Plus Reportage

Draaiorgels eindelijk nationaal erfgoed: ‘Cultuur zit in verdomhoek’

Iedere zaterdag staat Zico van Pareen met zijn draaiorgel op het Buikslotermeerplein. Beeld Jean-Pierre Jans

Mooi hoor, dat draaiorgels sinds dit weekend na 144 jaar eindelijk officieel nationaal erfgoed zijn. Maar er zijn voor de drie overgebleven professionele orgeldraaiers in Amsterdam bedreigingen te over. ‘We moeten het draaiorgel niet laten wegpoetsen.’

Nee, anders draaien nu hij nationaal erfgoed is geworden, zo voelt het nu ook weer niet. Maar Zico van Pareen, naar eigen zeggen de laatste echte Amsterdamse orgeldraaier − een aanduiding die op gespannen voet staat met zijn huidige woonplaats Almere − is maar wat blij dat het draaiorgel sinds dit weekend nationaal erfgoed is. “De orgelcultuur ligt al zo lang onder vuur.”

Vrijdagavond was hij nog, met de bulk van de vijftien professionele orgeldraaiers en tientallen hobbyisten die ons land nog telt, bij de uitreiking van het predicaat, in Utrecht. Nu staat hij op zijn vaste zaterdagplekjes in winkelcentrum Boven ‘t Y, om het half uur ergens anders om winkeliers niet te storen. “Mensen moeten ook niet moe van je worden en ook voor mijzelf is het wel lekker om niet steeds op dezelfde plek te staan.”

Dat nationaal erfgoed betekent vooral erkenning, legt directeur Leo Adriaanse van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed uit. “We hebben nu de straatexploitatie van draaiorgels bijgeschreven in het register met als inzet de draaiorgelcultuur in leven te houden, zowel in de stadscentra als in woonwijken,” zegt hij.

“Niet alleen wordt zo in beeld gebracht wat voor immaterieel erfgoed in Nederland is, maar ook hoe dit kan worden beschermd en geborgd voor de toekomst. Er zijn nog draaiorgels te vinden in zo’n honderd dorpen en steden in Nederland. Ze vormen daar een welkome afleiding op de dagelijkse beslommeringen.”

Verdomhoekje

“De bijschrijving is niet meer dan terecht,” oordeelt draaiorgelfan Anne Lize van der Stoel. “De draaiorgelcultuur zit toch een beetje in het verdomhoekje. De orgeldraaier moet zich steeds meer aanpassen aan de veranderende wereld. Er zijn winkeliers die zich boos maken dat er een draaiorgel voor de deur speelt, omdat je dan hun behangmuziek niet meer hoort. Of dat iemand van drie hoog een emmer water naar beneden stort. We moeten het draaiorgel niet laten wegpoetsen.”

Van der Stoel, oud-stadsdeelvoorzitter en voorzitter van het jaarlijks draaiorgelfestival, kent dat verdomhoekje uit ervaring. ”Dit jaar mochten we met het festival alleen op de Dam staan, terwijl we altijd de hele binnenstad in gingen. Met tussen de zestien en 25 orgels is dat wat krap. Dan kan je moeilijk allemaal tegelijk gaan spelen.”

“Vervolgens komt er een demonstratie voor Oeigoeren in China tussendoor, eentje voor de zorg en iemand die actie voert voor de Palestijnen. Allemaal ook met een vergunning. Prachtige doelen, maar zij willen ook hun zegje doen en dat gaat niet als er een orgel speelt.”

Orgelcultuur

“Zo draag je als stad niet bij aan de orgelcultuur,” vindt Van der Stoel. “Er is geen zicht op wat die cultuur betekent en we moeten met ambtenaren praten die er weinig van begrijpen. Daar zou de gemeente best meer aan kunnen bijdragen.” Ze geeft Groningen als voorbeeld, die een eigen orgel heeft waar draaiers freelance gebruik van kunnen maken. “Of ik daar nu meteen voor ben, weet ik niet. Maar het geeft wel aan dat er gemeentes zijn die zich wel hard maken voor het draaiorgel.”

Maar zegt Van der Stoel, het wereldje mag ook de hand in eigen boezem steken. “Het vergrijst heel erg. De mensen die alles van de bouw afweten, dragen die kennis niet altijd even makkelijk over.”

Want dat brengt het erfgoedregister wel met zich mee. “Wij moeten deze cultuur nu vastleggen en doorgeven,” zegt orgeldraaier Van Pareen, “en er voor zorgen dat er een opvolger komt als wij er mee ophouden. Er waren tijden dat er alleen maar orgels verdwenen. Maar de laatste drie, vier jaar is er toch weer een handjevol jongeren die enthousiast zijn geraakt voor orgels. Jongens van 15 tot 25 jaar die nu vooral onderhoud doen.” Alleen is er onder de orgeliers weinig verloop. “Ik stop hier pas mee zodra ik dood aan het orgel hang.”

Koude winters

Leon van Leeuwen van orgelbouwer G. Perlee is wat minder optimistisch. “Er staan elk weekend tussen de 75 en honderd orgels ergens in Nederland  op straat. Dat gaat best goed. Alleen in Amsterdam is het erg teruggelopen. Dat heeft ook met de bevolkingssamenstelling te maken. En veel orgelmensen van de oude generatie hebben hun kinderen naar een vaste baan gestuurd. Op straat ben je toch afhankelijk van de goedgeefsheid. ‘s Zomers gaat het goed, maar bij koude winters is het potverteren. Er is toch wat minder belangstelling voor.”

De grootste bedreiging voor de orgeldraaiers zit echter in de portemonnee van voorbijgangers: mensen hebben steeds minder kleingeld op zak om in het mansbakje te stoppen. “Ouderen zijn bang overvallen te worden, jongeren gebruiken geen kleingeld meer.” En dat is lastig. “Een collega heeft het geprobeerd met pinnen. Dan moeten mensen toch eerst een bedrag intikken. Dat schept afstand. De meesten lopen dan toch gewoon door. Daar moet iemand echt iets op gaan bedenken.”

Want ja, een dagje Amsterdam kost hem toch 20 euro parkeergeld en 10 euro benzine. Bovendien worden in de gemeentelijke jacht op evenementengeld ook de kleintjes niet ontzien. De prijs voor de vergunning is gestegen van 55 naar 111 euro. “Op zich red ik dat wel, maar ik begrijp niet zo goed waarom ze nu juist de straatcultuur ook pakken.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden