelden daarop in door zich aan te passen aan het Nederlandse smaakpalet. Dat werd een fantastisch succes. Bijna elk dorp had zijn eigen Chinees.”

Met de authentieke Chinese keuken had het weinig te maken. Ng: “Wij aten thuis nooit uit het restaurant. Als er een schaal babi pangang voorbijkwam, zei mijn vader: dat is niet lekker, dat is voor de Hollanders. Wij kregen rijst, gewokte groenten met verschillende soorten vlees. Nederland is natuurlijk een sausland. Hoe meer satésaus, hoe beter. Het succes van de babi pangang zit hem in de grote hoeveelheid zoetzure saus. Het maakt eigenlijk niet uit wat voor vlees eronder zit.”

Door het Chinees-Indisch restaurant maakte Nederland niet alleen kennis met de vreemde keuken, maar ook met de makers. Op school in Sint-Oedenrode was Ng het enige Chinese kind. “Ik heb wel vreemde dingen meegemaakt. Als er werd gezongen voor een jarige klonk steevast ook het Hanky Panky Sjanghai. De juf kwam dan enthousiast naar mij toe: dit is jouw liedje! Alle kinderen om mij heen zongen enthousiast mee, terwijl ze hun ogen tot spleetjes trokken. Heel raar vond ik dat.”

Nog een reden om het erfgoed te beschermen: het Chinees-Indisch restaurant verdwijnt langzaam maar zeker uit het straatbeeld. Het is een gevolg van de toegenomen concurrentie, legt Ng uit. “Het aanbod van restaurants is veel groter geworden. Veel restauranthouders beginnen een snackbar of een wokrestaurant met sushi. Er is veel meer variatie, ook in kwaliteit. In Sint-Willebrord zit O&O, een voormalige afhaalchinees die vorig jaar een Michelinster heeft gekregen.”

Aquarium

De vader van Ng heeft de omslag niet willen maken. Hij is vertrokken uit Sint-Oedenrode, en drijft nu een restaurant in Rozenburg. “Daar staan veel fabrieken in de omgeving. Als er moet worden overgewerkt, wordt er Chinees besteld. Daarmee houdt hij zich staande.” Haar vader werkt mee aan de documentaire. “Hij is een man van weinig woorden, maar hij vindt het wel oké. Mijn moeder is progressiever. Met haar kan ik ook praten over wat het restaurant voor haar betekend heeft.”

Ng heeft veel bewondering voor haar ouders. “Ik kan mij boos maken als mensen het Chinees-Indische restaurant treurig noemen. Ik weet hoe verschrikkelijk hard de mensen hebben gewerkt om iets op te bouwen. Het is misschien een verzamelplaats van stereotypen, maar het heeft voor beide kampen goed gewerkt. Ik weet zeker dat veel Nederlanders ook met nostalgie terugdenken aan hun zondagavond, wachtend naast het aquarium op hun plastic tas met eten.”

In restaurant Sea Palace wordt maandag een benefietdiner gehouden ten behoeve van de documentaire. Meer info: meerdanbabipangang.nl.

Nog maar vijf over

Kroepoek, papieren tafellakens, de kalender, het aquarium en het luikje naar de keuken: allemaal ingrediënten die onlosmakelijk verbonden zijn met het Chinees-Indisch restaurant. Als het aan de Amsterdamse documentairemaker Julie Ng ligt, wordt het hoog tijd om de Chinees officieel vast te leggen als immaterieel cultureel erfgoed. Nederlands erfgoed, wel te verstaan, want het Chinees-Indisch restaurant is een oer-Hollands fenomeen.

Meer dan babi pangang is de werktitel van de documentaire die over een jaar klaar moet zijn. De film vertelt het persoonlijke verhaal van de 40-jarige maker die opgroeide in het Chinees-Indisch restaurant van haar ouders in Sint-

Oedenrode, gecombineerd met een verslag van haar poging om het culinaire fenomeen als immaterieel cultureel erfgoed toe te voegen aan onder meer het bloemencorso van Zundert, het schaatsen op natuurijs en de Nijmeegse Vierdaagse.

Jaarlijkse babipangangdag

Over die status moet in de komende maanden duidelijkheid komen. Ng heeft het vereiste erfgoedzorgplan ingeleverd. Dat voorziet onder meer in een jaarlijks terugkerende babi­pangangdag. “Het is spannend, maar ik denk dat we een goede kans maken,” zegt ze. “Er staat een Chinees-Indisch restaurant in het Openluchtmuseum in Arnhem. Dat is impliciet ook een erkenning dat het restaurant deel uitmaakt van de Nederlandse cultuur. Het is ook uniek. Je komt het elders nergens tegen.”

Het Chinees-Indisch restaurant is een culinair rollenspel dat in de jaren na de oorlog populair werd. Ng: “Er waren al Chinese restaurants in het land, maar die waren authentiek Chinees. Zij kregen na de oorlog veel repatrianten uit Nederlands-Indië over de vloer die vertrouwd waren met de Aziatische keuken. De restaurants speelden daarop in door zich aan te passen aan het Nederlandse smaakpalet. Dat werd een fantastisch succes. Bijna elk dorp had zijn eigen Chinees.”

Met de authentieke Chinese keuken had het weinig te maken. Ng: “Wij aten thuis nooit uit het restaurant. Als er een schaal babi pangang voorbijkwam, zei mijn vader: dat is niet lekker, dat is voor de Hollanders. Wij kregen rijst, gewokte groenten met verschillende soorten vlees. Nederland is natuurlijk een sausland. Hoe meer satésaus, hoe beter. Het succes van de babi pangang zit hem in de grote hoeveelheid zoetzure saus. Het maakt eigenlijk niet uit wat voor vlees eronder zit.”

Door het Chinees-Indisch restaurant maakte Nederland niet alleen kennis met de vreemde keuken, maar ook met de makers. Op school in Sint-Oedenrode was Ng het enige Chinese kind. “Ik heb wel vreemde dingen meegemaakt. Als er werd gezongen voor een jarige klonk steevast ook het Hanky Panky Sjanghai. De juf kwam dan enthousiast naar mij toe: dit is jouw liedje! Alle kinderen om mij heen zongen enthousiast mee, terwijl ze hun ogen tot spleetjes trokken. Heel raar vond ik dat.”

Nog een reden om het erfgoed te beschermen: het Chinees-Indisch restaurant verdwijnt langzaam maar zeker uit het straatbeeld. Het is een gevolg van de toegenomen concurrentie, legt Ng uit. “Het aanbod van restaurants is veel groter geworden. Veel restauranthouders beginnen een snackbar of een wokrestaurant met sushi. Er is veel meer variatie, ook in kwaliteit. In Sint-Willebrord zit O&O, een voormalige afhaalchinees die vorig jaar een Michelinster heeft gekregen.”

Aquarium

De vader van Ng heeft de omslag niet willen maken. Hij is vertrokken uit Sint-Oedenrode, en drijft nu een restaurant in Rozenburg. “Daar staan veel fabrieken in de omgeving. Als er moet worden overgewerkt, wordt er Chinees besteld. Daarmee houdt hij zich staande.” Haar vader werkt mee aan de documentaire. “Hij is een man van weinig woorden, maar hij vindt het wel oké. Mijn moeder is progressiever. Met haar kan ik ook praten over wat het restaurant voor haar betekend heeft.”

Ng heeft veel bewondering voor haar ouders. “Ik kan mij boos maken als mensen het Chinees-Indische restaurant treurig noemen. Ik weet hoe verschrikkelijk hard de mensen hebben gewerkt om iets op te bouwen. Het is misschien een verzamelplaats van stereotypen, maar het heeft voor beide kampen goed gewerkt. Ik weet zeker dat veel Nederlanders ook met nostalgie terugdenken aan hun zondagavond, wachtend naast het aquarium op hun plastic tas met eten.”

In restaurant Sea Palace wordt maandag een benefietdiner gehouden ten behoeve van de documentaire. Meer info: meerdanbabipangang.nl. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden